direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Thoorderstraat Grathem
Status: ontwerp
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Reden voor uitwerkingsplan

Aan het perceel gelegen aan de Thoorderstraat in Grathem, kadastraal bekend als gemeente Heythuysen, sectie W, nr. 174, bestaat het voornemen om één woning te realiseren. In het op 14 november 2017 vastgestelde bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is voor het plangebied aan de Thoorderstraat de bestemming 'Wonen - Uit te werken' opgenomen, aangezien destijds de ontwikkeling nog niet voldoende uitgekristalliseerd was. Met het opnemen van een uit te werken bestemming, bestaat er voor het college van burgemeester en wethouders een uitwerkingsplicht om binnen de planperiode van het moederplan, een uitwerkingsplan op te stellen. Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt hieraan invulling gegeven.

1.2 Ligging en grens van het plangebied

Het plangebied, waarvan de globale ligging is weergegeven op de onderstaande topografische kaart (afbeelding 1) en de exacte begrenzing is af te lezen uit afbeelding 2 ligt in ten zuiden van het dorp Grathem aan de Thoorderstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0001.png"  
Afbeelding 1. Topografische kaart kern Grathem, met aanduiding globale ligging plangebied (rode pijl).  
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0002.png"  
Afbeelding 2. Begrenzing plangebied rood omlijnd.  

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 14 november 2017. Binnen dit bestemmingsplan geldt voor het plangebied de bestemming 'Wonen - Uit te werken' met de bouwaanduiding 'vrijstaand'. Tevens geldt ter plaatse de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0003.png"  
Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'  

In artikel 24 is aangegeven dat burgemeester en wethouders de bestemming met inachtneming van de volgende regels uitwerken:

  • a. het aantal nieuwe woningen bedraagt niet meer dan aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';
  • b. de behoefte aan realisering van de nieuwe woningen moet worden aangetoond;
  • c. de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' dient in acht te worden genomen, met dien verstande dat, indien deze gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • d. de maximale goothoogte bedraagt niet meer dan 7 meter;
  • e. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 meter;
  • f. het gebruik als wonen vanuit milieuhygiënisch oogpunt dient aanvaardbaar te zijn;
  • g. er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat;
  • h. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten zal niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
  • i. het stedenbouwkundig beeld dient niet onevenredig te worden aangetast;
  • j. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 43.1. Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.
  • k. de natuurlijke waarden dienen niet onevenredig worden aangetast;
  • l. de belangen en bestemmingen in de omgeving dienen niet onevenredig te worden aangetast;
  • m. aangetoond dient te worden dat de externe veiligheidsrisico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen aanvaardbaar worden geacht;
  • n. alvorens kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk te maken dient de Veiligheidsregio om advies gevraagd te worden.
  • o. na uitwerking zijn voor de eindbestemming de overeenkomstige regels van artikel 23 (bestemming 'Wonen') van toepassing, met dien verstande dat tevens groenvoorzieningen en verkeersvoorzieningen zijn toegelaten overeenkomstig de regels van de artikelen 14 (bestemming 'Groen') en 21 (bestemming 'Verkeer').


Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.

  • Voor de onderdelen a, d en e geldt dat deze als voorwaarde worden opgenomen op de verbeelding van dit uitwerkingsplan.
  • Voor de onderdelen b,c en f t/m n geldt dat deze zijn getoetst in hoofdstuk 3, 3 en 4 van deze toelichting. Voor wat betreft de toetsing aan de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' geldt dat de kwantitatieve toetsing reeds heeft plaatsgevonden in het kader van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Hierin is aangegeven dat de aantallen woningen die kunnen worden gebouwd na uitwerking van de bestemming 'Wonen - Uit te werken', passen binnen de 'richtcijfers' zoals aangegeven in de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal in de structuurvisie. Deze situatie is ongewijzigd. Uit hoofdstuk 3 komt naar voren dat, mede door het aantal te realiseren woningen en de situering van de voorgevelrooilijn van de woningen sprake is van een goede stedenbouwkundige situatie binnen bestaand stedelijk gebied. Hoofdstuk 4 laat zien dat sprake is van een goede milieuhygienische situatie en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien worden de belangen in de omgeving niet onevenredig aangetast. Dit is gewaarborgd middels het opnemen van het landschappelijk inpassingsplan in de regels.Tot slot zal er worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
  • Voor onderdeel o geldt ten slotte dat de toepasselijke onderdelen van de Woonbestemming uit het moederplan 'Woonkernen Leudal 2017' zijn overgenomen, met dien verstande dat deze zijn afgestemd op de specifieke locatie.

