direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing Stationsplein 20 Haelen
Plan: Stationsplein 20 Haelen
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01

Ruimtelijke onderbouwing Stationsplein 20 Haelen

Hoofdstuk 1 Inleiding

Aan het Stationsplein 20 in Haelen is B.J. Events BV gevestigd. Dit bedrijf is voornemens een nieuwe loods op het betreffende terrein op te richten. Conform de vigerende beheersverordeningen ter plaatse is deze nieuwbouw niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0002.jpg"  
Topografische kaart van het besluitgebied en omgeving, met globale locatieaanduiding  

De gemeente Leudal heeft aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan het initiatief en de ontwikkeling mogelijk te willen maken middels het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de beheersverordening, onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Deze ruimtelijke onderbouwing, opgesteld door BRO, vestiging Tegelen, geeft een verantwoording van de nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het besluitgebied.


Vigerende beheersverordeningen

Voor het besluitgebied gelden momenteel twee beheersverordeningen.

Beheersverordening Kern Haelen

Op grond van de beheersverordening voor de kern Haelen, vastgesteld op 16 april 2013 en in werking getreden op 25 april 2013, geldt dat voor de planlocatie wordt terug verwezen naar het bestemmingsplan Eerste herziening Kern Haelen Nunhem. Op grond van dit bestemmingsplan is de locatie bestemd tot 'Open Ruimte IV (spoorwegdoeleinden)'. Op grond van artikel 24 van de betreffende planvoorschriften houdt dit in dat de grond bestemd is voor spoorwegdoeleinden. Meer specifiek zijn de gronden bestemd voor een functie ten behoeve van een overslagstation en opslag van spoorweggoederen.

De reeds bestaande loods op het aangrenzende terrein is hierin overigens bestemd als 'Bedrijven'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0003.jpg"  
Uitsnede beheersverordening Kern Haelen  

Beheersverordening Buitengebied

Op grond van de beheersverordening Buitengebied, vastgesteld op 25 juni 2013 en in werking getreden op 6 juli 2013, geldt dat voor de planlocatie wordt terug verwezen naar het bestemmingsplan 'Buitengebied' (van de voormalige gemeente Haelen). Op grond van dit bestemmingsplan is de locatie bestemd als 'Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden' en 'Railverkeer'.

Een in het verleden in gang gezette vrijstellingsprocedure ex artikel 19 lid 1 WRO is nooit afgerond. Vandaar dat voor de locatie geen passende bedrijfsbestemming geldt en dat derhalve het gebruik van de gronden en de nieuwbouw van een loods ten behoeve van een hoveniers- en evenementenbedrijf op basis van de vigerende beheersverordeningen niet is toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0004.jpg"  
Uitsnede beheersverordening Buitengebied  

Opbouw ruimtelijke onderbouwing

De voorliggende ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 worden het gebiedsprofiel en het besluitprofiel beschreven. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleidskader aan de orde. In hoofdstuk 4 komt de toetsing aan de milieu- en overige onderzoeksaspecten aan bod. Hoofdstuk 5 beschrijft de belangenafweging en in hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de te voeren procedure, het overleg en de planstukken.

Hoofdstuk 2 Gebiedsprofiel en besluitprofiel

2.1. Gebiedsprofiel

Het besluitgebied waarop de omgevingsvergunning en de voorliggende ruimtelijke onderbouwing van toepassing zijn, ligt aan de zuidwestkant van Haelen direct ten noorden van de spoorlijn Roermond-Weert. Het besluitgebied is gelegen op het bedrijfsperceel van B.J. Events aan het Stationsplein 20 in Haelen.

Het betreffende perceel is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Haelen en wordt in noordelijke, oostelijke en westelijke richting begrensd door agrarische percelen en tuinen behorende bij de woningen gelegen aan de Rinboomweg en Speikerhofweg. In zuidelijke richting wordt het perceel begrensd door de eerder genoemde spoorlijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0005.jpg"  
Luchtfoto besluitgebied en omgeving  

Op de aangrenzende gronden is momenteel al een bedrijfsloods aanwezig. Het besluitgebied zelf is in de huidige situatie onbebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0006.jpg"  
Bestaande loods  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0007.jpg"  
Locatie nieuwe loods  

2.2. Besluitprofiel

B.J. Events is een bedrijf met twee verschillende activiteiten. Enerzijds is het, conform de vigerende vergunning, een hoveniersbedrijf met opslag van snoeiafval, hout en grond binnen de inrichting. Anderzijds is het een bedrijf dat (podium)evenementen faciliteert met name op het gebied van houtsport.

De hovenierswerkzaamheden worden met name gedurende de periode oktober tot april uitgevoerd.
De overige activiteiten hebben betrekking op het faciliteren van evenementen. Deze evenementen vinden niet plaats op het betreffende bedrijfsterrein in Haelen, maar elders. B.J. Events levert voor deze evenementen onder andere podia, tenten, technische installaties, houtblokken etc.

Ten behoeve van beide activiteiten wordt door B.J. Events een 2e loods gerealiseerd nabij de reeds bestaande loods. Dit nieuwe bedrijfsgebouw bestaat uit één bouwlaag en wordt plat afgedekt. De loods heeft een breedte van 15 meter en een lengte van 30 meter en heeft daarmee een grondoppervlakte van 450 m². De goothoogte bedraagt 7,495 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 8 meter.

