direct naar inhoud van Bijlagen bij besluit
Plan: Friedesemolen te Neer
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01

Bijlagen bij besluit

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Aanleiding en besluitgebied

1.1 Reden voor besluit

De heren R. en B. Boonen zijn voornemens om de locatie aan de Friedesemolen 1 in Neer te herontwikkelen.

De plannen bestaan concreet uit de volgende ontwikkelingen:

  • a. Verbouw van de molenwoning:
    • 1. Op de begane grond een of meer van de volgende functies: kleinschalige, lichte horeca van categorie 1a1 in de vorm van een kofie-/theehuis en daarmee vergelijkbare horeca, infocentrum, algemene ruimte, vergaderruimte, recreatieruimte, expositieruimte, atelier en één huurappartement;
    • 2. Twee huurappartementen op de verdieping;
  • b. Herbouw schuur met woonbestemming voor twee woningen;
  • c. Fietsenstalling;
  • d. Realisering parkeergelegenheid voor bewoners en bezoekers.
  • e. Herinrichting van de gronden rond de molenwoning en te realiseren schuurwoningen.

De locatie is gelegen binnen het op 11 november 2014 vastgestelde bestemmingsplan 'Kern Neer' van de gemeente Leudal. De gronden zijn hierin bestemd tot 'Wonen'. Deze bestemming staat de beoogde ontwikkelingen niet toe.

De gemeente Leudal heeft meegedeeld in principe medewerking te willen verlenen aan de plannen en aangegeven hiervoor een omgevingsvergunning in procedure te willen brengen voor buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan volgens artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.2 Ligging en begrenzing besluitgebied

Het besluitgebied is gelegen in de kern Neer aan de weg Friedesemolen. Deze weg sluit aan de noordkant aan op de Bergerstraat, welke in noordelijke richting de verbinding vormt naar de Napoleonsweg. Direct ten zuiden van het plangebied is de Neerbeek gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1. Ligging besluitgebied (paarse lijn)  

1.3 Vigerende bestemmingsplan

Het besluitgebied is gelegen binnen het op 11 november 2014 vastgestelde bestemmingsplan 'Kern Neer'. De gronden zijn daarin bestemd tot 'Wonen'. De molen en de molenwoning zijn gelegen binnen een bouwvlak. De locatie waar de te herbouwen schuur is beoogd zijn gelegen buiten het bouwvlak. De bestaande panden (molen en molenwoning) zijn beide aangeduid als 'specifieke vorm van waarde - monument rijk'.

Tevens geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' (terrein van hoge archeologische waarde).

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0002.png"  
Afbeelding 2. Uitsnede bestemmingsplan 'Kern Neer'  

1.4 Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd:

De hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het besluitgebied. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van het besluitgebied en van het (bouw)plan. In hoofdstuk 5 komt de belangenafweging aan de orde. Tenslotte komt in hoofdstuk 6 de procedure aan de orde.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid
2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In deze structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.

Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • a. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • b. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • c. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

De 13 nationale belangen zijn:

Versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland

  • Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren.
  • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie.
  • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen.
  • Efficiënt gebruik van de ondergrond.

Verbeteren bereikbaarheid: Slim Investeren, Innoveren en Instandhouden

  • Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
  • Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen.
  • Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.

Waarborgen kwaliteit leefomgeving

  • Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
  • Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.
  • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.
  • Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.
  • Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Voor het besluitgebied is het nationaal belang ruimte voor behoud en versterking van cultuurhistorische kwaliteiten van belang. Met de verlening van de omgevingsvergunning wordt hieraan invulling gegeven door middels een functiewijziging behoud van bestaande en herbouw van verdwenen cultuurhistorisch waardevolle panden mogelijk te maken. Tevens geldt zoals bij alle ruimtelijke plannen dat sprake dient te zijn van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in de regelgeving opgenomen.

Blijkens de kaart 'Grote rivieren' behorende bij het Barro is het plangebied gelegen binnen het rivierbed van de Maas.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0003.png"  
Afbeelding 3. Uitsnede kaart 'Grote rivieren' Barro  

In artikel 2.4.3 van het Barro is bepaald dat een bestemmingsplan ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aanwijst in het geval er sprake is van:

  • een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
  • geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
  • een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en
  • een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.

De artikelen 2.4.1 t/m 2.4.5 van het Barro zijn alleen van toepassing op activiteiten in (delen van) een rivierbed waarvoor op grond van de Waterwet en het Waterbesluit een vergunningplicht of algemene regels gelden (afstemming met de watervergunning). Omdat het besluitgebied is gelegen in een deel van het rivierbed waar hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (zie par. 2.1.4) en er dus geen watervergunning nodig is, vormt de ligging binnen het rivierbed geen belemmering.

Op dit project zijn de overige belangen uit het Barro niet van toepassing.

2.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en EHS-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Leudal. Aangezien de te verlenen omgevingsvergunning geen windturbines hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied.

2.1.4 Beleidsregels Grote Rivieren

Op 14 juli 2006 zijn de herziene Beleidsregels Grote Rivieren vastgesteld. Met de herziening van de beleidsregels wordt meer ruimte geboden aan ontwikkelingsgerichte initiatieven. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor ontwikkelingen die de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied kunnen verbeteren. Doelstelling van de Beleidslijn grote rivieren is om de beschikbare bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden, ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken en het waarborgen van de afvoercapaciteit in het stroomvoerend rivierbed.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0004.png"  
Afbeelding 4. Uitsnede kaart bij Beleidsregels Grote Rivieren met aanduiding ligging besluitgebied (blauwe lijn)  

Het besluitgebied is gelegen binnen een gedeelte van het rivierbed waar paragraaf 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is. Op basis van rivierkundige gronden en via een algemene maatregel van bestuur is het vergunningenregime van de Waterwet hier niet van toepassing. Deze aanduiding betekent dat de betreffende gebieden vanuit rivierkundig oogpunt (vanuit het rivier- en stroombelang) minder van belang worden geacht. Bescherming van dat belang door middel van een vergunningenstelsel in het kader van de Waterwet is daarmee niet noodzakelijk.

Deze gebieden blijven wel deel uit maken van het rivierbed. Dit betekent dat sommige van deze gebieden bij hoogwatersituaties onder water kunnen staan. Bouwen in deze, in het rivierbed gelegen gebieden, geschiedt net als elders in het rivierbed op eigen risico. Ingeval van hoogwaterschade, wordt door zowel het rijk als de gemeente, geen recht op schadevergoeding erkend.

2.1.5 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) - Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor (1) de ruimtevraag, (2) de beschikbare ruimte en (3) de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

De Raad van State heeft in zijn uitspraak 201302867/1/R4 aangeven dat kleinschalige woningbouwplannen geen stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in de Ladder duurzame verstedelijking. Daarnaast is vaste jurisprudentie dat in beginsel inpandige functiewijziging zonder nieuw ruimtebeslag in beginsel niet wordt gezien als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.

Onderhavig project voor een functiewijziging van wonen naar maatschappelijk/horeca met wonen op de verdieping in de molenwoning en voor realisering van twee (recreatie)woningen in de te herbouwen 'schuur', is dan ook niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

De Ladder duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.

2.1.6 Wet milieubeheer

In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:

  • a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
  • b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.

In de bijlagen C en D van het besluit milieueffectrapportage is niet alleen aangegeven bij welke activiteiten een m.e.r. (-beoordeling) moet plaatsvinden, maar ook in het kader van welke plannen en besluiten dit is voorgeschreven. Een omgevingsvergunning voor buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan volgens artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat daarbij niet genoemd. Ten behoeve van de te verlenen omgevingsvergunning is een m.e.r.- of m.e.r.-beoordeling derhalve niet noodzakelijk.

2.2 Provinciaal beleid
2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL 2014)

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg als onderdeel van een integrale omgevingsvisie het POL 2014 'Voor de kwaliteit van Limburg' vastgesteld. Op 16 januari 2015 is het POL 2014 in werking getreden.

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Binnen het bebouwd gebied worden de volgende zones onderscheiden:

  • Stedelijk centrum,
  • Bedrijventerrein,
  • Overig bebouwd gebied

In het landelijk gebied gaat het om de zones:

  • Goudgroene natuurzone,
  • Zilvergroene natuurzone,
  • Bronsgroene landschapszone en
  • Buitengebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0005.png"  
Afbeelding 5. Uitsnede POL-kaart Zonering Limburg met aanduiding ligging plangebied (paarse lijn)  

Het plangebied is gelegen binnen overig bebouwd gebied. Dit betreft gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Het accent ligt in dit gebied op:

  • a. bereikbaarheid ;
  • b. balans tussen voorzieningen en detailhandel;
  • c. facilitering van stedelijk groen en watersysteem;
  • d. balans en transformatie suburbaan woon- en werkmilieu;
  • e. kwaliteit van de leefomgeving.

POL 2014 stelt kwaliteit centraal. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden omgaan met de voorraden: de ruimte (steden en dorpen, natuur, landschap), de voorzieningen (gebouwde omgeving, infrastructuur, vervoersystemen), de natuurlijke hulpbronnen, de milieuruimte en de ondergrond. Dit wordt vertaald in een aantal principes, die als uitgangspunt gelden bij het maken van keuzes. Voor het onderhavige plan zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten een plek krijgen binnen het bebouwd gebied. Als dat in uitzonderingsgevallen niet kan, dan toch zoveel mogelijk aansluitend daaraan én met een stevige tegenprestatie voor het verlies aan omgevingskwaliteiten (zie Limburgs kwaliteitsmenu). Met dit principe in combinatie met het dynamisch voorraadbeheer, wordt invulling gegeven aan het principe van duurzame verstedelijking.
  • Goed gebruik maken van reeds bestaande voorzieningen (benutten bestaande voorraad, optimaal benutten wegen door verkeer- en vervoersmanagement, meervoudig ruimtegebruik e.d.).
  • Gebruik maken van de kansen die het watersysteem biedt en rekening houden met en zich aanpassen aan het watersysteem (klimaatadaptatie).
  • Nieuwe stedelijke functies die veel woon-werkverkeer of bezoekersstromen oproepen dienen goed aangesloten te zijn op het OV-systeem.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk leegstaande cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen benutten. Er moet gekeken worden of er een leegstaand rijksmonument, gemeentelijk monument, beschermd stads- of dorpsgezicht of ander leegstaand gebouw (in die volgorde) geschikt (te maken) is om deze functie te huisvesten.
  • Principes voor het zorgvuldig gebruik van de ondergrond.
  • Inzet op energiebesparing en op een zo groot mogelijk aandeel vernieuwbare energiebronnen. Beter benutten van grondstoffen door er efficiënter mee om te springen en het benutten van afval- en reststromen en uiteindelijk realiseren van gesloten kringlopen.

Wonen

De Limburgse ambitie op het gebied van wonen is een toekomstbestendige woningmarkt. Deze is gediend met een ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Dat begrip omvat meerdere aspecten:

  • duurzaamheid (energieprestatie en -gebruik gedurende de hele levenscyclus van vastgoed, duurzaamheid en energie tijdens de bouw en sloop en hergebruik van materialen. Dit levert tevens een bijdrage aan de circulaire economie;
  • flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en functies;
  • levensloopbestendigheid (gebruikskwaliteiten gedurende de levensloop van gebruikers);
  • als ruimtelijke basis: de locatie van woning(en), wat een focus inhoudt op plaatsen waar de randvoorwaarden voor een hoogwaardig woonklimaat ook op langere termijn aanwezig zijn.