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit uitwerkingsplan is als volgt opgebouwd:

De hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het plangebied is beschreven in hoofdstuk 3, onder meer aan de hand van functionele en ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 is aangegeven hoe wordt gehandhaafd op dit plan. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 een beschrijving van de gevoerde communicatie.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijks-, provinciaal en regionaal beleid

De beleidskaders van het rijksbeleid, provinciaal beleid en van het regionaal beleid zijn reeds weergegeven in de toelichting van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. In het kader van deze toelichting wordt alleen vermeld dat met de bouw van één woning binnen de bestaande kern geen belangen van het Rijk, de provincie of van de regio in het geding zijn. Het initiatief wordt als passend binnen het beleid van deze overheidsinstanties beschouwd. Ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt opgemerkt dat sprake is van de realisatie van slechts één woning, waarmee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

2.2 Gemeentelijk beleid

Omdat sprake is van een ontwikkeling waarvoor in het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' reeds een uit te werken woonbestemming is opgenomen, heeft ook de beleidsmatige onderbouwing reeds in dat bestemmingsplan plaatsgevonden. Het initiatief past dan ook binnen het gemeentelijk (woningbouw)beleid en de gemeentelijke woningbouwprogrammering. Voor een uitgebreide beschrijving van de diverse verschillende gemeentelijke beleidsstukken wordt dan ook verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'.

Hoofdstuk 3 Gebiedsprofiel en projectprofiel

3.1 Gebiedsbeschrijving

Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Grathem en aan de oostzijde van de Thoorderstraat. Het plangebied zelf bestaan in de huidige situatie uit grasland met enkele fruitbomen. Daarnaast staat er een klein tuinhuisje in het plangebied. In de directe omgeving zijn met name woningen en agrarische gronden gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0004.png"  
Afbeelding 4. Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving.  

3.2 Beschrijving ontwikkeling

Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt de realisatie van maximaal één grondgebonden vrijstaande woning mogelijk gemaakt. De woning zal op het noordelijke helft van het plangebied worden gerealiseerd en met de voorzijde gericht aan de Thoorderstraat. Het tuinhuisje zal op termijn worden verwijderd (nadat de nieuw te bouwen woning gereed is)

De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen bedraagt respectievelijk 7 en 10 meter. De woningen dienen te worden afgedekt met een kap, waarbij de dakhelling minimaal 20º en maximaal 50° bedraagt. Het één en ander is als zodanig in de regels en op de verbeelding opgenomen.

Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de inpassing van de nieuwe woning in het plangebied is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld1 . Het volledig inpassingsplan is als Bijlage 1 Landschapsinpassingsplan aan de planregels toegevoegd.

Vanwege de ligging aan de rand van de kern Grathem is een goede landschappelijke inpassing belangrijk, waarbij aandacht besteed dient te worden aan de overgang naar het landschap en het aanzicht van de dorpsrand. In de huidige situatie zijn verschillende landschapselementen aanwezig die goed passen in de omgeving van het plangebied. Het behoud van deze bestaande landschapselementen is momenteel niet geborgd. Door deze vast te leggen in de landschappelijke inpassing wordt verzekerd dat deze elementen behouden blijven en het initiatief voor de bouw van een woning op een goede manier in het landschap ingepast zal worden met reeds bestaande landschapselementen. Door het opnemen van het landschappelijk inpassingsplan in de regels is gewaarborgd dat de belangen en bestemmingen in de omgeving niet onevenredig zullen worden aangetast

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0005.png"  
Afbeelding 5. Tekening landschappelijke inpassing Thoorderstraat  

3.3 Cultuurhistorische en archeologische waarden

3.3.1 Cultuurhistorische waarden en monumenten

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle of monumentale elementen en/of gebouwen aanwezig waarop als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zal worden uitgeoefend.