Volgens de commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet de loods worden voorzien van een plat dak, waarbij de hoogte minimaal een halve meter meer moet bedragen dan de goothoogte van de bestaande loods. Om optisch het aanblik van een plat dak te creëren, is de gevelbeplating doorgezet tot een hoogte van 8 meter.

De materialen en kleurstelling moet worden afgestemd op de zijkant van de bestaande loods (kantoorgedeelte). Door de antraciet vlakke beplating ontstaat een relatief rustig totaalbeeld. Hierdoor wordt voldaan aan de welstandscriteria.

De kortste afstand tussen de bestaande en nieuwe loods bedraagt 9 meter.


afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0008.jpg"  
3D-impressie bouwplan  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0009.jpg"  
Doorsnede  

De loods heeft twee toegangspoorten en zal voornamelijk worden gebruikt voor stalling van voertuigen en opslag van goederen en materiaal. Daarnaast worden boomstammen in de hal ontschorst met behulp van een ontschorsingsmachine. Deze boomstammen worden gebruikt in zaagwedstrijden (welke worden georganiseerd door B.J. Events). De ontschorsingswerkzaamheden vinden uitsluitend plaats in de dagperiode in de nieuw te bouwen loods.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0010.jpg"
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0011.jpg"  
Situatietekening  

2.3. Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

Met de realisatie van de geprojecteerde loods wordt een momenteel nog onbebouwd deel van het bedrijfsperceel bebouwd. Zowel wat betreft aard, omvang en materiaalkeuze past de nieuwe loods op het bestaande bedrijfsperceel. De situering is daarbij zodanig gekozen dat wordt aangesloten bij de reeds bestaande loods, maar ook een voldoende afstand wordt gerespecteerd tot omliggende woningen alsmede de spoorlijn.

De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft het plan getoetst aan de van toepassing zijnde criteria en de welstandsnota. Als gevolg van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is het bouwplan aangepast (tot het bouwplan zoals in paragraaf 2.2.is beschreven). Het initiatief heeft kortom geen nadelige ruimtelijke en/of stedenbouwkundige effecten op de omgeving.

Hoofdstuk 3 Planologische hoofdlijnen van beleid

3.1. Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is:

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder van duurzame verstedelijking is in 2012 opgenomen in het Bro.


In het Barro zijn opgenomen:

  • Het Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Militaire terreinen en -objecten;
  • De Wadden;
  • De kust (inclusief primaire kering);
  • De grote rivieren;
  • De Werelderfgoederen.


In de wijziging van het Barro dat op 1 oktober 2012 in werking is getreden, zijn de volgende onderwerpen toegevoegd:

  • Reserveringen uitbreidingen weg en spoor;
  • Veiligheid vaarwegen;
  • Het netwerk voor elektriciteitsvoorziening;
  • De buitendijkse uitbreidingsruimte in het IJsselmeer;
  • Bescherming van de (overige) primaire waterkeringen;
  • Reservering voor rivierverruiming Maas;
  • De Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het geding zijn. Inzake de reseveringen voor de uitbreiding van het spoor geldt dat voor het traject Roermond-Weert geen reserveringsgebieden zijn opgenomen.

De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen, zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte of het Barro.

3.2. Provinciaal beleid

Provinciaal Omgevngsplan Limburg 2006

Het provinciale beleid is vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), zoals dit in 2006 is vastgesteld en de jaren daarna diverse malen is geactualiseerd. De laatste actualisatie dateert van 2011.

Binnen het POL2006 is het besluitgebied deels gelegen binnen perspectief 6a 'Plattelandskern Noord- en Midden-Limburg', waarbinnen ruimte wordt geboden voor de opvang van de woningbehoefte van de eigen bevolking en voor de groei van lokaal en in een enkel geval ook regionaal georiënteerde bedrijvigheid.

Het westelijke deel van het besluitgebied is gelegen binnen perspectief 4 'Vitaal landelijk gebied'. De inrichting van deze gebieden wordt in belangrijke mate bepaald door de landbouw met een van gebied tot gebied verschillende aard en dichtheid aan omgevingskwaliteiten. Er zijn ook ontwikkelingsmogelijkheden voor de toeristische sector en (onder voorwaarden) voor kleinschalige vormen van bedrijvigheid, verbrede landbouw en kleinschalige dienstverlenende bedrijven. In dit gebied geldt de versterking van de landschappelijke kwaliteit als randvoorwaarde bij verdere kwaliteitsontwikkeling van landbouw, toerisme en recreatie. Belangrijkste doel hierbij is het behouden van de landschappelijke kwaliteit en identiteit ter plaatse.

Binnen perspectief 6a is het Limburgs Kwaliteitsmenu, onderdeel uitmakend van de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering, niet van toepassing. Binnen perspectief 4 is het Limburgs Kwaliteitsmenu wel van toepassing.


afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0012.jpg"  
Uitsnede perspectieven-kaart POL2006 (actualisatie 2011)  

Omdat sprake is van een reeds bestaande bedrijfslocatie langs het spoor waarbij binnen de genoemde perspectieven ruimte is voor kleinschalige bedrijvigheid, is de realisatie van een nieuwe loods bij een bestaand bedrijf passend binnen het provinciale perspectievenbeleid.