Toevoegingen aan de Limburgse woningmarkt moeten niet alleen van de juiste soort zijn (d.w.z. voldoen aan de specifieke lokale woningbehoefte) en op de juiste locatie zijn, maar moeten in veel gevallen ook gepaard gaan met sloop, zodat de kwantitatieve verhouding in balans blijft. In plaats daarvan kan ook gekozen worden voor substantiële renovaties, gepaard met duurzaamheidsinvesteringen en toekomstbestendige verbeteringen van de gebruikskwaliteiten, die de levensduur van woningen aanzienlijk verlengen.

De verschillen binnen de woningmarkt in de regio’s vragen om een regiospecifieke uitwerking in regionale (structuur)visies. Wat geldt als optimale verhouding tussen landelijk en stedelijk gebied verschilt per regio, maar is steeds gebaseerd op de POL-visie op verstedelijking en dynamisch voorraadbeheer. De regionale structuurvisie bevat de vertaling van wijzigende behoeften in een regionale programmering, inclusief de aansluiting met het strategisch voorraadbeheer van corporaties en met beoogde gebiedsontwikkelingen en de planrealisatie door ontwikkelaars.

De programmering is regionaal dekkend en maakt – waar van toepassing – gebruik van al bestaande (sub)regionale programmeringen. Zo nodig treedt de nieuwe regionaal dekkende programmering echter in de plaats van bestaande programmeringen op gelijk of lager schaalniveau. Een regionale programmering die geen rekening houdt met de transformatieopgave kan niet in een bestuurlijke borging van afspraken bekrachtigd worden. Om afspraken te borgen die én al zijn vastgelegd in bestaande intergemeentelijke structuurvisies én die bijdragen aan de doelstellingen in de regionale structuurvisie , regelt de regionale structuurvisie de verhouding tussen beide documenten, bijvoorbeeld met een overgangsfase.

‘Plannen voor groei’ is voor grote delen van de provincie achterhaald en steeds minder realistisch. Aan ‘actueel flexibel maatwerk’ bestaat eerder behoefte:

  • actueel in de zin van het inspelen op maatschappelijke trends,
  • flexibel qua invulling, bruikbaarheid, kortom: toekomstbestendigheid,
  • maatwerk qua locatie en segment.

De koopwoningmarkt kent een beperkte stuurbaarheid. Daar staat tegenover dat de kwetsbaarheid van diezelfde koopmarkt in de afgelopen jaren onmiskenbaar is bewezen, waarbij het grootste probleem zich manifesteert aan de onderkant van de particuliere woningmarkt. In alle drie de regio’s zijn urgente oplossingen nodig om de balans op de woningmarkt te herstellen. De noodzakelijke maatregelen kunnen verschillen en vereisen maatwerk per regio.

Aan de toenemende vraag naar huurwoningen – ook in het middeldure segment – kan onvoldoende worden voldaan. Onderzoek heeft aangetoond dat een substantieel deel van de nieuwbouw (een kwart tot een derde) gerealiseerd zou moeten worden in de huursector boven de liberalisatiegrens, om aan deze vraag te voldoen.

De krimpende en vergrijzende bevolking vergt het bewaken van de balans tussen vraag en aanbod van ‘wonen met zorg’. Onder meer vanwege de extramuralisering van de zorg moet Wonen met zorg in de regionale structuurvisies kwalitatief en kwantitatief worden geconcretiseerd en meegenomen in de prestatieafspraken met woning­corporaties.

De combinatie van vergrijzing en de veranderingen in de zorg (o.a. scheiding van wonen en zorg) leidt tot een dubbele opgave. Dit stelt bovengemiddeld zware eisen aan de gebruikskwaliteiten van de woningvoorraad en leidt tot een toenemende vraag naar zorggeschikte woningen, dichtbij dagelijkse voorzieningen. Deze eisen zijn leidend voor ingrepen in de huidige woningvoorraad en voor alle toevoegingen.

Afweging POL 2014

De beoogde ontwikkeling voorziet voor een deel in behoud en/of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (rijksmonument) en er wordt voor een groot deel gebruik gemaakt van bestaande bebouwing. Bij de bouw van de woningen wordt het uitgangspunt van duurzaam bouwen zoveel mogelijk toegepast. De woningen worden gerealiseerd als huurwoningen in de particuliere sector. Daarmee wordt invulling gegeven aan de behoefte aan woningen in de huursector boven de liberalisatiegrens.

Daarmee past de beoogde ontwikkeling binnen de doelstellingen van het POL 2014.

2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en de Verordening Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) vrijwel ongewijzigd opgenomen.

De Omgevingsverordening bevat regels over diverse onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden. Het besluitgebied is niet gelegen binnen een van de in de Omgevingsverordening 2014 aangeduide beschermingsgebieden.

2.2.3 Ontwerp omgevingsverordening 2014 (mei 2016)

De Omgevingsverordening Limburg wordt op onderdelen aangepast en deze aanpassingen zijn in de Ontwerp-Omgevingsverordening Limburg 2014 verwerkt. De ontwerp Omgevingsverordening Limburg 2014 heeft in mei 2016 ter inzage gelegen.

In de voorziene aanpassing is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. De ontwikkeling past binnen deze regionale structuurvisie. Dit wordt in paragraaf 2.3.2 verder toegelicht.

2.2.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu

Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwings-ontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd.

Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied.

Het LKM is op deze ontwikkeling niet van toepassing, aangezien sprake is van een ontwikkeling binnen bestaand bebouwd gebied.

2.3 Regionaal beleid
2.3.1 Regiovisie 2008 - 2028: 'Het oog van Midden-Limburg'

In de 'regiovisie “Het oog van Midden-Limburg”' is de gebiedsvisie uitgewerkt in een achttal beleidsthema's. Dit zijn: Toerisme en Recreatie, Maasplassen, Natuurontwikkeling, Landschap en Ecologie, Landbouw, Bedrijvigheid, Wonen, Zorg en Mobiliteit. Vervolgens zijn deze thema's in het najaar van 2008 verdiept en verder uitgewerkt in de programmalijnen: Maasplassen, Ontwikkelingsas N280 Weert-Roermond, Wonen, Natuur en Recreatie.

Over de gemeente Leudal is het volgende opgenomen: “De gemeente Leudal vormt het hart van Midden-Limburg. Het bestaat uit zestien dorpen en een groot buitengebied dat wordt geroemd om z'n ruimte, kwaliteit en woonklimaat. Heythuysen vormt een subregionale kern met een sterke centrumfunctie voor een groot verzorgingsgebied. Het is van belang dat deze centrumfunctie wordt versterkt en het voorzieningenniveau op peil blijft. Daarnaast heeft Leudal diverse dorpskernen waar de voorzieningen onder druk staan. Een actief kleine kernenbeleid is noodzakelijk waarin aandacht gegeven wordt aan de leefbaarheid en een adequate woningvoorraad".

De centrale ligging van Leudal maakt dat het profiteert van bijna alle ontwikkelingen die worden voorgesteld in deze regiovisie. Gelegen aan de Maasplassen liggen er volop kansen om recreatieve en toeristische activiteiten te ontwikkelen en deze te verbinden met het natuurgebied Leudal en het te ontwikkelen regiopark.”

Het onderhavige project voorziet in herstel van cultuurhistorische waarden en het creëren van horeca in en nabij monumentale gebouwen en draagt daarmee bij aan creëren van kansen voor recreatieve en toeristische activiteiten.

2.3.2 Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg

Op 18 december 2014 is in Midden-Limburg de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving regionaal vastgesteld. De regio Midden-Limburg bestaat uit de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert.

De Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving is de basis voor het geven van sturing aan en voeren van regie over het in de regio te voeren beleid op het vlak van wonen, zorg en woonomgeving. De Structuurvisie is een antwoord op de vraag hoe om te gaan met de actuele en te verwachten demografische en economische ontwikkelingen.

De Structuurvisie bestrijkt een planperiode van 2014 tot en met 2017 en bevat daarnaast een basis voor afspraken op de middellange termijn (2018 tot en met 2023).

Met de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving geeft de regio Midden-Limburg vorm en inhoud aan het POL2014 (Provinciaal Omgevingsplan Limburg). Het POL 2014 stuurt in essentie op een aanpak in dynamische voorraadbeheer in regionale samenwerking.

De Structuurvisie biedt een toetsings- en afwegingskader voor het invullen van de resterende opgave met nieuwbouw en transformatie. De afzonderlijke gemeenten worden in staat gesteld de meest passende onderdelen uit het beschikbaar instrumentarium in te zetten om daadwerkelijk sturing te geven.

De visie bevat een kwantitatief afwegingskader per gemeente en de afspraak dat de gemeenten dit kader hanteren voor de periode 2014 tot en met 2023. Voor Leudal is het volgende kwantitatieve afwegingskader opgenomen:

Gemeente   Huishoudens per 01-01-2014   Groei absoluut (4,2%)
2014 t/m 2023  
Groei in periode 2014 t/m 2017   Opmerking  
Leudal   15.280   640   260   = maximale toevoeging  

Om meer kwalitatieve sturing te geven aan enerzijds nieuw- en verbouwplannen en anderzijds transformatie van de bestaande woningvoorraad, is per gemeente een zogenaamde kwaliteitsenvelop opgesteld. In de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal zijn per kern 'richtcijfers' voor nieuwbouw opgenomen (zie tabel hieronder). Deze aantallen worden jaarlijks geactualiseerd en gecorrigeerd voor de realisaties.

In de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal is voor de kern Neer een kwantitatief richtcijfer voor de periode 2014-2017 opgenomen van 24 woningen met het accent op huur of koop, geschikt voor senioren en huur of koop eengezinswoningen. Het onderhavig bestemmingsplan voegt netto vier woningen toe aan de woningvoorraad van Neer. De woningen zijn geschikt voor huisvesting van gezinnen en van senioren. Dit voornemen past binnen de kaders van de Regionale Structuurvisie Wonen, Zorg en Leefomgeving.

Dit betekent overigens niet per definitie dat er geen enkele ruimte is voor nieuwe plannen, maar wel dat deze ruimte uiterst beperkt is en in ieder geval zal moeten passen binnen de kwalitatieve woning(bouw)opgave. Een van de aspecten die daarbij worden meegewogen is de wens bestaande bebouwing te benutten en cultuurhistorische waarden (monumenten) te behouden. Wanneer het dus voor de instandhouding van een monument nodig is een invulling te zoeken in de vorm van de toevoeging van woningen, is dit onder voorwaarden mogelijk.

Door de monumentencommissie is positief geadviseerd over de toevoeging van enkele woningen/ appartementen in het belang van de instandhouding van het monument. Binnen het monumentale deel is ruimte voor 3 appartementen. Dit betekent per saldo een toename van twee woningen in beleidsmatige zin. Om het monumentale gebouw in stand te kunnen houden is echter ook noodzakelijk dat aanvullend financiële middelen beschikbaar komen. Om die reden is herbouw van de oude schuur noodzakelijk. Dit pand heeft zelf geen monumentale status maar de bouw van dit gebouw en realisering van twee woningen hierin, welke bestemd zijn voor de verhuur, draagt wel bij aan de financiële haalbaarheid van het herstel van het rijksmonument. In totaliteit is er derhalve sprake van een toename met 4 woningen. Voor wat betreft het toevoegen van woningen aan de totale woningcapaciteit heeft het college echter in aanmerking genomen dat bij een ander project van dezelfde initiatiefnemers (woningbouwplan Hoogstraat Neer), vier woningen minder zullen worden gerealiseerd dan volgens het geldende bestemmingsplan toegestaan. Middels een overeenkomst is vastgelegd dat deze vier woningen binnen dat project niet in een later stadium alsnog kunnen worden gebouwd. Per saldo neemt de totale plancapaciteit voor de kern Neer daardoor dan ook niet toe.