3.3.2 Archeologische waarden

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem en de wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen.

In het geldende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is het plangebied gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Binnen dit gebied is archeologisch onderzoek nodig indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld en de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m2. Het plangebied heeft een oppervlakte van 2.477 m². Blijkens ontvangen informatie van de gemeente wordt echter niet uitgegaan van de oppervlakte van het perceel, maar van de concreet te verwachten oppervlakte bodemverstoring. Die bestaat in dit geval uit de oppervlakte bebouwing (woning en bijgebouwen), verhardingen zoals inrit en terrassen en eventuele andere bodemingrepen, zoals een eventuele vijver. Deze oppervlakte is minder dan 1.000 m², derhalve is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet verplicht.

3.4 Verkeer en parkeren

Verkeer

Als gevolg van de realisatie van de woning zal geen noemenswaardige toename plaatsvinden van het aantal verkeersbewegingen op de Thoorderstraat en de omliggende wegen. Zowel de Thoorderstraat als de omliggende wegen kunnen deze beperkte toename goed verwerken. Nadere verkeersmaatregelen zijn niet noodzakelijk.


Parkeren

De 'Nota Parkeernormen Leudal 2016' geeft aan dat per vrijstaande koopwoning in de zone 'rest bebouwde kom' van een weinig stedelijk gebied, 2,7 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Op eigen terrein zijn voldoende mogelijkheden om deze parkeercapaciteit te realiseren, waarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. De parkeernorm is vastgelegd in dde regels van dit uitwerkingsplan (artikel 11.1) en de nota parkeernormen is als Bijlage 2 Nota Parkeernormen Leudal 2016 bij de planregels gevoegd.

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

Bij het opstellen van een uitwerkingsplan dient rekening te worden gehouden met aspecten uit de omgeving die invloed uitoefenen op functies in het plangebied. Daarnaast kunnen ook functies binnen het plangebied invloed uitoefenen op de in de omgeving aanwezige waarden.

4.1 Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de aanwezige functies. In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie2 . Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. Onderstaand worden de conclusies hieruit weergegeven. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de rapportage die als Bijlage 3 Infiltratieonderzoek bij deze toelichting is gevoegd.

Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de bovengrond als de ondergrond geen verhoogde gehalten gemeten zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is niet aangetroffen binnen 5,5 m-mv. en derhalve niet onderzocht. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.2 Externe veiligheid

Achtergrond

Een woning is volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een kwetsbaar object. Indien er sprake is van de ontwikkeling of uitbreiding van een (beperkt) kwetsbaar object, dienen de risico's te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De normen hiervoor staan beschreven in het Bevi.

Risicovolle activiteiten

In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het projectgebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0006.png"  
Uitsnede risicokaart IPO met ligging plangebied (blauw omcirkeld)  


Risicovolle bedrijvigheid

Uit de provinciale risicokaart blijkt dat er op een afstand van circa 350 meter tot het plangebied een bovengrondse propaantank behorend bij de inrichting Hotel Restaurant ''de Kanteneer'' is gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 betreft 20 meter.Gelet op de afstand vormt de inrichting derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Buisleidingen

Volgens de risicokaart van de provincie Limburg, het vigerende bestemmingsplan en de kaarten van Gasunie, liggen er geen risicovolle kabels of leidingen in of in de directe nabijheid van het plangebied.


Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Op een afstand van circa 270 meter is de Napoleonsweg Noord/N273 gelegen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op basis van de risicokaart geldt voor de N273 ter plaatse van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Het plaatsgebonden risico levert derhalve geen belemmeringen voor het beoogde initiatief. Verder is op basis van de risicokaart sprake van een zeer laag groepsrisico, kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde.