Limburgs Kwaliteitsmenu

Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld.

Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Onderhavig besluitgebied is deels gelegen buiten de contour om de kern Haelen.

Inmiddels is het Limburgs Kwaliteitsmenu overgedragen naar de gemeenten. De uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu voor de gemeente Leudal vindt plaats in de Nota Kwaliteit. In de nota wordt het beleid met betrekking tot het Kwaliteitsmenu weergegeven. Het bestaande 'rood voor groen'-beleid en groenfonds, van de gemeente Leudal, voor zowel het buitengebied als de kernen, is hierin verankerd.


afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0013.jpg"
 
Contour kern Haelen  

Nota Kwaliteit

Op 2 februari 2010 is de Structuurvisie Leudal (zie ook paragraaf 3.4) met de daarin opgenomen Nota Kwaliteit vastgesteld door de gemeenteraad. De laatste actualisatie van de Nota Kwaliteit dateert van 3 september 2013.

De Nota Kwaliteit bevat beleid over het kwaliteitsmenu en het groenfonds. Deze nota bevat een aanpassing van dit beleid met betrekking tot:

  • Verruiming van de criteria van het groenfonds. Hierdoor vallen meer projecten onder de reikwijdte van het groenfonds. Dit betreft bijvoorbeeld flora en fauna voorzieningen, zichtbaar maken van archeologie en cultuurhistorie, recreatieve voorzieningen bij bestaande natuurgebieden.
  • Aanpassing van de kwaliteitsbijdrage van solitaire bedrijfsuitbreidingen naar € 35,- per meter.
  • Tekstuele aanvullingen en verbeteringen

Daarnaast is de projectenlijst van het groenfonds aangevuld.

Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt een kwaliteitsbijdrage in beeld bij een planologische afweging of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie. De kwaliteitsbijdrage is daarbij noodzakelijk om negatieve ruimtelijke effecten van het plan te compenseren. Het kwaliteitsmenu van de provincie (uitgewerkt in verschillende modules) geldt hierbij als een minimum-vereiste.

Indien compensatie op basis van een van toepassing zijnde module nodig is, draagt de initiatiefnemer eerst zelf plannen aan ter verbetering van de kwaliteit in de (directe) omgeving van het plan. Uit de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is dat de initiatiefnemer zelf een kwaliteitsverbetering kan realiseren. In deze gevallen moet een bijdrage aan het groenfonds van de gemeente Leudal worden gedaan. Landschappelijke inpassing van de locatie van het initiatief vormt altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds. Landschappelijke inpassing betreft het aanbrengen van streekeigen en inheemse erfbeplanting zoals het aanbrengen van bomen, grote struiken en hagen op of rondom het erf van het initiatief. Dit past in de strategische visie van Leudal en de Structuurvisie Leudal die inzet op een versterking van de groene en ruimtelijke kwaliteiten in de gemeente.

Module uitbreiding solitaire bedrijven in het buitengebied
De module uit het kwaliteitsmenu die op onderhavige ontwikkeling van toepassing is, betreft de module 'Uitbreiding solitaire bedrijven in het buitengebied'. Voor solitaire bedrijven in het buitengebied, waarbij een uitbreiding kan worden toegestaan, geldt een drempelwaarde voor de kwaliteitsbijdrage van €35,- per m² nieuw bestemd bedrijfsterrein. Vanuit de Nota Kwaliteit geldt daarbij tevens een landschappelijke inpassing.

Initiatiefnemer is als gevolg van deze ontwikkeling een kwaliteitsverbetering verschuldigd welke is gebaseerd op de Nota Kwaliteit en is berekenend op basis van de volgende formule: "bouwperceel buiten de rode contour x €35,- per vierkante meter = kwaliteitsbijdrage" en bedraagt derhalve 258 m² x €35,- = €9.030,-. De initiatiefnemer kan vervolgens, ter hoogte van het hiervoor genoemde bedrag, een compensatieplan/ groenplan opstellen dat ziet op het compenseren van het verlies aan kwaliteit in het buitengebied door de bouw van de loods. Het compensatieplan behoeft goedkeuring van de gemeente, waarbij deze laatste wordt geadviseerd door de Regionale Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal.

Initiatiefnemer is verplicht de kwaliteitsbijdrage conform het hiervoor bedoelde compensatieplan te realiseren binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning en zowel kwalitatief als kwantitatief te onderhouden en in stand te houden op de wijze zoals omschreven in het compensatieplan.

3.3. Regionaal beleid

Regiovisie 2008 - 2028

Het regionale beleid is vastgelegd in de 'Regiovisie 2008 - 2028: Het oog van Midden-Limburg'. In deze regiovisie zijn geen beleidsuitgangspunten opgenomen die voor de bouw van de nieuwe loods op het bedrijfsperceel van B.J. Events direct van toepassing zijn.

3.4. Gemeentelijk beleid

Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal'

In de op 11 december 2007 door de gemeenteraad van Leudal vastgestelde Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. Voor wat betreft het thema 'werken' wordt gestreefd naar ruimte voor dynamiek en economische ontwikkeling, het op peil houden van het aantal arbeidsplaatsen in Leudal en een sterke positionering in de regio Midden-Limburg.