2.4 Gemeentelijk beleid
2.4.1 Strategische Overallvisie 2020 - 'Leven in Leudal'

In de Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkeling in de komende jaren.

De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de (nieuwe) gemeente en samenwerking in de regio.

De Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en dient de komende jaren het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten.

Ten aanzien van vrije tijd wil de gemeente werken aan de ontwikkeling en versterking van kleinschalige vormen van toerisme & recreatie. Leudal kan en wil met de aanwezige natuur (beekdalen, bos, het Leudal), de rijke cultuur (evenementen, verenigingsleven) en historie (kastelen, molens, landschappen) inspelen op actuele trends (behoefte aan natuur, beleving, afwisseling). Doelgroepen daarbij zijn bezoekers van buiten de eigen gemeente (uit de regio en van verder) en de eigen inwoners. Initiatieven uit de markt die passen binnen de strategische visie, zal de gemeente faciliteren of in publiek-private samenwerkingsverbanden gezamenlijk oppakken. Naast kleinschalige ontwikkelingen worden ook (private) investeringen voorzien in een of twee hotels en in de mogelijk uitbreiding van (dag)recreatie rond de Leistert.

De ontwikkeling van de molenwoning met horeca en maatschappelijke voorzieningen draagt bij aan de doelstellingen in de strategische visie op het gebied van toerisme en recreatie.

2.4.2 Structuurvisie Leudal - Regie op de toekomst

Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.

De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen?

In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeentelijke plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0006.png"  
Afbeelding 6. Structuurvisiekaart 'Structuurvisie Leudal, met aanduiding van het plangebied (gele lijn).  

Leudal is niet alleen een woongemeente, maar ook zeker een agrarische gemeente. De agrarische achtergrond is ook in de kernen nog terug te vinden. Leudal bestaat uit 16 kernen in een fraai buitengebied. De 16 kernen zijn in drie verschillende typen onder te verdelen. De centrumkern is Heythuysen. In Heythuysen zijn de meeste voorzieningen gelegen. Daarnaast zijn een aantal autonome woonkernen aanwezig: Haelen, Horn, Roggel, Neer en Ittervoort. De overige kernen zijn woondorpen.

Voor de dorpen richt het beleid zich primair op het behouden, beschermen en versterken van de kernspecifieke kwaliteiten en eigenheden en gebruikskwaliteiten van de verschillende kernen, in hun setting van het omringend landelijk gebied en de daarbij behorende omgevingskwaliteiten.

De gemeente streeft naar het behoud en het versterken van haar ruimtelijke karakteristiek en daarmee van de omgevingskwaliteiten. Voor het beleid wordt onderscheid gemaakt in:

  • de ruimtelijke karakteristiek van de dorpen;
  • de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied;
  • de ruimtelijke karakteristiek van de bedrijventerreinen.

Alle dorpen hebben, historisch bepaald, een directe ruimtelijke en functionele relatie met het buitengebied van de gemeente Leudal. De dorpen kenmerken zich hierdoor als onderdeel van het landschap, niet als bebouwd gebied in het landschap. Dit samengaan van de agrarische functie en de ruimtelijke karakteristiek heeft de omgevingskwaliteit van de gemeente bepaald.

Het kleinschalig en divers karakter van de verschillende dorpen komt uit het oorspronkelijk gebruik (agrarisch) van het landschap en is nog steeds goed te herkennen maar is ook al op veel plaatsen door ontwikkelingen aangetast of geheel verdwenen. Ontwikkelingen moeten deze kwaliteiten niet (verder) aantasten.

Naast het behouden van de omgevingskwaliteiten zet de gemeente Leudal ook actief in op het versterken van de omgevingskwaliteiten in diverse gebieden. Voor de dorpen zijn de volgende doelstellingen vastgelegd:

  • verbetering van de overgang tussen dorpen en het buitengebied, onder andere in het project 'Mooi Buggenum';
  • ontwikkeling van de Maaszone, onder meer door te participeren in de gebiedsontwikkeling Mooie Maas;
  • in kaart brengen van de waardevolle bomen en houtopstanden in de dorpen terbescherming hiervan.

De gemeente Leudal zal plannen en initiatieven voor woningbouw en herstructurering / renovatie van de bestaande woningvoorraad beoordelen op de bijdrage aan de kwaliteiten van de woonbuurten en de kern, waar dat bouwplan gerealiseerd gaat worden. Daarnaast worden initiatieven en plannen beoordeeld op de bijdrage aan het vergroten en versterken van de woningvoorraad voor de kwetsbare doelgroepen. Flexibel en levensloopbestendig bouwen geniet hierbij de voorkeur aangezien op deze wijze (op termijn) meerdere doelgroepen kunnen worden bediend.

Als criteria hanteert de gemeente:

  • de bijdrage aan de gewenste diversiteit van de opbouw van de woningvoorraad in de dorpen;
  • de bijdrage aan de gewenste verhuisdynamiek (doorstroming) in de dorpen;
  • de bijdrage aan gewenste stimulering van belangrijke doelgroepen;
  • de bijdrage aan de ruimtelijke karakteristiek en omgevingskwaliteit van de dorpen;
  • de duurzaamheid van de ontwikkeling;
  • de verhouding bebouwing en openbare ruimte (recreatie, spelen, groene ruimte).

De gemeente wil recreatief-toeristische ontwikkelingen in de Maaszone concentreren. Vanaf de Maas wil de gemeente Leudal landinwaarts (tot aan de boszone van het natuurgebied Leudal) een zone ontwikkelen voor verblijfsrecreatie en fiets- en wandelrecreanten.

Met het onderhavige project wordt met name een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke karateristiek en omgevingskwaliteit van de kern Neer en wordt door het op termijn te realiseren groengebied op een verantwoorde wijze bijgedragen aan een goede verhouding tussen bebouwing en openbare ruimte. Tevens wordt hiermee het voorzieningenniveau voor recreanten in de Maaszone uitgebreid.

2.4.3 Nota Kwaliteit

Op 2 februari 2010 is de Structuurvisie Leudal met de daarin opgenomen Nota Kwaliteit vastgesteld door de gemeenteraad. De laatste actualisatie van de Nota Kwaliteit dateert van 3 september 2013. De Nota Kwaliteit bevat beleid over het kwaliteitsmenu en het groenfonds.

Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt na een planologische afweging of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie een kwaliteitsbijdrage in beeld. Deze is noodzakelijk om negatieve ruimtelijke effecten van het plan te compenseren. Het kwaliteitsmenu van de provincie (uitgewerkt in verschillende modules) geldt hierbij als een minimumvereiste.

Indien compensatie op basis van een van toepassing zijnde module nodig is, draagt de initiatiefnemer eerst zelf plannen aan ter verbetering van de kwaliteit in de (directe) omgeving van het plan. Uit de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is dat de initiatiefnemer zelf een kwaliteitsverbetering kan realiseren. In deze gevallen moet een bijdrage aan het groenfonds van de gemeente Leudal worden gedaan. Landschappelijke inpassing van de locatie van het initiatief vormt altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds. Landschappelijke inpassing betreft het aanbrengen van streekeigen en inheemse erfbeplanting zoals het aanbrengen van bomen, grote struiken en hagen op of rondom het erf van het initiatief. Dit past in de strategische visie van Leudal en de Structuurvisie Leudal die inzet op een versterking van de groene en ruimtelijke kwaliteiten in de gemeente.

Onder voorwaarden is het mogelijk een financiële bijdrage te krijgen van de gemeente Leudal. Het moet dan gaan om een - meer dan normale - kwaliteitsverbetering. Gelet op de ligging van de locatie past het initiatief binnen de kaders van het Groenfonds. Voorts is van belang dat het initiatief moet bijdragen aan het verbeteren van omgevingskwaliteiten, dit kan zijn het terugbrengen van landschappelijke waarden, maar kan zich ook richten op het versterken of terugbrengen van cultuurhistorische waarden of het bieden van relevante educatie.

Het initiatief beantwoordt deels aan deze criteria. Zo is er sprake van een landschappelijke kwaliteitsverbetering, met dien verstande dat de inrichting van het perceel dient aan te sluiten op de (historische) omgeving. Elementen die behoren tot reguliere tuin- of perceelinrichting komen niet voor een financiële bijdrage in aanmerking. Daarnaast is sprake van het terugbrengen van historische elementen (de gracht) en is er aandacht voor een bepaalde mate van educatieve voorzieningen.

Het plan voor landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering wordt nader toegelicht in par. 4.2.2.

2.4.4 Structuurvisie Buggenumse veld

Op 11 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Leudal de structuurvisie Buggenumse veld vastgesteld. Dit is een partiële herziening van de structuurvisie Leudal. De aanleiding voor deze partiële herziening was gelegen in de uitbreidingsplannen van zaadveredelingsbedrijf Nunhems aan de oostzijde van de Napoleonsweg. De structuurvisie is mede opgesteld om de kaders aan te geven voor de landschappelijke inpassing en kwaliteitsver beterende maatregelen als gevolg van de beoogde uitbreiding.

Het besluitgebied is gelegen aan de noordkant van het plangebied van de structuurvisie. In de structuurvisie zijn voor dit deel van het plangebied geen concrete inrichtingsmaatregelen vastgelegd. Wel is als uitgangspunt vastgelegd dat er tussen de beoogde bedrijfsuitbreiding en de zuidkant van de kern Neer sprake moet zijn van het versterken van de relatie Leudal - Maas.

De restauratie van de molenwoning en het bouwen van de schuurwoningen is niet van invloed op de relatie tussen Maas en natuurgebied Leudal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0007.png"  
Afbeelding 7. Uitsnede uit afbeelding 'Ruimtelijk concept: ‘menukaart à la carte’ uit de 'Notitie van Uitgangspunten Behorend bij het ruimtelijk concept “menukaart à la carte”, ten behoeve van het Kwalitatief Inpassings- en Compensatieplan Nunhems Netherlands BV'.  
2.4.5 Lokale uitvoeringsparagraaf Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg

Zoals in paragraaf 2.3.2 reeds is aangegeven heeft de gemeenteraad van Leudal op 11 november 2014 de regionale Structuurvisie Wonen, Zorg en Wonomgeving Midden-Limburg vastgesteld. Daarmee zijn de kaders vastgesteld en zijn burgemeester en wethouders gemandateerd om het beleid te implementeren en hieraan uitvoering te geven.

Voor de opgaven rondom de planvoorraad en de daaraan gerelateerde regionale afspraken is een plan van aanpak vastgesteld.

De belangrijkste ambitie van de gemeente is om de komende 10 jaar voldoende extra woningen te realiseren om in de aanvullende behoefte tot 2025/2027 te voorzien. De belangrijkste opgave uit de structuurvisie is het afstemmen van de planvoorraad op de lokale behoefte om ervoor te zorgen dat de juiste woningen op de juiste plaats worden gerealiseerd.

De implementatie van de lokale uitvoeringsparagraaf om sturing te geven aan de planvoorraad wordt in een aantal stappen verdeeld:

  • Stap 1: planvoorraad actualiseren
  • Stap 2: per kern ordenen met behulpt van afwegingskaders uit de structuurvisie
  • Stap 3: per kern een uitspraak doen over de gewenste strategie
  • Stap 4: inzet instrumentarium.