Aangezien als gevolg van dit uitwerkingsplan geen significante invloed wordt uitgeoefend op het groepsrisico, levert de ligging ten opzichte van de weg geen directe belemmeringen op. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico

Zoals reeds beschreven is voor de N273 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items:

  • De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
  • De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid).

In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven:

Aspect   Verantwoording  
De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.   Voor wat betreft de weg bestaan er met name risico's in verband met ongelukken:
- met brandbare vloeistoffen;
- met brandbaar gas (BLEVE);
- met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).
De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.  
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).   Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten:
- met brandbare vloeistoffen;
- met brandbaar gas (BLEVE);
- met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).

Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag.

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.  


Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en over het water

Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen of waterwegen waarover frequent vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen.


Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan gelet op de ligging nabij de N273.

4.3 Flora en fauna

Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Door BRO is daarom een quickscan flora en fauna uitgevoerd3 . Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van de quickscan. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage die als Bijlage 2 Quickscan flora en fauna is toegevoegd.


Toetsing

Gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Grensmaas”, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 1 woning betreft tussen bestaande vrijstaande woningen, is een significante toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 150 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast ligt het plan niet binnen of in de buurt van de zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone.

Soortenbescherming

Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij het verwijderen van het opgaand groen kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Het plangebied bevat geen potentiele vaste- rustverblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van aantasting van vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of (essentieel) foerageerhabitat voor vleermuizen.Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Negatieve effecten op reptielen zijn op voorhand uitgesloten. De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten.


Conclusie

Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soort-groepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepa-lingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:

  • Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broed-seizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.
  • Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te wor-den genomen.

Aanbevelingen

De te slopen bebouwing biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. In het kader van natuurinclusief bouwen en ondernemen kan met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het weglaten/verplaatsen van vogelschroot, plaatsen van nestkasten of inbouwen van neststenen, het plaatsen/inbouwen van vleermuiskasten en/of door de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, de nieuwbouw wel fungeren als nest- en/of verblijfplaats voor huismussen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief bijdragen leven aan lokale populaties. Indien wenselijk kan BRO hieromtrent vrijblijvend adviseren.

4.4 Luchtkwaliteit

Als een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitvoeren van een initiatief. De normen hiervoor staan beschreven in de Wet milieubeheer en in het besluit NIBM. Een ontwikkeling van niet meer dan 1.500 woningen met 1 ontsluitingsweg is aangemerkt als NIBM. Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt slechts één woning mogelijk gemaakt, waarmee het plan ruim onder de norm van 1.500 woningen blijft. Luchtkwaliteitseisen werken dan ook niet belemmerend voor het plan.

4.5 Water

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer.


Beleidskader

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het gezamenlijke Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan 2016-2021, het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).


Kenmerken van het watersysteem

De kenmerken van het watersysteem, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater.

Grondwater en oppervlaktewater

In of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen waarmee rekening gehouden dient te worden. Blijkens het POL2014 is het plangebied niet gelegen binnen een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Aangezien geen diepe boringen voorzien zijn, vormt dit geen belemmering.

Afvalwater

Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Hemelwater

Door Aeres Milieu BV is een infiltratieonderzoek uitgevoerd4 . Hieruit is gebleken dat de in het veld gemeten infiltratiesnelheid voldoende is om het hemelwater af te voeren naar de bodem. Onderstaand zijn de conclusies hieruit weergegeven. Voor de volledigheid wordt verwezen naar het onderzoek wat als Bijlage 3 Infiltratieonderzoek bij dit uitwerkingsplan is opgenomen.

Het maaiveld ter plaatse is oplopend vanaf de Thoorderstraat (circa 29,7 meter +NAP) naar het (zuid)oosten (ca. 30,3 meter +NAP). Ter plaatse is een humeuze toplaag van 0,5-1,0 meter aanwezig. Hieronder is een (zeer) fijn, zwak tot matig siltige zandlaag aanwezig.

Gezien de huidige hoogteligging heeft de inrichting van een hemelwatervoorziening nabij de Thoorderstraat de voorkeur. Vooraan op het perceel (meetpunt B) is een matige infiltratiesnelheid aangetoond waardoor een infiltratievoorzienig ter plaatse mogelijk is (>0,5 meter per dag). De diepere ondergrond is oostelijk als slecht doorlatend beoordeeld.