De bouw van een nieuwe loods op het bedrijfsperceel van B.J. Events is niet in strijd met de uitgangspunten uit de Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal'. De nieuwe loods draagt namelijk bij aan een versterking van de bedrijfspositie en zorgt voor nieuwe werkgelegenheid.


Structuurvisie Leudal - regie op de toekomst

Op 2 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Leudal de 'Structuurvisie Leudal - regie op de toekomst' vastgesteld. Met deze Structuurvsie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0014.jpg"  
Structuurvisiekaart 'Structuurvisie Leudal', met aanduiding van het besluitgebied (rode pijl)  


Op de kaart behorende bij de structuurvisie is het besluitgebied gelegen in het overgangsgebied tussen dorp en agrarisch gebied: moderne landbouwzone. De agrarische sector is van groot belang voor de gemeente Leudal. In een deel van de gemeente, gelegen in een schil van zuidwesten naar noorden, is de moderne landbouw sterk aanwezig. Hier wordt in beperkte mate ook ruimte geboden voor groei. Naast de moderne landbouw is in het gebied in diverse gebieden het kleinschalige karakter behouden gebleven. Veel agrarische dorpen zijn binnen deze zone gelegen.

Inzake bedrijvigheid (Bedrijf-naar-Bedrijf en Bedrijf-naar-Consument) in dit gebied gelden de volgende beleidsuitgangspunten:

Voor de lokale werkgelegenheid zijn zowel bedrijven gericht op andere bedrijven en bedrijven gericht op consumenten van betekenis. Behoud van voldoende bedrijvigheid is niet alleen van betekenis voor de lokale economie, maar ook voor de leefbaarheid en voor de sociale binding en cohesie. Het beleid is dan ook gericht op het behouden van deze twee type soorten bedrijvigheid binnen de gemeente Leudal.

Op lokaal niveau heeft Leudal dit vertaald in de volgende aandachtspunten:

  • faciliteren van het zittend bedrijfsleven en mogelijk maken van groei binnen ruimtelijke- en milieuhygiënische kaders (schaalvergroting);
  • startende ondernemers op maat ondersteunen (ruimtelijke inspanning);
  • bevorderen multifunctionele en duurzame bedrijfsgebouwen (in het kader van speerpunt duurzaamheid);
  • gericht locatiebeleid milieuhinderlijke bedrijvigheid (juiste bedrijf op de juiste plaats);
  • verdichting en herstructurering bestaande bedrijventerreinen (slim ruimtegebruik).


Met de uitbreiding van het bestaande bedrijf B.J. Events wordt aangesloten bij het in de structuurvisie beschreven beleid en het faciliteren van bestaande bedrijvigheid en mogelijk maken van groei van deze bedrijvigheid.

Inzake het in de structuurvisie is opgenomen vereiste dat bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied alleen mogelijk zijn wanneer deze een bijdrage leveren aan kwaliteitsverbetering van het buitengebied wordt verwezen naar het gestelde in paragraaf 3.2.


Welstandsnota 'Leudal'

Op 16 november 2010 heeft de gemeenteraad van Leudal ingestemd met de welstandsnota 'Leudal' en met ingang van 23 december 2010 is de welstandsnota in werking treden. Voor het besluitgebied geldt welstandsniveau 2, wat inhoud dat er sprake is van een 'potentieel welstandsgebied'. Op stedenbouwkundig niveau worden de volgende aandachtspunten genoemd:

Ligging in de omgeving

  • Behoud van de bestaande ruimtelijke structuur.
  • Oriëntatie van bebouwing op de hoofdstructuur.

Massa en vorm van het gebouw

  • Vernieuwende bouwplannen qua verschijningsvorm en belevingswaarde afstemmen op de stedenbouwkundige structuur en korrelgrootte, waarbij accenten toegestaan kunnen worden die positief afwijken op een of twee punten van de bestaande stedenbouwkundige context.
  • Overwegend kleinschalig beeld respecteren.


De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft het plan getoetst aan de van toepassing zijnde criteria en de welstandsnota. Het plan is/ wordt zodanig aangepast dat het akkoord kan worden bevonden door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.


Handboek Ruimtelijke Plannen Leudal

Omwille van onder meer uniforme planregels en -opzet heeft de gemeente Leudal een Handboek Ruimtelijke Plannen opgesteld. In het handboek wordt beschreven op welke wijze ruimtelijke plannen dienen te worden aangeleverd. Hoewel het handboek niet ingaat op de wijze waarop omgevingsvergunningen voor het afwijken van een bestemmingsplan (i.c. beheersverordening) dienen te worden aangeleverd, zal de vastgestelde omgevingsvergunning digitaal worden aangeleverd, conform de wettelijke vereisten.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende ruimtelijk relevante onderzoeks- en milieu-aspecten.

4.1. Onderzoeksaspecten

4.1.1 Bodem

In het kader van de in het verleden reeds voorziene omzetting naar bedrijfsterrein is door Adviesbureau Brouwers een nulsituatie en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (respectievelijk projectnummer HAE-086-01, d.d. 4 mei 2001 en projectnummer HAE-086-04, d.d. 21 juli 2003).