Het instrumentarium wordt onder andere ingezet om kansrijke planontwikkelingen te kunnen faciliteren. Nieuwe initiatieven zullen net als bestaande plannen worden getoetst aan de afwegingskaders uit de structuurvisie. Aan nieuwe initiatieven wordt uitsluitend medewerking verleend in combinatie met bindende afspraken over maximale bouwtermijnen. Bij het verlenen van principe medewerking wordt een termijn van 1 jaar gehanteerd. Nieuwe woningen worden zoveel mogelijk levensloopbestendig uitgevoerd. Verder dienen ze een aanvulling te zijn op de bestaande woningtypen in een kern (niet méér van hetzelfde).

Met de door de gemeenteraad gevraagde ruimte voor particuliere initiatieven binnen de woningbouwplanning is in het verleden rekening gehouden. Sinds 2013 wordt echter terughoudend omgegaan met neuwe initiatieven. Deze lijn wordt doorgezet. De toch enigszins beperkte aanvullende behoefte aan woningen die er nog is in de gemeente wordt weloverwogen ingezet op wenselijke, perspectiefrijke locaties in de diverse kernen. Dit kan nieuwbouw zijn of transformatie van bestaand (leegstaand) vastgoed. De keuze voor deze locaties volgt uit de afweging en strategie per kern.

Hoofdstuk 3 Randvoorwaarden / resultaten onderzoeken

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

 

3.2 Archeologie en cultuuristorie
3.2.1 Archeologie

Algemeen

Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken.

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:

  • de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;
  • er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Dit moet garanderen dat opgravingen volgens professionele kwaliteitsnormen worden uitgevoerd.

Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat in 2019 over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om:

  • het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;
  • de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;
  • de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;
  • de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.

Archeologische beleidskaart gemeente Leudal

Volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Leudal ligt het plangebied in de zone WA-4: AMK-terrein van hoge archeologische waarde. Het betreft de historische dorpskern van Neer. Door het zuidelijke deel van het plangebied loopt een onderzoeksmelding. Het betreft een tracé waar in het verleden een archeologisch onderzoek is uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0008.png"  
Afbeelding 8. Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Leudal  

Gezien de ligging binnen de historische kern, aangegeven als monument van hoge archeologische waarde (WA-4), geldt volgens de archeologische beleidskaart een onderzoeksplicht bij plangebieden vanaf 250 m2 en bij verstoringen vanaf 40 centimeter -mv. Het plan overschrijdt het maximale oppervlak van 250 m2 niet, terwijl de bodemingreep dieper dan 40 cm bedraagt. Desondanks dient volgens de gemeente een archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd.

Dit vooronderzoek wordt nodig gevonden omdat op de minuutkaarten (1811-1832) een groot gebouw zichtbaar is dat blijkbaar tijdens WOII is vernietigd, maar waarvan de fundamenten naar alle waarschijnlijkheid op dit moment wel nog aanwezig zijn. Een nieuw bouwplan op deze locatie zal altijd delen van de restanten van het gebouw 'raken'. Alleen als exact op de bestaande fundering wordt gebouwd (voor zover mogelijk) vindt er geen (nieuwe) verstoring plaats. Volgens informatie van de gemeente is de kwaliteit van deze fundering echter dusdanig van kwaliteit dat hergebruik als fundering geen optie is.

Voordat ter plaatse bodemingrepen gaan plaatsvinden, dient voldoende inzichtelijk te worden gemaakt wat er allemaal in de bodem aanwezig is, om zo beter te kunnen bepalen welke werk- en/of bouwwijze dient plaats te vinden. Uitgangspunt is nl. dat aanwezige waarden niet verstoord mogen worden. Is verstoring niet te vermijden, zal een alternatief moeten worden onderzocht. De waarden betreffen niet alleen de funderingen van het grote gebouw, maar het kan ook gaan om andere gebouwen of gebouwtjes, padenstructuren, putten, afvaldumps enz.. Pas als duidelijk is wat er waar in de bodem aanwezig is, zal ook zichtbaar worden of behoud in situ mogelijk is.

Vanwege de detailkennis van de locatie (zeer hoge verwachtingswaarde met zekerheid van aanwezige waarden) is het in casu niet meer relevant dat de ondergrens qua m2 niet wordt overschreden. Om die reden is de ondergrens bijgesteld naar 0 m². Bij alle diepteverstoringen dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor bouwen en/of voor werken/werkzaamheden. Kleinschalige verstoringen met een oppervlakte <25 m² kunnen worden begeleid door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg .Dit kunnen amateurarcheologen zijn. Voor grotere ingrepen dient het reguliere traject te worden gevolgd. Dit biedt de mogelijkheid voor de initiatiefnemer om het gebouw te bouwen op poeren.

De stelling dat sprake is van een hoge verwachtingswaarde wordt ondergeschreven in een rapportage van uitgevoerd archeologisch bureauonderzoek2:

De jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijf-plaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen die bij voorkeur in de buurt van open water lagen. Water was een belangrijke bron voor het lessen van de dorst. Bij water heerst ook een grotere biodiversiteit, die de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel makkelijker maakte.

Het plangebied ligt deels op een dalvlakteterras. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt in het beekdal van de Neerbeek. Het Maasterras waarop het plangebied ligt, werd tijdens het Late Dryas (vanaf 12.500 jaar geleden) verlaten. Direct ten noordwesten van het plangebied stroomt de Wijnbeek door de verlaten Maasgeul. De ligging op de rand van het Maasterras en in de directe nabijheid van een oude Maasgeul is een aantrekkelijke bewoningslocatie voor jager-verzamelaars. In de directe omgeving is een vondst bekend uit het paleolithicum. Op basis hiervan geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laatpaleolithicum tot en met het mesolithicum.

Resten kunnen bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, artefacten van vuursteen. Door het ontbreken van dekzand, bevinden de Maasafzettingen zich hier direct aan het oppervlak en zijn eventueel aanwezige vuursteenresten kwetsbaar voor bodemingrepen.

Vanaf het neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode stapt men geleidelijk over naar landbouw en veeteelt. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden.

De relatief hoge ligging van het plangebied direct bij het dal van de Maas en aan de Neerbeek (stromend in een oude Maasgeul) was een gunstige vestigingslocatie, al zal men de voorkeur hebben gegeven aan de hogere dekzandgronden die meer in noordwestelijke richting liggen. Toch zijn binnen hetzelfde terrasniveau meerdere vondsten bekend uit zowel het neolithicum en de ijzertijd. Ook zijn meerdere vondsten bekend uit de Romeinse periode, waaronder resten van een grafveld op 300 meter ten zuidoosten van het plangebied. Iets verder in zuidoostelijke rich-ting (op 500 meter ten opzichte van het besluitgebied) doorkruist het tracé van de Romeinse heerbaan de Neerbeek. Hier bevinden zich vermoedelijk de resten van een Romeinse villa, al kan een wachtpost niet uitgesloten worden (monumentnummer 11.196 en waarnemingsnummers 1426 en 406.423). Op basis hiervan geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd en een hoge verwachting voor nederzettings- en begravingsresten uit de Romeinse tijd. Ook voor de periode vroege middeleeuwen geldt een hoge verwachting.

Resten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen worden vanaf het maaiveld verwacht en bestaan uit een cultuurlaag, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aarde-werk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen.

Gezien de ligging van het centrale en zuidelijke deel van het plangebied in het beekdal van de Neerbeek geldt ter plaatse een verwachting voor off site vindplaatsen uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.

Beekdalgerelateerde archeologische resten kunnen bestaan uit bijvoorbeeld houten of stenen constructies, dumps (stortzones), rituele deposities, perceleringssystemen of gegraven waterlopen of stortzones.

Het besluitgebied ligt binnen het terrein behorend bij de Friedese molen. Deze molen kent een geschiedenis die teruggaat tot de 14e eeuw. Het plangebied maakt deel uit van het voormalig omgrachte terrein waarop het molenaarshuis stond. Deze woning stamt waarschijnlijk uit het jaar 1717, getuige de aanwezige muurankers. De aanwezigheid van de gebouwen wordt bevestigd door historisch kaartmateriaal vanaf de tweede helft van de 18e eeuw. Tot in de eerste helft van de 20e eeuw stond naast het molenaarshuis nog een schuur. Het is niet uitgesloten dat het molenaarshuis ouder is of een voorganger kent, mede gezien de laatmiddeleeuwse oorsprong van de Friedesse molen zelf. Ook kunnen binnen het oorspronkelijk omgrachte terrein resten van andere (laatmiddeleeuwse) bebouwing aanwezig zijn geweest.

Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor nederzettings- en bebouwingsresten uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Specifiek worden resten verwacht van de voormalige schuur. Resten worden vanaf het maaiveld verwacht.

Op basis van de middelhoge en hoge verwachtingen en gezien de exacte locaties van de verwachte restanten van zowel de voormalige (her te bouwen) schuur als de voormalige (en opnieuw te realiseren) omgrachting, wordt geadviseerd een archeologisch proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren op basis van een nog op te stellen en goed te keuren Programma van Eisen (PvE).


Conclusie archeologie:

Omdat het gebouw waarin de schuurwoningen worden gerealiseerd, wordt gebouwd op poeren is de kans op aantasting van archeologische waarden gering. In afwijking van de conclusies van het archeologisch onderzoek wordt derhalve afgezien van vervolgonderzoek. Ter voorkoming van onomkeerbare aantasting van waarden zullen de bouwwerkzaamheden worden begeleid door een amateurarcheoloog. Daarmee zijn de archeologische belangen afdoende beschermd.

3.2.2 Cultuurhistorie

Algemeen.

Volgens artikel 3.1.6, lid 5 van het 'Besluit ruimtelijke ordening (Bro)' dient de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Cultuurhistorische waarden.

Zowel de molen aan de Friedesemolen 2 als de molenwoning aan de Friedesemolen 1 zijn aangewezen als Rijksmonument (monumentnr. 30328).

De Friedesemolen is een korenmolen van het type onderslag watermolen. Beide gebouwen worden gedateerd omstreeks 1700. De muurankers op de gevel van de molen geven het jaar 1717 aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0009.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0010.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0011.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0012.png"  
Afbeelding 9. Foto's Friedesemolen. Bron: www.molendatabase.nl  

Het molengebouw is opgetrokken uit baksteen en heeft een pannen-wolfdak met in het voorste dakschild of wolfeind de luifel van het luiwerk om de zakken naar de zolder te hijsen. Het was vanouds een koren- en oliemolen, die door een onderslagrad werd aangedreven. Oorspronkelijk had de molen twee raderen; thans nog één. Het waterrad werd in 1891 vernieuwd.

Ten behoeve van het plan is een principe-advies uitgebracht door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De RCE vraagt bijzondere aandacht voor het volgende:

  • a. Er moet een cultuurhistorisch onderzoek worden uitgevoerd waarin de bouwgeschiedenis in kaart wordt kaart gebracht (hoe heeft het pand zich ontwikkeld). Er moet aandacht worden besteed aan de brandveiligheid, de isolatie en het comfort van de woningen;
  • b. De RCE geeft aan dat op basis van het bouwhistorisch onderzoek, er mogelijk ruimte ontstaat om knelpunten op te lossen. Ten aanzien van de leidingen geeft de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed aan dat er nog geen gedetailleerd plan hoeft te zijn, maar wel in een visie moet worden aangegeven hoe men hier mee om wil gaan.
  • c. Bij de renovatie is de technische staat van de onderdelen belangrijk. Er moet een balans zijn in wat wordt hersteld en wat wordt toegevoegd. Verder geeft zij aan dat de technische urgentie, zoals slechte kozijnen, een reden is voor herstel.