Afkoppeling is eenvoudig realiseerbaar en verplicht bij nieuwbouw. Aan de (milieuhygiënische) randvoorwaarden kan worden voldaan (zie ook de overige randvoorwaarden in hoofdstuk 4). De afstromende neerslag zal naar verwachting niet vervuild zijn. Deze neerslag kan rechtstreeks afstromen naar de nieuw aan te leggen hemelwatervoorziening. Hergebruik van hemelwater kan overwogen worden voor bijvoorbeeld het besproeien van de tuin (als aanvulling).

Gezien de afwezigheid van oppervlaktewater nabij het plangebied dient een bovengrondse noodoverlaat naar het gemeentelijk stelsel voorzien te worden. Een overloop op eigen terrein is ook toegestaan als in de voorziening dan een dynamische buffer/waakhoogte van 0,5 meter boven de retentie van een bui van 50 mm aanwezig is (totale retentie van 84 mm voor het totaal verhard oppervlak).

Ter plaatse dient minimaal 50 mm hemelwater geborgen kunnen worden in een hemelwatervoorziening. Voor het woonperceel is het toekomstig verhard oppervlak (dak en overig verhard) ingeschat op ca. 650 m2. De infiltratievoorziening dient hiervoor ca. 32,5 m3 groot te zijn. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig om dit in te passen. Bovendien is sprake van een worst-case scenario voor wat betreft de oppervlakte nieuwe bebouwing en verharding. De initiatiefnemers willen namelijk alle paden en de oprit uitvoeren met waterdoorlatende halfverharding. Daarmee zal hooguit de helft van het genoemde oppervlak volledig verhard zijn en kan om die reden ook worden volstaan met een vergingsvoorziening van ca. 17 m³.

Opgemerkt wordt dat dit een gemiddelde inschatting betreft. Het uiteindelijk verhard oppervlak kan afwijken door de eigen wensen, bouweisen en het eventueel gebruik van een halfverharding of waterpasserende bestrating.

Middels een sloot of een groter, verlaagd maaiveld (infiltratieveld) kan de benodigde waterretentie ingepast worden op het woonperceel. De definitieve keuze voor een hemelwatervoorziening hangt af van de uiteindelijke verharding, de kostprijs, de nadere inrichting en de eigen voorkeur, zolang er maar voldoende berging aangelegd wordt. De nadere uitwerking van een hemelwatervoorziening dient bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning aangeleverd te worden bij de gemeente.

Bij aanleg van een retentie van 50 mm (T=10) dient inzichtelijk te zijn wat er bij een bui van T=100 (84 mm) gebeurd. Door het aanhouden van een bouwpeil van ca. 20 centimeter boven maaiveld en de aanleg van een noodoverloop naar het lager gelegen gemeentelijke stelsel wordt instroom van hemelwater in de nieuwbouw vermeden en is voor de nieuwbouw geen (grond)wateroverlast te verwachten.


Overleg waterbeheerder

Aangezien geen sprake is van een toename van de hoeveelheid oppervlakteverharding van 2.000 m² of meer, hoeft het plan niet ter toetsing te worden voorgelegd aan het watertoetsloket van het waterschap.

4.6 Wet geluidhinder

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Brugstraat. Deze weg kent een snelheidsregime van 50 km/h. Ten behoeve van dit plan is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd5 . In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Thoorderstraat en de Loorderstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek. Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen in de onderzoekszone van de Brugstraat. Onderstaand worden de conclusies hieruit weergegeven. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de rapportage die als Bijlage 4 Akoestisch onderzoek is toegevoegd.

De exacte locatie van de nieuwe woning is nog niet bekend, zodat in dit onderzoek de ligging van de 48 en 53 dB contour is bepaald, voor respectievelijk de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde voor binnenstedelijk gebied.

Toets Wet geluidhinder

Brugstraat

De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 46 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

Toets goede ruimtelijke ordening

Thoorderstraat

De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 54 dB, excl. aftrek artikel 110g. Zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder is de geluidbelasting 49 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde ligt.