Omdat deze onderzoeken inmiddels verouderd zijn, is door Cauberg-Huygen een oplegnotitie opgesteld bij deze onderzoeken (nummer 20121417-0048.1.0 d.d. 3 oktober 2013). Uit deze notitie blijkt het volgende:

Het terrein is gebruikt conform de vigerende vergunning. Er zijn geen calamiteiten geweest. Ter plaatse zijn noch bij eigen inspecties noch bij controles tekortkomingen ten aanzien van het aspect bodembescherming geconstateerd. Gesteld wordt derhalve dat in de periode tussen 2003 en 2013 geen bodembedreigende activiteiten hebben plaats gevonden ter plaatse van de nieuwbouw locatie. De bodemkwaliteit zoals die in 2003 is vastgesteld, is daarmee nog representatief voor de situatie in 2013.

Dit betekent dat gezien het toekomstige gebruik van de locatie de bodemkwaliteit geen gevaar vormt voor mens en milieu. De aangetroffen bodemkwaliteit past bij de bestemming industrie.

De bodemonderzoeken en bijbehorende oplegnotitie zijn als afzonderlijke bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing raadpleegbaar.

4.1.2 Waterhuishouding

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer.

Waterbeleid

Het beleid ten aanzien van waterbeheer is op rijksniveau onder meer vastgelegd in het Nationaal Waterplan en op provinciaal niveau in het Provinciaal beleidskader Stedelijk waterbeheer, het POL2006 en het Provinciaal waterplan 2010-2015. Belangrijke uitgangpunten zijn het streven naar een goede waterkwaliteit, het tegengaan van verdroging, het afkoppelen van hemelwater van de riolering en het bevorderen van infiltratie van water in de bodem.

Kenmerken van het watersysteem

Onderstaand wordt ingegaan op de kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het besluitgebied (en omgeving).

Bodem en grondwater

Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt onder andere het volgende inzake bodem en grondwater:

De bodem van het terrein wordt volgens de systematiek van de Stichting voor Bodemkartering (Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000) binnen de hoofdklasse dikke eerdgronden benoemd als hoge bruine enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand.

Het water van het eerste watervoerende pakket, dat ook het freatisch grondwater bevat, stroomt van het noordwesten naar het zuidoosten in de richting van de Maas. De freatische grondwaterstand bedraagt circa 19,80 m +NAP. De grondwaterstand bevindt zich hiermee op meer dan 5 meter beneden maaiveld.

Uit de POL-kaart 'Blauwe waarden' (behorende bij het POL2006) is af te lezen dat binnen het besluitgebied geen bijzondere blauwe waarden zijn aangeduid. Wel zijn op enige afstand ten noorden en zuiden van het besluitgebied enkele gebieden aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG) (in paragraaf 4.1.8 wordt hier nader op ingegaan).

Uit de POL-kaart 'Kristallen waarden' van het POL 2006 blijkt dat het besluitgebied gelegen is binnen het grondwaterbeschermingsgebied 'Roerdalslenk III'. Boringen dieper dan 30 meter beneden maaiveld zijn ter bescherming van de strategische grondwatervoorraad alleen met ontheffing van de Omgevingsverordening Limburg (OLV) toegestaan.

De bodemdoorlatendheid van het gebied wordt uitgedrukt in een K-waarde. De K-waarde van het besluitgebied bedraagt 0,45 tot 0,75 m per dag en is daarmee matig te noemen. Infiltratie is hier mogelijk mits de grondwaterstand voldoende laag is (circa 1 meter of dieper). Van een dergelijke grondwaterstand is in het besluitgebied sprake.

Oppervlaktewater

Blijkens de kaart 'Aandachtsgebieden' van het waterschap Peel en Maasvallei zijn binnen het besluitgebied en de directe omgeving geen belangrijke beken of overige oppervlaktewateren gelegen.

Hemelwater

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het hemelwater en afvalwater gescheiden moet worden afgevoerd. In de gegeven situatie wordt het hemelwater geinfiltreerd via een reeds aangelegd waterbassin en een zaksloot achter op het terrein. Daarnaast infiltreerd een gedeelte van het hemelwater via het kiezelbed bij het spoor, dat gelegen is op grond van de initiatiefnemer.

Afvalwater

Het afvalwater wordt gescheiden afgevoerd. Er kan worden aangesloten op het binnen het besluitgebied aanwezige rioolstelsel.


Overleg waterbeheerder

Overleg met het waterschap Peel en Maasvallei is niet noodzakelijk aangezien geen toename van de oppervlakteverharding plaatsvindt van meer dan 2.000 m² en het besluitgebied niet is gelegen binnen een specifiek aandachtsgebied van het waterschap.

4.1.3 Milieuzonering

De (indicatieve) lijst 'Bedrijven en Milieuzonering', in 2009 uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG), geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten, ten opzichte van milieugevoelige functies, op basis van de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten; geur, stof, geluid en gevaar.

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon-, leef- en werkklimaat van in de omgeving aanwezige milieugevoelige functies (zoals woningen) gegarandeerd is. Hierbij kan de VNG-lijst gehanteerd worden danwel gelden specifieke eisen vanuit een milieuvergunning of melding Activiteitenbesluit.

Activiteitenbesluit

Het Activiteitenbesluit bevat algemene milieuregels voor bedrijven. Bedrijven die vallen onder het regime van het Activiteitenbesluit hebben vaak geen vergunning voor het oprichten of veranderen van een milieu-inrichting nodig, zoals ook bij onderhavige inrichting het geval is.