De nader uitgewerkte bouw- en restauratietekeningen en het bouwhistorisch onderzoek zullen, zodra deze stukken beschikbaar zijn, voor een definitief advies worden voorgelegd aan de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Vervolgens worden de bouwplannen indien nodig aangepast.

3.3 Duurzaamheid

Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:

  • gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers;
  • een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden;
  • duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling);
  • verantwoord watergebruik;
  • voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken.

Voor de verbouw van de molenwoning (voor zover mogelijk) en de bouw van de 'schuur'woningen zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.

3.4 Ecologie
3.4.1 Algemeen

Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In het kader van het plan is een beoordeling3 gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. Deze notitie is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

3.4.2 Wettelijke- en planologische gebiedsbescherming

Wettelijke gebiedsbescherming

De dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebieden, de Natura 2000-gebieden Leudal en Swalmdal liggen op ongeveer 1,4 en 1,5 kilometer afstand. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de aard van de ontwikkeling zijn significante effecten op voorhand uitgesloten. In de planvorming hoeft derhalve verder geen rekening gehouden te worden met de Natuurbeschermingswet.

Planologische gebiedsbescherming

Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk binnen de Bronsgroene natuurzone zoals ruimtelijk vastgelegd in het POL 2014. Het gedeelte dat zich in de Bronsgroene natuurzone bevindt (respectievelijk een wandelpad en opgaande begroeiing) blijft behouden. Landschappelijke en ecologische waarden binnen de Bronsgroene zone worden hierdoor niet aangetast. In de planvorming hoeft om die reden verder geen rekening gehouden te worden met planologische beschermde gebieden.

3.4.3 Flora- en faunawet

Voor wat betreft flora en fauna wordt in de rapportage het volgende geconcludeerd.

  • Diverse algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren van tabel 1 (huisspitsmuis, veld-muis, konijn, mol, ree etc.) kunnen van het plangebied gebruik maken. Voor de genoemde soorten van tabel 1 geldt een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt echter wel de algemene zorgplicht.
  • Uit het plangebied en/of omgeving zijn waarnemingen bekend van verschillende soorten vleer-muizen (tabel 3). De bebouwing zal worden verbouwd waardoor verstoring kan optreden van mogelijke rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Tevens wordt de begroeiing en mogelijk enkele bomen verwijderd. Hierdoor kan essentieel foerageergebied voor vleermuizen verloren gaan. Aanvullend onderzoek zal moeten uitwijzen of er rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de molenwoning en de Friedese molen en of vleermuizen gebruik maken van het plangebied als foerageergebied.
  • Binnen het plangebied zijn enkele broedende vogels te verwachten in de aanwezige bomen, begroeiing of op de bebouwing. Tijdens het veldbezoek zijn er echter geen nesten aangetroffen. Door werkzaamheden in de directe omgeving van de bomen, begroeiing en bebouwing kan wel verstoring van broedende vogels plaatsvinden. Door werkzaamheden buiten de broedperiode (als broedseizoen kan de periode tussen half maart en half juli globaal worden aangehouden) uit te voeren dan wel te starten, wordt de kans op negatieve effecten geminimaliseerd. Indien op een locatie geen bewoonde nesten, broedende of nestelende vogels aanwezig zijn, mogen ook tijdens het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd. Door voor aanvang van werkzaamheden te inspecteren op aanwezige bewoonde nesten, legsels of nestjongen en, indien deze aanwezig zijn, de werkzaamheden uit te stellen tot nadat de jongen zijn uitgevlogen, wordt de kans op negatieve effecten voor vogels sterk verminderd.
  • Met de planontwikkeling gaat mogelijk leefgebied verloren van huismus, gierzwaluw en enkele overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn er huismus-sen waargenomen. Het dak van de molenwoning biedt mogelijkheden voor nestlocaties voor huismus en/of gierzwaluw. Tevens leent het plangebied zich als leef- en foerageergebied voor genoemde soorten. Aanvullend onderzoek zal moeten uitwijzen op welke manier huismus en/of gierzwaluw van het plangebied gebruik maken.
  • Binnen het plangebied kan een zwervend exemplaar van een algemene amfibiesoort (tabel 1) niet worden uitgesloten. Voor soorten van tabel 1 geldt een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt hiervoor de algemene zorgplicht.
  • Binnen het plangebied zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vissen, reptielen, amfibieën en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dag-vlinders en libellen) te verwachten. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met inachtneming van de zorgplicht.
  • In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Er zijn mogelijk specifieke maatregelen nodig voor vaatplanten. Voor vaatplanten, grondgebonden zoogdieren en amfibieën zijn er geen specifieke maatregelen nodig.

Vanwege de mogelijke verstoring van eventuele rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen zal als voorwaarde aan de te verlenen vergunning worden toegevoegd dat het verboden is om bebouwing te slopen zolang uit nader onderzoek niet is gebleken dat er geen sprake is van een dergelijke verstoring, danwel nadat afdoende mitigerende maatregelen zijn getroffen. Hetzelfde geldt voor de verstoring van het leefgebied van de huismus.


3.5 Kabels en leidingen

In (of in de directe omgeving van) het besluitgebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de realisatie van het bouwplan belemmeren. Ten oosten van het besluitgebied is een hoogspanningsleiding gelegen. De vrijwaringszone van deze leiding is buiten het besluitgebied gelegen.

3.6 Milieu

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

3.6.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Daartoe is door Aeres Milieu BV een bodemonderzoek uitgevoerd4 . Dit betreft een historisch onderzoek (vooronderzoek conform NEN 5725) voor het gehele plangebied en een verkennend onderzoek (conform NEN 5740) voor de locatie van de schuurwoningen.

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond geen van de onderzochte componenten zijn gemetenverhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. De ondergrond is licht verontreinigd met nikkel. Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met barium en naftaleen.

De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek.

De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.

Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.

Conclusie bodem- en grondwaterkwaliteit.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem- en grondwaterkwaliteit geen belemmering vormt in het kader van onderhavig bestemmingsplan.

3.6.2 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrek-king hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb) en het 'Besluit transportroutes externe veiligheid' (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

(Beperkt) kwetsbare objecten

Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.

Risicovolle activiteiten

In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0013.png"  
Afbeelding 10. Uitsnede Risicokaart Nederland met aanduiding ligging plangebied (groene lijn)  

Inrichtingen

In de omgeving van het plangebied komen volgens de risicokaart geen objecten voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. De dichtst bijgelegen risicovolle inrichting is het bedrijf Alucol aan de Soerendonck 3 (opslag van gevaarlijke stoffen) op een afstand van circa 550 meter van het plangebied. Het bedrijf heeft een plaatsgebondne risicocontour van 25 meter en een invloedsgebied voor groepsrisico van 230 meter.


Buisleidingen

Op een afstand van circa 370 meter ten oosten van het plangebied zijn de volgende gastrans-portleidingen gelegen:

  • A-520-01 (66,2 bar)
  • Z-513-01 (40 bar)


De A-520-01 heeft een 1% letaliteitgrens van 170 meter en 100% letaliteitsgrens van 80 meter. Voor de Z-513-01 zijn deze 100 en 50 meter.

Het plangebied is daarmee gelegen buiten het invloedsgebied van deze leidingen.


Vervoer van gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dat gaat over die vervoerskant.

In de Regeling Basisnet (Stcrt 2014, 8242) zijn de basisnetafstanden voor de weg, het spoor en het water vastgelegd. Verder is afstand van het plasbrandaandachtgebied vastgelegd. De basisnetafstand geeft aan voor welke afstand een risicoplafond geldt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een PR-plafond en een GR-plafond.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0014.png"  
Afbeelding 11. Uitsnede Risicokaart Basisnet met aanduiding ligging plangebied (groene lijn)  

Een PR-plafond is in de Regeling Basisnet omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is. Het GR-plafond is in dezelfde regeling omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is.

De paragrafen 4 tot en met 7 van de Regeling Basisnet geven uitwerking aan het Bevt, dat betrekking heeft op ruimtelijke besluiten die voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze transportroutes zijn onder te verdelen in transportroutes die tot het basisnet behoren (de zogenaamde basisnetroutes) en transportroutes die niet tot het basisnet behoren (de zogenaamde transportroutes, niet zijnde basisnetroutes). Volgens de definitiebepalingen in artikel 1 van het Bevt wordt onder een basisnetroute verstaan: een krachtens artikel 13 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen weg, binnenwater of hoofdspoorweg. Die aanwijzing gebeurt in artikel 2 van de Revt. Onder een transportroute, niet zijnde een basisnetroute, wordt volgens artikel 1 van het Bevt verstaan: een weg, niet zijnde een basisnetroute, in beheer bij gemeente, provincie of waterschap, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Vervoer over de weg.

Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 570 meter van de provinciale weg N273. Volgens de Revt is dit geen basisnetroute.

Volgens de provinciale Risicokaart is dit echter wel een transportroute, niet zijnde een basisnet-route. Blijkens de risicokaart bedraagt de PR10-6 contour 0 meter. Het plangebied is derhalve niet gelegen binnen de PR10-6 contour van deze weg.

De dichtstbij gelegen basisnetroute is de A-73 op een afstand van meer dan 3,5 km van het plangebied.

Binnen 200 meter rondom de infrastructuur (weg, water, spoor) dient het bevoegd gezag bij ruimtelijke relevante besluiten een groepsrisico afweging te maken. Het plangebied is derhalve niet gelegen binnen het invloedsgebied van de N273 en/of van de A-73.

Vervoer per spoor.

Volgens de Risicokaart Basisnet vindt over de spoorlijn Roermond - Venlo vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De spoorlijn is gelegen op een afstand van ca. 3,6 km van het plangebied. Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt circa 1,7 km. Dit betekent dat deze spoorlijn geen invloed heeft op het plangebied.

Vervoer over water.

Blijkens de Risicokaart Basisnet vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Maas. Deze is gelegen op een afstand van circa 820 meter ten oosten van het plangebied.

De Maas is in het Basisnet Water gedefinieerd als hoofdroute en als een zwarte route - 'binnenvaartverbinding chemische clusters en achterlandverbindingen met toetsafstand'. Bij zwarte vaarwegen zijn risicocontouren vastgesteld die vrijwel overeen komen met de rand van de vaarweg. Deze gelden als risicolijn waar het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over die vaarweg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Tussen deze risicolijnen is bebouwing in beginsel niet toegestaan.

Daarnaast geldt er een plasbrandaandachtsgebied van 25 meter in de uiterwaarden. Binnen dit gebied moet worden afgewogen of er wel of niet gebouwd kan worden en of er wel of niet specifieke maatregelen noodzakelijk zijn. Een groepsrisicoverantwoording is alleen bij uitzonderlijk hoge bevolkingsdichtheden (>1.500 personen per hectare) noodzakelijk. Het plasbrandaandachtsgebied ligt tot in het besluitgebied aangezien deze grenst aan de Maas.

Voor veel locaties langs vaarwegen is het onwaarschijnlijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in de toekomst dusdanig zal groeien dat het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar daadwerkelijk de risicolijn zal bereiken. Daarnaast gaat dit bestemmingsplan niet uit van nieuwe ontwikkelingen binnen de ter plaatste geldende risicolijnen, waardoor er vanuit dit oogpunt geen knelpunten bestaan.

Conclusie externe veiligheid

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt in het kader van onderhavig bestemmingsplan.

3.6.3 Geluid

Wegverkeerslawaai

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is noodzakelijk indien nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen worden toegestaan binnen de onderzoekszone van de wegen waarvoor een maxi-mumsnelheid van 50 km-uur of meer geldt.

Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden.

In dit project is sprake van nieuwe rechtstreekse ontwikkelingen in de nabijheid van wegen met een maximum snelheid van 30 km/h. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen eisen gesteld aan de optredende gevelbelastingen. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk.

Railverkeerslawaai

Het besluitgebied is gelegen buiten de onderzoekszone van de meest nabij gelegen spoorlijnen Roermond - Venlo. Een onderzoek naar railverkeerslawaai is in het kader van dit bestem-mingsplan dan ook niet aan de orde.

Industrielawaai

Het besluitgebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. De geluidsuitstraling van de binnen het besluitgebied gelegen functies op nabijgelegen woningen geven eveneens geen aanleiding tot nader onderzoek (zie par. 3.6.6). Een akoestisch onderzoek in dit kader is derhalve verder niet aan de orde.

3.6.4 Geurhinder veehouderijen

De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De gemeente Leudal heeft geen geurverordening vastgesteld. Dit betekent dat de gemeente aanvragen in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening toetst aan de wettelijke normen uit de Wet geurhinder en veehouderijen. De normen voor de voorgrondbelasting geur zijn 3 OUe/m³ voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en 14 OUe/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

In de nabijheid van het plangebied zijn géén veehouderijen gelegen met een geurcontour of een vaste afstand die reikt tot over het plangebied.

3.6.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een plan leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.


Het Besluit NIBM

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoor-beeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemid-delde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Regeling NIBM

Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen en kantoren gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

  minimaal 1 ontsluitingsweg   minimaal 2 ontsluitingswegen  
  3%-norm   3%-norm  
Woningen (maximaal)   1500   3000  
Kantoren (maximaal)   100.000 m2 bvo   200.000 m2 bvo  


Onderhavig besluit kent de planologische mogelijkheid 4 extra woningen middels een directe bouwtitel te realiseren. Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.

Achtergrondwaarden

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de woningen. Volgens de kaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op de Atlas voor de Leefomgeving bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse in 2014 circa 13,68 µg/m³ en de concentratie PM10 circa 20,97 µg/m³. De concentratie NO2 ter plaatse bedraagt in 2014 circa 16,4 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 en PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de geplande woningen. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit.

Conclusie luchtkwaliteit

Onderhavig initiatief voorziet in een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de heersende luchtkwaliteit. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor de te vestigen functie. Het plan is dan ook niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteit.

3.6.6 Milieuzonering
3.6.6.1 Algemeen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Orde-ning en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.

De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie).

Volgens de genoemde VNG-brochure gelden voor cafe's en bars richtafstanden tot de gevels van woningen van minimaal 10 meter voor geluid en voor gevaar. Voor restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding en viskramen e.d. geldt eveneens een minimaal aan te houden richtafstand van 10 meter tot de gevels van woningen voor de factoren geur, geluid en gevaar.

3.6.6.2 Toets milieuzonering

De kortste afstand vanaf de perceelsgrens van Friedesemolen tot de dichtstbijzijnde woning Bergerstraat 12 is ruim 30 meter. Omdat gemeten is vanaf de perceelsgrens zijn álle voorzieningen, waaronder het beoogde terras bij de horecavoorziening (zie ook par. 4.2.1), gelegen op grotere afstand van de betreffende woning(en). Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale richtafstand van 10 meter. Daarmee is in beginsel sprake van een goede ruimtelijke ordening.

In de omgeving van het besluitgebied zijn verder geen bedrijven gelegen met een richtafstand die groter is dan de afstand van die bedrijven tot de te realiseren woningen.

3.6.6.3 Activiteitenbesluit

Horecabedrijven vallen ook onder het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Op basis hiervan dient een melding te worden gedaan aan het bevoegd gezag. Soms moet bij de melding een akoestisch onderzoek zitten. Soms kan het bevoegd gezag er om vragen. Bij de melding moet een akoestisch onderzoek zitten als het aannemelijk is dat binnen de inrichting het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door muziek in de representatieve bedrijfssituatie:

  • meer is dan 80 dB(A);
  • meer is dan 70 dB(A) als de inrichting in- of aanpandig ligt met een gevoelig gebouw

Ook moet er een akoestisch rapport bij de melding zitten wanneer er muziek in de buitenlucht zal zijn.

Na een melding zonder verplicht akoestisch onderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat toch een akoestisch onderzoek nodig is. Dit kan onder andere als het bevoegd gezag kan motiveren dat het bedrijf de geluidsnormen zal overschrijden.

De geluidsvoorschriften voor het horecabedrijf gelden voor de gehele inrichting, d.w.z. inclusief het terras. Bij het bepalen van het geluidsniveau wordt het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein buiten beschouwing gelaten, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein (artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a). Deze bepaling is in het Activiteitenbesluit opgenomen, omdat rigide toepassing van de geluidsnormen het in veel gevallen onmogelijk zou maken een terras in gebruik te hebben. De uitsluiting van stemgeluid afkomstig van een terras geldt uitsluitend voor situaties waarbij het terras aan de straat is gelegen. In die gevallen mag namelijk worden aangenomen dat het van het terras afkomstige geluid opgaat in het omgevingsgeluid. Indien een terras omsloten is door bebouwing, zal het omgevingsgeluid doorgaans veel lager zijn. Stemgeluid van het terras zal dan eerder leiden tot overlast. Bij de beoordeling van dergelijke situaties moet het stemgeluid dus wel meegenomen worden. Verwarmde of overdekte terrassen nodigen tot een gebruik in alle jaargetijden en ook hier moet het stemgeluid wel getoetst worden.

Een overschrijding van de hiervoor genoemde geluidsniveaus is niet waarschijnlijk. Het betreft een inrichting waarbinnen doorgaans (en ook in dit geval) alleen sprake is van achtergrondmuziek. De initiatiefnemers hebben aangegeven dat op het terras geen sprake zal zijn van mechanisch versterkte muziek. de vereiste melding Activiteitenbesluit is door de initiatiefnemers ingediend bij de gemeente en ook door de gemeente geaccepteerd. In het kader van die melding is volgens de gemeente voldoende aangetoond dat kan worden voldaan aan de genoemde maximale geluidsniveaus.

3.7 Verkeer en parkeren
3.7.1 Verkeer

Het besluitgebied is vanaf de Napoleonsweg via de kern Neer goed bereikbaar via de Bergerstraat. De toevoeging van 4 extra woningen en van kleinschalige horeca/recreatie leidt tot een zeer beperkte toename van verkeersbewegingen. Volgens de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (publicatie nr. 317) dient te worden uitgegaan van de volgende verkeersgeneratie als gevolg van dit plan:

  • 2 huurwoningen vrije sector: 2 x 7 - 7,8 = 14 - 15,6 verkeersbewegingen per etmaal;
  • 3 koopwoningentussen/hoek: 3 x 7 - 7,8 = 21 - 23,4 verkeersbewegingen per etmaal;
  • horeca: hiervoor bevat de CROW-publicatie geen kengetal. Er kan echter worden uitgegaan van een zelfde aantal verkeersbewegingen als bij het infocentrum, d.w.z. 15,4 - 17,7 per etmaal;
  • maatschappelijke voorzieningen/infocentrum: 15,4 - 17,7 verkeersbewegingen per etmaal (hier is uitgegaan van het kengetal voor een kantoor mét baliefunctie);
  • molen: 30,5 verkeersbewegingen per etmaal (hier is uitgegaan van het kengetal voor een botanische tuin, die qua publieksaantrekkende werking vergelijkbaar is met de molen).

Het vorenstaande zou een totale toename van verkeersbewegingen betekenen van 105 verkeersbewegingen per etmaal. Ervan uitgaande dat deze voornamelijk plaatsvinden tussen 8.00 uur 's morgens en 20.00 uur 's avonds komt dit neer op circa 10,5 verkeersbewegingen per uur. Dit is een te verwaarlozen toevoeging die door de bestaande wegenstructuur goed kan worden opgevangen.

Omdat de toegangsweg vanaf de Bergerstraat gedeeltelijk niet is verhard en de huidige grindbestrating mogelijk leidt tot geluidsoverlast, zullen de initiatiefnemers op dit deel van de toegangsweg ook een verharding realiseren.

De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt heeft dan ook geen negatieve invloed op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

3.7.2 Parkeren

In de Nota parkeernormen van de gemeente Leudal, vastgesteld door de raad op 31 mei 2016, wordt voor de in par. 3.7.1 genoemde functies uitgegaan van de volgende parkeerkencijfers:

  • 2 huurwoningen vrije sector: 2 x 2,4 = 4,8 parkeerplaatsen;
  • 3 koopwoningentussen/hoek: 3 x 2,4 = 7,2 parkeerplaatsen;
  • horeca: 8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo x 0,7 = 5,6 parkeerplaatsen;
  • maatschappelijke voorzieningen/infocentrum: 3,8 parkeerplaatsen (hier is uitgegaan van het kengetal voor een kantoor mét baliefunctie en een bvo <100 m²);
  • molen: 1,2 parkeerplaatsen per 100 m² bvo = 1,25 parkeerplaatsen (hier is uitgegaan van het kengetal voor een museum en een bvo van ca. 100 m²).

De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 22,6 parkeerplaatsen. In het inrichtingsplan is voorzien in realisering van 8 parkeerplaatsen voor de bewoners van de woningen en van 14 parkeerplaatsen langs de toegangsweg vanaf de Bergerstraat. Bovendien zijn er voor bezoekers reeds 7 parkeerplaatsen aanwezig langs Eiland. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. Van belang is tevens dat er sprake is van een gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen. Bezoekers aan de molen zullen vaak ook de bezoekers aan de overige voorzieningen zijn en de ervaring is dat een groot aantal bezoekers per fiets komt. Feitelijk zou als gevolg daarvan een lagere parkeercapaciteit ook voldoende zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0015.png"  
Afbeelding 12. uitsnede inrichtings- en inpassingsplan met situering parkeerplaatsen  

De ontwikkelingen die dit besluit mogelijk maakt hebben dan ook geen negatieve invloed op de parkeerbalans.

3.8 Water
3.8.1 Algemeen

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

3.8.2 Waterrelevant beleid

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2010-2015 van het waterschap Peel en Maasvallei, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.

POL 2014

Het provinciaal waterbeleid is vastgelegd in POL2014 en is nader geconcretiseerd in het op 11 december 2015 vastgesteld Provinciaal Waterplan 2016-2021.

In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld:

  • Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen.
  • De Provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen.
  • De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma.
  • Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving.
  • Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater.

Beekdalen zijn belangrijk zowel voor het vasthouden en bergen van wateroverschot als voor het bereiken van de ecologische doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Ze fungeren als ecologische verbinding tussen natuurkernen en vormen het landschappelijk raamwerk. Ze zijn daarmee belangrijk voor de toeristische en recreatieve aantrekkelijkheid van Limburg.

Beekdalen zijn lager gelegen gebieden (beekdal- en droogdalbodems, bron- en kwelgebieden en laagten) waar het neerslagoverschot en vaak ook het uittredende grondwater (kwelzones en bronnen) via beken wordt afgevoerd. De beekdalen zijn onderdeel van de Bronsgroene landschapszone, voor zover geen onderdeel van Goudgroene of Zilvergroene natuurzone. In de provinciale omgevingsverordening is de functie strategische waterberging voor de beekdalen aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0016.png"  
Afbeelding 13. Uitsnede kaart regionaal watersysteem POL 2014  

Aan de natuurbeken inclusief hun natuurzones (herinrichtings- en meanderzones) is de natuurfunctie toegekend en deze maken deel uit van het natuurnetwerk. Ze zijn mede vanwege de eisen van de Kaderrichtlijn Water grotendeels gelegen binnen de Goudgroene, Zilvergroene en Bronsgroene natuurzones.