De voorkeursgrenswaarde wordt op een gedeelte van het perceel overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarde te worden aangevraagd.

Loorderstraat

De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 29 dB, excl. aftrek artikel 110g. Zou getoets worden aan de Wet geluidhinder is de geluidbelasting 24 dB waarmee deze onder de voorkeursgrenswaarde ligt.

Conclusie.

Vanuit het aspect geluid wegverkeerslawaai zijn er geen belemmeringen voor realisering van dit plan.

4.7 Wet milieubeheer

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is het noodzakelijk een zekere afstand te behouden tussen (agrarische) bedrijven en woonbebouwing. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving.

De beoogde woning vormt geen functie die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of instellingen gelegen die door de realisatie van de woning in hun activiteiten belemmerd zou kunnen worden. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Milieueffectrapportage

Toets m.e.r-plicht

In het plangebied wordt één grondgebonden vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in Lijst C in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.

Toets m.e.r.-beoordelingsplicht

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De ontwikkeling van woningen valt onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.”

Op basis van jurisprudentie (ECLI: RVS:2017:694) dient bij de beantwoording van de vraag of een ontwikkeling dient te worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject te worden gekeken naar de onderstaande aspecten:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie (wijziging), en;
  • de vraag of er sprake is van een bestaand of een te realiseren bouwwerk.

Ten aanzien van deze criteria is er wat betreft het voorliggende initiatief sprake van een ontwikkeling van beperkte omvang en schaalgrootte. Er is immers slechts sprake van de realisatie van één vrijstaande woning op een inbreidingslocatie binnen een bestaande woonkern, op gronden waarvoor reeds op basis van het vigerende bestemmingsplan woningbouw voorzien is.

Op dit moment bestaat het plangebied in de huidige situatie uit grasland met enkele fruitbomen. Daarnaast staat er een klein tuinhuisje in het plangebied. In de directe omgeving zijn met name woningen en agrarische gronden gelegen. De bouwkavel is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Evenmin is sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie paragraaf 3.4 tot en met 4.5). Kortom, er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planonderdelen

Het uitwerkingsplan voor het plangebied aan de Thoorderstraat is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het uitwerkingsplan. De analoge verbeelding is als Bijlage 5 Analoge verbeelding bij deze toelichting gevoegd.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het uitwerkingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Het voorliggende uitwerkingsplan is opgesteld conform het gemeentelijk Handboek en het vigerende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Opzet planregels

5.2.1 Inleidende regels

Begrippen (art. 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.

In de begrippen is ook een definitie voor 'peil' weergegeven. Dit is in de volgende afbeelding gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0007.png"  
Afbeelding 6. Visualisatie van de verschillende definities van peil.  

Wijze van meten (art. 2)

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

In de onderstaande afbeelding is aangegeven hoe de goothoogte en bouwhoogte bij woningen met en zonder kap gemeten dienen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18GrThoorderstr-ON01_0008.png"  
Afbeelding 7. Goot- en bouwhoogte bij woningen met en zonder kap.  
5.2.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd en benoemd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

In dit uitwerkingsplan is voor diverse bestemmingen een nadere eisenregeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen, binnen de reeds aangegeven begrenzingen van het uitwerkingsplan (gebruiks- en bouwregels), nadere eisen stellen aan plaats en afmeting van gebouwen indien dit noodzakelijk is voor de aspecten:

  • gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • verkeersveiligheid;
  • sociale veiligheid;
  • brandveiligheid en rampenbestrijding;
  • externe veiligheid;
  • benodigde parkeervoorzieningen;
  • benodigde waterberging.

Hier onder worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Wonen

Conform de uitwerkingsregels van het moederplan is aangesloten bij de woonbestemming van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. In overeenstemming met de gemeentelijke standaard is voor woondoeleinden slechts één bestemming opgenomen, namelijk 'Wonen'. Hierin is tevens de voor- en achtertuin geregeld. Deze bestemming is opgenomen voor het gehele plangebied. De regeling is zeer flexibel gehouden, met als gevolg dat er bij het bouwen, verbouwen of veranderen van een woning aan maar weinig voorwaarden voldaan hoeft te worden.

Binnen de woonbestemming is het toegestaan aan huis verbonden beroepen uit te oefenen. Volgens jurisprudentie kan het gebruik van ruimten in woningen voor de uitoefening van een ambt, beroep of praktijk niet afhankelijk worden gesteld van een omgevingsvergunning. Daarom is in de gebruiksregels opgenomen dat een aan huis verbonden beroep rechtstreeks is toegestaan maar dat de woonfunctie de hoofdfunctie dient te blijven.

Er geldt een aantal specifieke bouwregels binnen de woonbestemming. Het hoofdgebouw mag enkel binnen het bouwvlak worden gebouwd. Tevens is in de regels aangegeven dat de woning moet worden gebouwd binnen een denkbeeldig vlak dat wordt begrensd door de voorgevelrooilijn en een denkbeeldige lijn op 15 meter evenwijdig aan de voorgevelrooilijn. Bijbehorende bouwwerken mogen ook daarachter, op het achtererf worden opgericht.

Woningen mogen enkel op de begane grond worden uitgebreid. Uitbreiding op de verdieping is mogelijk met een afwijking van het uitwerkingsplan.

Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Door middel van een afwijking door middel van een omgevingsvergunning is het onder voorwaarden mogelijk buiten het bouwvlak te bouwen.

5.2.3 Algemene regels

De Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten.

In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden.Tevens zijn regels opgenomen met betrekking tot het houden van evenementen en het innemen van verkoopstandplaatsen. Daarnaast is een regel opgenomen over de bescherming van cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - monument gemeente' en/of 'specifieke vorm van waarde - monument rijk'.

De Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

In de Algemene afwijkingsregels is een regeling opgenomen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten en overige woonurgenten. Deze regels bevatten een doorvertaling van de op 13 oktober 2015 door de gemeenteraad van Leudal vastgestelde kadernotitie 'Huisvesting arbeidsmigranten en overige woonurgenten in Leudal'. De mogelijkheden voor genoemde vormen van huisvesting zijn opgenomen in de afwijkingsregels voor realisering van kamerbewoning. \

In de Algemene wijzigingsregels is ter voldoening aan de beleidsuitgangspunten in de regionale Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg en overeenkomstig de systematiek van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', in lid 9.2 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders de bouwtitel in dit uitwerkingsplan kunnen verwijderen indien hiervan gedurende een aantal jaren geen gebruik is gemaakt.

De   Algemene procedureregels bevatten alleen nog procedureregels voor het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening. Voor alle overige procedures zijn reeds procedureregels opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichting) en in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunningen).

In de Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht. Hierin is een regel opgenomen die aangeeft dat, waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. Tevens wordt aangegeven welke dubbelbestemmingen prevaleren boven andere dubbelbestemmingen indien deze samenvallen.

Daarnaast zijn regels opgenomen waarin is vastgelegd dat bij ontwikkelingen voldaan dient te te worden aan de door de raad vastgestelde parkeernormen. Daarbij wordt verwezen naar de Nota Parkeernormen 2016.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het uitwerkingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant.

Tussen de gemeente Leudal en de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten. Daarmee is de financiële haalbaarheid van het plan voor de gemeente verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Aangezien sprake is van een uitwerkingsplan, wordt geen inspraakprocedure doorlopen. Het uitwerkingsplan zal direct als ontwerp ter inzage worden gelegd. De te volgen procedure is omschreven in paragraaf 6.3.

6.3 Procedure

Een uitwerkingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit houdt in dat het ontwerp-uitwerkingsplan na behandeling in het college van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging stelt het college van burgemeester en wethouders het uitwerkingsplan vast. Daarbij worden de ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een uitwerkingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Een bestemmingsplan c.q. uitwerkingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan c.q. uitwerkingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden.

In dit uitwerkingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld. Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien.

In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen.

Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging.

Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het uitwerkingsplan.