Akoestisch onderzoek
In het voorliggende geval is sprake van het oprichten van een nieuwe loods bij een bestaand bedrijf. De nieuwe loods zal voornamelijk worden gebruikt voor stalling van voertuigen en opslag van goederen en materiaal. Daarnaast worden boomstammen in de hal ontschorst met behulp van een ontschorsingsmachine. In verband hiermee is een melding Activiteitenbesluit voor het veranderen van de inrichting ingediend bij het bevoegd gezag (provincie Limburg). Hiertoe is door Cauberg-Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluiduitstraling van de inrichting aan het Stationsplein 20 in Haelen (referentie 20121417-04, d.d. 14 juni 2013).

Het doel van het akoestisch onderzoek is inzicht te geven in de geluidimmissie van de inrichting. De geluiduitstraling van de nieuwe en bestaande activiteiten is berekend op basis van verschillende bedrijfssituaties en uitgevoerde metingen ter plaatse.

Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. De beoordeling van de rekenresultaten heeft plaatsgevonden conform de regels en aanbevelingen uit de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening

Uit de conclusies en samenvatting van het akoestisch onderzoek blijkt het volgende:

  • het langtijdgemiddelde geluidniveau in de representatieve bedrijfssituaties 1 t/m 3 voldoet aan het geluidbeleid van de gemeente Leudal;
  • het maximale geluidniveau (LAmax) voldoet in de representatieve bedrijfssituatie 1 en 3 aan het geluidbeleid van de gemeente Leudal;
  • in representatieve bedrijfssituatie 2 voldoet het maximale geluidniveau in de dag- en avondperiode aan het geluidbeleid van de gemeente Leudal. In de nachtperiode echter niet. Wel wordt voldaan aan de ontheffingswaarde van 65 dB(A) in de nachtperiode die de gemeente Leudal heeft opgenomen in haar geluidbeleid en in overeenstemming is met de 'Handreiking industrielawaai en vergunningverlening';
  • de geluidimmissie voldoet aan de BBT-principes;
  • de verkeersaantrekkende werking vormt geen belemmering voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

Op basis van de uitgangspunten en de bevindingen van het akoestisch onderzoek (welk als afzonderlijke bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing raadpleegbaar is) worden er in het kader van de melding Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften voor de inrichting gesteld inzake de piekgeluiden in de nachtperiode.

Als gevolg van de wijziging in het bouwplan (de lengte van de loods is teruggebracht van 40 naar 30 meter) kan het volgende inzake de rekenresulaten van het akoestisch onderzoek opgemerkt worden:

De verkleining van de loods leidt tot een verandering van de afstand van de geluidafstralende wanden ten opzichte van de omliggende woningen. Deze verandering is echter minimaal in relatie tot de afstand tot de woningen omdat de afstand tot de woningen veel groter is dan de verandering van de lengte van de loods. Het effect van deze verandering op de berekende geluidbelasting van de omgeving is daardoor minimaal en niet relevant. Bovendien zijn ook andere bronnen van invloed op de berekende geluidbelasting (zoals het verkeer) en deze bronnen wijzigen niet. Het is daarom niet zinvol om het akoestisch onderzoek aan te passen.

4.1.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer. Aangezien sprake is van het oprichten van een nieuwe loods bij een reeds bestaand bedrijf is er sprake van slechts een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. In het in paragraaf 4.1.3. behandelde akoestisch onderzoek blijkt dat het aantal voertuigbewegingen in de gepresenteerde representatieve bedrijfssituaties dusdanig zijn, dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Ter vergelijking: voor woningbouwlocaties geldt een NIBM-grens van 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg), waarbij de bijbehorende verkeersgeneratie nog juist niet in betekende mate bijdragend is aan de heersende luchtkwaliteit. Van een dergelijke verkeersgeneratie is als gevolg van onderhavige ontwikkeling geen sprake.


Verder geldt dat volgens de website van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de concentratie PM10 ter plaatse circa 22 µg/m³ bedraagt en dat de concentratie NO2 ter plaatse circa 17 µg/m³ bedraagt. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende en worden geen normen overschreden. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan.

4.1.5 Externe Veiligheid

In het kader van het aspect externe veiligheid dient bij de ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen.

Risicovolle inrichtingen

Binnen de omgeving van het besluitgebied zijn op basis van de risicokaart op grotere afstand enkele risicovolle inrichtingen gelegen. Het betreft de volgende bedrijven:

Inrichting   Adres   Risicovolle activiteit   Maximale PR-contour   Invloedsgebied/ groepsrisico  
Spoorlijn Maastricht-Eindhoven     transport gevaarlijke stoffen per spoor   5 meter   overschrijdingsfactor < 0,3 maal oriëntatiewaarde  
N273     transport gevaarlijke stoffen over de weg   0 meter   overschrijdingsfactor < 0,1 maal oriëntatiewaarde  
Scheres brandstoffenhandel   Napoleonsweg 114   Opslag in tanks   0 meter    
Tankstation 't Heukske   Burgemeester Aquariusstraat 42   Benzineservicestations   20 meter    
Auto-Feijts   Napoleonsweg 119   LPG-tankstation   45 meter   150 meter  
Gasunie (GOS, Z098)   Windmolen 7   Gasontvangststation   15 meter    
Gasleiding Z-513-01-KR-015     Aardgastransportleiding Gasunie     1% lethaliteitszone: 110m  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0015.jpg"
 
Uitsnede Risicokaart Nederland ter hoogte van het besluitgebied  

De plaatsgebonden risicocontouren van de betreffende inrichtingen reiken niet tot aan het besluitgebied. Ook is er in de huidige situatie geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van het groepsrisico. Gezien de tussenliggende afstanden kan worden aangenomen dat er geen significante invloed wordt uitgeoefend op het groepsrisico van de risicovolle inrichtingen.