De (grond)waterafhankelijke natuurgebieden, zoals vennen, hoogvenen, moerassen, bronnen en kwelgebieden vormen onderdeel van de Goudgroene en Zilvergroene natuur. Hiervoor geldt het beschermingsregime vanuit het natuurbeleid. Voor ondiepe grondwateronttrekkingen met mogelijke invloed op deze natuurgebieden is samen met de waterschappen een vergunningenkader ontwikkeld dat overgedragen wordt aan het waterschap.

In POL 2014 worden 48 natte natuurparels onderscheiden, die vanwege de aanwezige en potentiële natuurwaarden de hoogste prioriteit bij het hydrologisch herstel krijgen. Daarvan zijn er 21 tevens Natura2000-gebied, waarvoor specifieke doelstellingen gelden, die worden uitgewerkt in de beheerplannen Natura2000. Het hydrologisch herstel is erop gericht om een zo natuurlijk mogelijk grondwaterpeil te realiseren met een (grond)waterkwaliteit die voldoet aan de eisen die de natuur stelt. Daarvoor zijn er rond 42 natte natuurparels hydrologische bufferzones aangewezen, waarvoor regelgeving in de waterschapskeur is opgenomen ten aanzien van industriële grondwateronttrekkingen in de provinciale verordening en ten aanzien van beregening in de vorm van een 'stand-still'-beginsel.

Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens POL 2014 belangrijke uitgangspunten.

De Provincie stelt de ambitie en de normen voor de regionale watersystemen vast. Doel is om de wateroverlast en de watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering.

In de toekomst gaan in het regionale watersysteem vaker en langer droogteperiodes ontstaan, met gevolgen voor het ruimtegebruik, als daar niet tijdig op wordt ingespeeld door maatregelen te treffen. Daarbij worden zoveel mogelijk kansen benut om combinaties te maken met doelen op het gebied van economie, ecologie, waterkwaliteit, natuur, landschap en recreatie, teneinde een maximale maatschappelijke winst te behalen.

De huidige ecologische en fysisch-chemische toestand van onze (natuur)beken is over het algemeen matig tot ontoereikend, terwijl de opgave is om tot een goede toestand te komen (zie verder het Provinciaal Waterplan 2010-2015). De kwaliteit van ongeveer 30% van de natte natuurparels voldoet aan de gestelde eisen.

Schoon oppervlakte- en grondwater is van vitaal belang voor de drinkwatervoorziening, volksgezondheid, natuur, landbouw, recreatie, industrie en visserij en een belangrijke randvoorwaarde voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving.

In het Bestuursakkoord Water zijn afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van de doelmatigheid in de waterketen in de vormvan taakstellingen voor de partners. Daarbij zullen de sectoren inzetten op cultuurverandering, bundeling van kennis en capaciteit, professionalisering van operationele taken, innovatie, etc.

Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021

Op 11 december 2015 hebben provinciale staten van Limburg het provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 'Samen werken aan water' vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal Waterplan Limburg 2010-2015 en een uitwerking van het strategisch waterbeleid in POL2014, teneinde te voldoen aan de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water en aanvullende nationale kaders, waaronder het Nationaal Waterplan en het Deltaprogramma. Samen met het Nationale Waterplan 2016-2021 van het Rijk en het Waterbeheersplan Limburg 2016-2021 van de Limburgse waterschappen vormt het een onderdeel van het tweede Stroomgebiedbeheersplan Maas 2016-2021.

In het plan wordt ingegaan op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid:

  • Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei.

Dit gaat over hoogwaterbescherming langs de Maas, nu en in de toekomst als gevolg van de klimaatverandering, mede in het licht van het Nationaal Deltaprogramma en in relatie tot behoud en ontwikkeling van de woon- en werkomgeving.

  • Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem.

Hierin staat de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort in landelijk en stedelijk gebied centraal, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationaal Deltaprogramma.

  • Behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit.

Dit onderdeel handelt over de verbetering van het ecologische functioneren van onze beken en plassen (ecologische doelen van oppervlaktewateren, beek(dal)herstel) en natte natuurterreinen (herstel van verdroogde grondwaterafhankelijke natuur), als ook de verbetering van de fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater, deels vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water en Natura 2000.

  • Duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer.

Centraal in dit hoofdstuk staat de bescherming van hoeveelheid en kwaliteit van onze grondwatervoorraden ten behoeve van diverse functies, met speciale aandacht voor het gebruik voor menselijke consumptie, waaronder de voorraden en bescherming daarvan voor de openbare drinkwatervoorziening, e.e.a. eveneens mede als opdracht vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.

Waterbeheerplan waterschappen

De Algemene Besturen van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas hebben op 14 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 'Water in beweging' vastgesteld.

Dit plan is, vooruitlopend op de fusie van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen.

Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe de waterschappen invulling willen geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het plan is vastgelegd hoe het watersysteem en waterkeringen op orde wordt gebracht en gehouden. Beschreven wordt voor welke thema's de waterschappen aan de lat staan, de strategie hiervoor, welke maatregelen worden uitgevoerd, wie partners daarin zijn en hoe dit wordt gemonitord om waar nodig bij te sturen. Ook staat hierin welke bijdrage het waterschap levert aan de Europese Kaderrichtlijn Water.

In een intensief gebruikt land, zoals Limburg dat is, is verweving van waterfuncties onvermijdbaar. In het waterbeheer willen de waterschappen een goede balans vinden voor alle aanwezige belangen, bijvoorbeeld voor de combinatie van landbouw en natuur bij natuurbeken. Er worden, aanvullend aan de provinciale functietoekenning, functies toegekende aan beken, vennen en plassen en vastgelegd wordt wat dit betekent voor het gebruik van het water en aanliggende gronden. Op basis van die functies wordt het waterbeheer verder ingericht. Bij de inrichting van wateren is het voorkomen van wateroverlast ('droge voeten') leidend.

Het waterschap deelt de verantwoordelijkheid voor functietoekenning en taakafbakening met de Provincie Limburg en gemeenten. De provincie is medeverantwoordelijk voor de functietoekenning. Provincie en gemeenten zijn medeverantwoordelijk voor de taakafbakening.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0017.png"  
Afbeelding 14. Figuur watersysteem, waterketen en samenwerking. Bron: Waterbeheerplan 2016-2021 waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas  

Keur Waterschap Peel en Maasvallei

Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Peel en Maasvallei van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Concreet voor dit besluitgebied geldt dat het in de omgeving aanwezige oppervlaktewater op voldoende afstand is gelegen en hierop geen invloed op wordt uitgeoefend.

3.8.3 Kenmerken van het watersysteem

De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het besluitgebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn.

Oppervlaktewater

In het besluitgebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Direct ten zuiden van het besluitgebied is de primaire watergang 'Neerbeek' en de 'Bypass Neerbeek' gelegen, met de daarbij behorende kernzone, onderhoudspad en profiel van vrije ruimte. Met de bouwplannen wordt geen invloed uitgeoefend op het functioneren van deze waterloop.


afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0018.png"  
Afbeelding 15. Uitsnede Legger Waterschap Peel en Maasvallei  

Hemel- en afvalwater

Uitgangspunt Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen

Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en/ of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de bestaande landbouwkundige afvoernorm niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving.

Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad, of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van de ontwikkeling, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand.

Hemelwaterafvoer/ hemelwaterberging

Voor het bepalen van de noodzakelijke compenserende waterberging is het van belang om te weten wat de toename van de verhardingen zal zijn. In de nieuwe situatie is sprake van een toename van ca 285 m2 verharding van gebouwen en overige verharding (oppervlakte schuurwoningen is 185 m²; oppervlakte terassen bij de schuurwoningen is 100 m²). Daarnaast wordt een deel van de verharding gerealiseerd als halfverharding. Dit betreft de visuele gracht (750 m² maaskeien), de parkeerplaatsen (300 m² graskeien) en de toegangsweg (350 m² grindbestrating). de halfverharding is waterdoorlatend en hoeft dus niet te worden meegeteld bij het bepalen van de oppervlakte bebouwing en verharding die bepalend zijn voor de benodigde opvangcapaciteit voor hemelwater.

Door met de norm T=10 te rekenen (bui van 50 mm per dag) geeft dit 14,25 m3 regenwater (285 * 0,05). Binnen het plangebied zijn er -met name door toepassing van halfverharding- ruime mogelijkheden om deze beperkte hoeveelheid hemelwater te kunnen infiltreren.

3.8.4 Watertoets

Ten behoeve van dit plan is -aanvullend op de voorgaande paragrafen- een watertoets uitgevoerd door Aeres Milieu5 . Aanvullend op het vorenstaande wordt daarin geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor realisering van het plan en dat er voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd om het hemelwater als gevolg van de toename van bebou-wing en verharding te kunnen opvangen.

Verder wordt in het rapport nog een aantal aandachtspunten vermeld die betrekking hebben op het gebruik van duurzame bouwmaterialen, het voorkomen van dichtslibben van het afwateringssysteem en het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

De rapportage watertoets is als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

3.8.5 Overleg waterbeheerder

Het plangebied is niet gelegen in een speciaal aandachtsgebied. Aangezien de oppervlakte van bebouwing en verharding niet meer bedraagt dan 2.000 m2 hoeft het plan niet te worden voorgelegd aan het waterschap.

Hoofdstuk 4 Beschrijving plan

4.1 Gebiedsbeschrijving
4.1.1 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Neer is een kern in Midden-Limburg. Het maakt sinds 1 januari 2007 deel uit van de gemeente Leudal. Sinds 1991 behoorde Neer tot de gemeente Roggel en Neer. Deze voormalige gemeente maakt thans ook deel van Leudal. Tot 1991 was Neer een zelfstandige gemeente.

De molen, de molenwoning en de voormalige en inmiddels gesloopte schuur komen al voor op topgrafische kaarten van vóór 1900. Tussen de Bergerstraat en de Neerbeek en ten noorden van de Bergerstraat komen enkele verspreid gelegen woningen en bedrijfsgebouwen voor.

In afbeelding 16 is naast de genoemde bebouwing ook de voormalige slotgracht rondom de molenwoning en de schuur zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0019.png"  
Afbeelding 17. Situatie rond 1777  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0020.png"  
Afbeelding 18. Topografische kaart 1900  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0021.png"  
Afbeelding 19. Luchtfoto huidige situatie  
4.1.2 Ruimtelijke structuur

De locatie aan de Friedesemolen ligt aan de zuidkant binnen de kern Neer, direct ten noorden van de Neerbeek. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Neerbeek, is agrarisch gebied gelegen met daarbinnen verspreid gelegen burgerwoningen en enkele agrarische bedrijven.

De weg Friedesemolen sluit aan de noordkant aan op de Bergerstraat, die in westelijke richting de verbinding vormt met het centrum van de kern Neer en op iets grotere afstand met de Napoleonsweg (N273). In oostelijke richting vormt de Bergerstraat de verbinding naar de wijk Hanssum en via de Vilgert en de Schoor de verbinding richting Kessel-Eik in de gemeente Peel en Maas.