Wel is het besluitgebied gelegen binnen het invloedsgebied van het spoortraject Roermond-Weert.

Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor

In het Basisnet Spoor zijn veiligheidzones (plaatsgebonden risicocontour) langs spoorlijnen opgenomen waarbinnen geen kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden. Langs bepaalde spoorbaanvakken is ook sprake van een plasbrandaandachtsgebied ( PAG). Voor het betreffende traject geldt volgens het Basisnet Spoor een plaatsgebonden risicocontour van 5 meter en een PAG met een zone van 9 meter aan weerszijden van de spoorbaan en gemeten vanaf buitenste spoorstaaf .

Het besluitgebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour. Ook is het besluitgebied niet gelegen binnen het PAG. Uit de eindrapportage Basisnet Spoor blijkt verder dat het groepsrisico ten gevolge van de spoorlijn Roermond-Weert ter plaatse van het plangebied minder dan 0,3 keer de oriëntatiewaarde bedraagt.

De nieuwe loods is een beperkt kwetsbaar obejct, waar gedurende de dagperiode maximaal 3 personen aanwezig zijn. Deze toename van personendichtheid heeft geen significante invloed op het (toch al lage) groepsrisico ter plaatse.

Vanuit externe veiligheidsaspecten bestaan er derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.6 Geluidshinder

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen geluidgevoelig object gerealiseerd. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk.

4.1.7 Kabels, leidingen en nutsvoorziening

Binnen het besluitgebied en de directe omgeving liggen geen gasleidingen of overige leidingen die een belemmering zouden kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.8 Flora en fauna

Het toetsingskader ten aanzien van flora en fauna bestaat uit de in april 2002 in werking getreden Flora- en faunawet (Ff-wet) en de sinds 22 februari 2005 in werking getreden AMvB die voorziet in een wijziging van het 'Besluit beschermde dier- en plantensoorten'.


Toetsing

Gebiedsbescherming

Op basis van de POL- kaart 'Groene Waarden' blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen of in de directe omgeving van een beschermd natuurgebied zoals de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of de Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG).

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0016.jpg"  
Uitsnede POL-kaart Groene waarden  


Soortenbescherming

Uit de provinciale flora- en faunagegevens blijkt dat het besluitgebied niet volledig is onderzocht vanwege de ligging binnen bestaand bebouwd gebied. In de omgeving van het besluitgebied zijn echter wel meldingen opgenomen van waargenomen broedvogels. Gezien de onbebouwde gronden en het ontbreken van groenvoorzieningen ter plaatse van het besluitgebied zijn beschermde soorten in het besluitgebied echter niet te verwachten. Dit mede gezien de voor verstoring zorgende bestaande bedrijfsactiviteiten ter plaatse.


Conclusie

Gezien het feit dat het besluitgebied onbebouwd is en is gelegen op een bestaand bedrijfsperceel waar ter plaatse geen begroeiing aanwezig is en waar veelvuldig verstoring door menselijk gebruik plaatsvindt, kan worden aangenomen dat binnen het besluitgebied geen beschermde dier- en/of plantensoorten voorkomen. Er bestaan vanuit het aspect flora en fauna kortom geen belemmeringen.

Wel geldt dat de algemene zorgplicht (art. 2 Flora- en faunawet) in acht moet worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden, zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.

4.1.9 Archeologie

Op basis van de door de gemeenteraad van Leudal op 8 februari 2011 vastgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is het besluitgebied gelegen binnen een gebied met een hoge verwachtingswaarde voor droge landschappen. Ter hoogte van de spoorlijn, ten zuidwesten van het besluitgebied, is een 'vindplaats landbouwers' aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0017.jpg"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0018.jpg"  
Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het besluitgebied en omgeving  

Voor gebieden met een hoge verwachtingswaarde voor droge landschappen geldt een onderzoeksgrens voor het uitvoeren van onderzoeken bij plangebieden tot 1.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld. Van een dergelijk omvang is in dit geval geen sprake. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Voor de vindplaats ten zuidwesten van het besluitgebied geldt een ondergrens voor onderzoek van 30 meter. Zolang deze afstand tot de vindplaats gerespecteerd wordt, is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet nodig.

Wel geldt te allen tijde, conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988 (herzien in 2007), een meldingsplicht bij de bevoegde minister of door het hem vertegenwoordigende bevoegd gezag, zijnde de gemeente Leudal, indien tijdens toekomstige werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen.

4.1.10 Verkeer en parkeren

In het kader van de bouw van de nieuwe loods zal ter hoogte van het bestaande bedrijfsperceel een lichte toename plaatsvinden van het aantal verkeersbewegingen. De wegen in de omgeving van het besluitgebied, zijnde hoofdzakelijk het Stationsplein en de Napoleonsweg richting de N273, zijn echter zodanig ingericht dat deze geringe toename niet tot verkeersproblemen zal leiden. Inzake de akoestisch effecten wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek, zoals beschreven in paragraaf 4.1.3. Hieruit blijken geen belemmeringen wat betreft de verkeersaantrekkende werking.


Als gevolg van de in de nieuwe loods uit te voeren werkzaamheden (stalling van voertuigen en opslag van goederen en materiaal en het ontschorsen van boomstammen met behulp van een ontschorsingsmachine) dient op eigen terrein ruimte te zijn voor de daarbij behorende parkeerbehoefte van 2 vrachtwagens en 4 personenauto's. Gezien de inrichting en grootte van het bijbehorende bedrijfsterrein is hiertoe op het eigen terrein voldoende ruimte aanwezig.

4.2. Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer.

Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro).


In het voorliggende geval is sprake van een bouwplan, zoals bedoeld in het Bro. Tussen de gemeente Leudal en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is het kostenverhaal (anderszins) verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig.

Hoofdstuk 5 Afweging belangen

De gewenste ontwikkeling is strijdig met de geldende voorschriften uit de beheersverordeningen 'Kern Haelen' en 'Buitengebied'.

De beheersverordeningen bieden geen vrijstellings- of wijzigingsmogelijkheden waarmee het project gerealiseerd kan worden. Door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de beheersverordeningen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan het bouwplan wel mogelijk worden gemaakt.

Tegen het bouwplan bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De afbeelding "i_NL.IMRO.1640.OV14HnStnsplein20-VG01_0019.jpg"ontwikkeling past ruimtelijk-functioneel en wat betreft vormgeving in het omliggende gebied.

Aan de voorwaarden, die zowel het Rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk beleid stellen, wordt met de ontwikkeling voldaan.

Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door aanwezige, storende, milieu-aspecten en zijn benodigde voorzieningen als riolering en overige kabels en leidingen reeds in de nabijheid van het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal geen schade wordt toegebracht aan de omringende natuur- of landschapselementen en -structuren.

Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de bouw van een loods op het bestaande bedrijfsperceel van B.J. Events in het besluitgebied niet bezwaarlijk is.

Hoofdstuk 6 Procedure, overleg en planstukken

6.1. Procedure

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een beheersverordening dient de uitgebreide procedure, zoals beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd.

Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Awb. De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. Dit zijn onder andere:

  • 1. aanvraag, ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit moeten op grond van zowel de Wabo als het Besluit omgevingsrecht (Bor) in bepaalde specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties worden toegestuurd. Te denken valt aan het orgaan dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft, de Inspectie, een ander bestuursorgaan dan het aangewezen bevoegd gezag, etc;
  • 2. iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen bezwaar maken en in beroep gaan;
  • 3. de beslistermijn van zes maanden begint te lopen op de eerstvolgende dag na de ontvangst van de aanvraag (art. 3.12 lid 7 Wabo);
  • 4. de beslistermijn van zes maanden mag éénmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12 lid 8 Wabo);
  • 5. indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo (de toestemming uit de Wabo die in de plaats komt van het projectbesluit) wordt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant geplaatst en gezonden aan de eigenaar van en eventuele beperkt gerechtigden op de in het ontwerpbesluit begrepen gronden, voor zover dat nodig is met het oog op de toepassing van artikel 85 van de onteigeningswet (art. 3.12 lid 2 Wabo jo. art. 6.14 lid 2 Regeling omgevingsrecht). De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor jo. Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008).

Terinzagelegging

De aanvraag, het ontwerp-besluit omgevingsvergunning en de overige bijbehorende stukken hebben met ingang van 23 janauri 2014 gedurende zes weken tot en met 5 maart 2014 voor eenieder ter inzage gelegen.

Van de gelegenheid tot het indienen van een zienswijze op het ontwerp-besluit is gebruik gemaakt. Een samenvatting en standpunt op de ingediende zienswijze is in een afzonderlijk verslag opgenomen en te raadplegen. Als gevolg van de ingediende zienswijze is het bouwplan gewijzigd in die zin dat de loods 10 meter minder lang is geworden.

6.2. Overleg

In artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht is artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing verklaard. Voor deze procedure dient dan ook vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is.

Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een beheersverordening moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten.

Aangezien er geen Rijksbelangen in het geding zijn kan van vooroverleg met de Rijksoverheid worden afgezien. Omdat het besluitgebied deels gelegen is in perspectief 4, is vooroverleg met de provincie Limburg in principe wel noodzakelijk.

Omdat er sprake is van een ontwikkeling waarbij minder dan 2.000 m² aan nieuwe verharding wordt gerealiseerd en aangezien het besluitgebied niet is gelegen binnen een aandachtsgebied van het waterschap, is vooroverleg met het Waterschap Peel en Maasvallei niet noodzakelijk.

6.3. Planstukken

Bij de omgevingsvergunning voor het afwijken van de beheersverordeningen behoort onderhavige ruimtelijke onderbouwing met bijbehorende onderzoeken. Het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning dient beschikbaar te worden gesteld conform de vereisten zoals die zijn vastgelegd voor 'projectbesluiten' in IMRO2012 en STRI2012, met het daarbij behorende besluitgebied c.q. de geometrische plaatsbepaling.