De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als een woongebied, voor zover gelegen ten noorden van de Neerbeek. Het gebied ten zuiden van de Neerbeek is een agrarisch gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0022.png"  
Afbeelding 20. Gevelaanzichten bestaande situatie molenwoning  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0023.png"  
Afbeelding 21. Historische foto molenwoning  
4.1.3 Functionele structuur

Binnen het besluitgebied is op dit moment de Friedessemolen en de daarbij behorende molenwoning gelegen. Het gehele plangebied is bestemd tot 'Wonen'. De molen zelf is ook als zodanig in gebruik en wordt aangedreven door waterkracht. Hier wordt op de ouderwetse manier graan gemalen De molen is op gezette tijden in bedrijf van mei tot oktober. Dan wordt tarwe of maïs gemalen.

In de molenwoning is op dit moment één woning toegestaan.

De grond waar de 'schuur'woningen zijn gepland, is gelegen buiten het bouwvlak .

4.2 Beschrijving plan
4.2.1 Bouw-/inrichtingsplan

De plannen bestaan concreet uit de volgende ontwikkelingen:

  • a. Verbouw van de molenwoning:
    • 1. Op de begane grond een of meer van de volgende functies: kleinschalige-, lichte horeca van categorie 1a6 in de vorm van een koffie-/theehuis of een daarmee vergelijkbare voorziening, infocentrum, algemene ruimte, vergaderruimte, recreatieruimte, expositieruimte, atelier en één huurappartement, toegang naar en berging bij bovenwoningen;
    • 2. Twee huurappartementen op de verdieping;
  • b. Herbouw schuur met woonbestemming voor twee woningen;
  • c. Fietsenstalling in de directe nabijheid van de molen;
  • d. Realisering parkeergelegenheid voor bewoners en bezoekers.
  • e. Herinrichting van de gronden rond de molenwoning en te realiseren schuurwoningen.

Aanvankelijk maakten de realisering van picknickplaatsen op de weide ten westen van de toegangsweg, de realisering van een turbine voor energie-opwekking bij de molen en de mogelijkheid tot realisering van een recreatiewoning, ook deel uit van de plannen. Deze onderdelen van het oorspronkelijke plan zijn inmiddels geschrapt.

Behoudens de hiervoor benoemde onderdelen waarop het project afwijkt van het geldende bestemmingsplan, blijven de verbeelding en de regels van het geldende bestemmingsplan 'Kern Neer' onverkort van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0024.png"  
Afbeelding 22. Impressie voorzijde molenwoning en schuurwoningen  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0025.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0026.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0027.png"  
Afbeelding 23. Plattegronden molenwoning: begane grond (boven), 1e verdieping (midden) en 2e verdieping (onder)  

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen is een bouwtekening gevoegd, waarop de beoogde inrichting van de molenwoning is weergegeven (zie afbeelding 23). Met uitzondering van de woonruimte is de verdeling van de diverse functies op de begane grond in die tekening indicatief weergegeven. De begane grond van het gebouw kan derhalve worden gebruikt voor de in de inleiding van deze paragraaf onder a. sub 1. genoemde functies. Deze functies zijn onderling uitwisselbaar, met dien verstande dat ter plaatse van de in afbeelding 24. opgenomen aanduiding 'Huurappartement' uitsluitend een woonruimte is toegestaan. De overige functies zullen uitsluitend worden gerealiseerd in de ruimtes die in afbeelding 24 zijn aangeduid met 'Diverse functies 1' en 'Diverse functies 2'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0028.png"  
Afbeelding 24. Verdeling functies begane grond molenwoning  

Als onderdeel van de horecafunctie in de molenwoning en bij de molen zal ook een terras worden gerealiseerd. Het terras wordt zodanig gesitueerd dat dit niet op kortere afstand tot de dichtstbij gelegen woning(en) komt te liggen dan het gebouw zelf. Hetterras zal worden gesitueerd op de locaties A en B zoals aangegeven in afbeelding 25.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0029.png"  
Afbeelding 25. Situering terrassen bij horecavoorziening molenwoning.  

Een impressie van de te bouwen schuurwoningen is weergegeven in de afbeeldingen 26 en 27.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0030.png"  
Afbeelding 26. Plattegrond inrichting schuurwoningen  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0031.png"  
Afbeelding 27. Impressie schuurwoningen  

4.2.2 Landschappelijke inpassing

Ter voldoening aan het bepaalde in de Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal is een landschapsinpassingsplan opgesteld7.

Doelstelling en uitgangspunten van het landschapsplan is om de locatie rond de Friedese Molen, het molenbiotoop en het Molenhuis een gehele kwaliteitsimpuls te geven. Vanuit de cultuurhistorische inrichting en het molenbiotoop is de inrichting van het openbare gebied met een juiste ontsluiting, parkeerplaatsen auto's en fietsen erg van belang om hier een rustieke plek van te maken, die de historie nog ademt. Dit dan wel in de huidige tijd.

Bestaand kwaliteitsgroen vormt het uitgangspunt en de historische analyse geeft input, zodat de landschappelijke kwaliteitsimpuls tevens het visitekaartje vormt voor deze unieke plek.

De landschappelijke visie Molenhuis en de Friedese Molen is er op gericht om het cultuurhistorische beeld in de huidige tijd terug te brengen. De Watermolen en molenbiotoop, samen met de molenwoning vormen de basis waar omheen het landschappelijke decor komt. De verbouw van de vroegere woning in drie appartementen met educatieruimte en koffieterras en de bouw van de schuur met hierin de 2 woningen zal de basis vormen van de cultuurhistorische parel samen met de Friedese Molenparel.

Bepalend zijn de zichtlijnen op gebouw, cultuurhistorische opbouw (gracht), de directe relatie met de Neerbeek en het creëren van een groene rustieke plek, waarbij "minder fraaie" aanzichten met groen worden verdoezeld.

Vandaar is het gebruik van gemengde hagen zeer essentieel, zodat parkeerplekken en zijkanten met een groene rand en scherm worden begeleid en afgeschermd. Door rond het molengebouw visueel de gracht te creëren als bestrating wordt deze historische omkadering gebouw herkenbaar. De hoogstamweide/grasveld is onderdeel van de gezamenlijke tuin van de 2 woningen in de nieuwe schuur. Aan de buitenrand worden ook de 6 verdekte parkeerplaatsen gecreëerd integraal opgenomen in de boomgaard. Daarnaast worden er 6 langsparkeerplekken gerealiseerd, wat hier achter het gebouw net past. Hiermee worden de auto's niet opvallend geparkeerd ten opzichte van de gebouwen/bezoekplekken.

De voorzijde heeft met zijn extensieve weitje, hagen en hoogstamweitje een rustiek beeld van een cultuurlandschap, dat de bebouwing begeleid. Hiermee is er ook een afscherming naar de buurerven gecreëerd en ontstaan er bij de nieuwe poel leuke plekken om te vertoeven. Hetzelfde geldt bij de molensteen, wat een picknickplek wordt en mensen hier genieten van de plek en van de fraaie aanzichten en uitzichten.

Door de parkeerplekken en fietsenstalling hier te situeren, worden deze verdekt opgesteld en hebben de mensen er wel zicht op, dat erg belangrijk gevonden wordt.

Vanuit ecologie vormt de Neerbeek de ecologische ader door het gebied. Door percelen aan de Neerbeek ecologisch waardevol in te richten en te beheren ontstaat er een mooie ecologische meerwaarde. De visie is dat de aanleg van de poel, samen met gemengde hagen aanplant fruit en het extensief perceel juist variatie oplevert en samen met een extensief beheer oever een ecologische meerwaarde biedt.

Qua water is het zo dat in de nieuwe situatie sprake is van een toename van ca 285 m2 verharding van gebouwen en overige verharding. Door met de norm T=10 te rekenen (bui van 50 mm per dag) geeft dit 14,25 m3 regenwater. Met name omdat de 'gracht' rondom de bebouwing wordt gerealiseerd als halfverharding hoeven hiervoor geen aparte voorzieningen te worden gerealiseerd.

Het landschapsinpassingsplan is als bijlage 5 bij deze toelichting raadpleegbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV17NeFriedesemole-VG01_0032.png"  
Afbeelding 28. Tekening aangepast landschapsinpassingsplan november 2016  

Het landschapsinpassingsplan zal zoveel mogelijk worden gerealiseerd. Dit is echter mede afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen hiervoor. Het deel van het plan dat voorziet in een groengebied ten westen van de toegangsweg vanaf de Bergerstraat zal om die reden voorlopig nog niet worden gerealiseerd. De beoogde parkeerplaatsen in dit deel van het besluitgebied worden middels de te verlenen omgevingsvergunning wél mogelijk gemaakt en ook daadwerkelijk gerealiseerd.

Mede in verband met het voorgaande is de tekening, behorende bij het landschapsplan recentelijk gewijzigd. Ten opzichte van het bijgevoegde landschapsplan is de verbindingsgracht naar de Neerbeek vervallen. Het zuidoostelijk gelegen deel van het besluitgebied behoudt de groene invulling, maar hier worden geen hoogstambomen gerealiseerd. De parkeerplaatsen langs de toegangsweg vanaf de Bergerstraat zijn in zuidelijke richting opgeschoven om daarmee zo veel mogelijk overlast voor aanwonenden van de Bergerstraat te voorkomen en het langsparkeren achter de schuurwoningen is vervangen door haaks parkeren. De aangepaste tekening is weergegeven in de afbeeldingen 12 en 28.

Aanvullend daarop is naar aanleiding van de ingediende zienswijze tegen de ontwerp omgevingsvergunning, besloten om de ingetekende fietsenstalling niet te situeren aan de noordzijde van de molenwoning nabij de nabijgelegen woning(en), maar om hiervoor ruimte te creëren in de directe nabijheid van de molen.

Hoofdstuk 5 Afweging belangen

In hoofdstuk 2 is aangegeven dat het project past binnen de beleidsuitgangspunten en regelgeving van rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 3 is aangegeven dat er vanuit sectorale wet- en regelgeving geen belemmeringen zijn voor realisering van de beoogde ontwikkeling.

Realisering van de plannen maakt het mogelijk een monumentaal gebouw in ere te herstellen. Daarmee kan dit gebouw worden behouden en krijgt de omgeving tevens een kwaliteitsimpuls door de inrichting van het besluitgebied overeenkomstig het landschapsplan. Door het gebruik voor kleinschalige horeca (categorie 1 in de vorm van een koffie-/theehuis of daarmee vergelijkbaar) word tevens invulling gegeven aan het streven van de gemeente om in de Maaszone voorzieningen te realiseren voor fiets- en wandelrecreanten.

Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling op het besluitgebied vanuit ruimtelijk oogpunt niet bezwaarlijk is.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Procedure

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan dient de uitgebreide procedure zoals beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd.

Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. Dit zijn onder andere:

  • Aanvraag, ontwerpbesluit en/ of het definitieve besluit moeten op grond van zowel de Wabo als het Besluit omgevingsrecht (Bor) in bepaalde specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties worden toegestuurd. Te denken valt aan het orgaan dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft, de Inspectie, een ander bestuursorgaan dan het aangewezen bevoegd gezag, etc.;
  • Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen rechtstreeks in beroep gaan bij de Rechtbank, mits aan de eisen van artikel 6:13 Awb is voldaan.
  • De beslistermijn van zes maanden begint te lopen op de dag ná de dag van ontvangst van een -ontvankelijke- aanvraag (art. 3.12 lid 7 Wabo).
  • De beslistermijn van zes maanden mag éénmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12 lid 8 Wabo).
  • Indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo wordt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant geplaatst. De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor jo. Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012).

6.2 Overleg

In artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht is artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing verklaard. Voor deze procedure dient dan ook vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is.

Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Gelet op de provinciale belangenstaat is vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk.