direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Woning Heverstraat 8, Roggel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van een woning op het terrein van een te slopen bakkerijfabriek aan de Heverstraat 8 te Roggel. De ontwikkeling vindt plaats op de percelen, kadastraal bekend als Roggel, sectie G, nr. 756, 1799, 2906 en 2907, gelegen aan de Heverstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0001.png"Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied (rood omlijnd)  

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning met een relatief grote tuin aan de achterzijde. Deze ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op basis van de vigerende bestemmingsplannen 'Woonkernen Leudal 2017' (vastgesteld op 14 november 2017) en 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' (vastgesteld op 3 juli 2018). De gronden kennen binnen deze bestemmingsplannen namelijk de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarden – 1'. Het gebruik van de gronden voor woondoeleinden is zodoende formeel gezien niet toegestaan.

De ontwikkeling van de woning is wel mogelijk, wanneer er een herziening van het bestemmingsplan plaatsvindt (conform artikel 3.1 Wro). In het voorliggende bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en deze toelichting.

Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt de bestaande situatie rond het plangebied beschreven. Hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie en de planbeschrijving van de ontwikkeling weergegeven. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op onderhavige locatie. In hoofdstuk 4 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven en in hoofdstuk 6 is weergegeven hoe de gemeente Leudal omgaat met handhaving van de regels in dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 volgt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Gebiedsprofiel en besluitprofiel

2.1 Gebiedsprofiel

Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de kern van Roggel. Het plangebied grenst in noordelijke richting aan een agrarisch perceel. In oostelijke richting grenst het plangebied direct aan de Hubertstraat. Vervolgens liggen ten oosten van het plangebied twee percelen, welke bestemd zijn voor agrarische- en woondoeleinden. Tot slot grenst het plangebied in westelijke richting aan de Heverstraat.


De directe omgeving rondom het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit woningen, agrarische percelen en enkele bedrijven. Het plangebied ligt op de grens van de kern van Roggel en het buitengebied. Binnen het plangebied zelf zijn momenteel een bedrijfspand van een bakkerijfabriek die op korte termijn verplaatst wordt (omvang 886 m2) aanwezig, alsmede een bedrijfswoning (omvang 252 m2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0002.png"  
Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied (rood omlijnd)  

2.2 Besluitprofiel

Onderhavige ontwikkeling voorziet in de sloop van de bestaande bebouwing (bedrijfspand en bedrijfswoning) binnen het plangebied. Hiervoor in de plaats wordt een nieuwe woning gebouwd bestaande uit een souterrain, begane grond en eerste verdieping. De nieuwe woning wordt op nagenoeg dezelfde locatie herbouwd als de te slopen bedrijfswoning. De nieuwe woning zal in het bestaande landschap worden ingepast. De vier percelen kadastraal bekend als Roggel, sectie G, nr. 756, 1799, 2906 en 2907 worden samengevoegd.


In de onderstaande afbeeldingen volgt een schetsmatige weergave van de huidige en toekomstige situatie, gevelaanzichten en verbeelding van het beoogde planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0003.png"  
Huidige ligging bedrijfsbestemming met bouwvlak en bebouwing en de nieuwe situatie van de woonbestemming  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0004.png"  
Aanzicht rechter zijgevel (links) en achtergevel (rechts)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0005.png"  
Aanzicht linker zijgevel (links) en voorgevel (rechts)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0006.png"  
Uitsnede verbeelding met functionele indeling plangebied  

2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten

Aangezien het plangebied nabij en deels binnen de woonkern van Roggel is gelegen, past de woningbouwlocatie vanuit stedenbouwkundig en functioneel oogpunt binnen de omgeving. Er zal slechts sprake zijn van de sloop en herbouw van één woning op hetzelfde perceel, waardoor er geen sprake zal zijn van negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten. De situering en ruimtelijke uitstraling van de woning blijft aansluitend op de omliggende percelen.


Ruimtelijk en functioneel gezien past de ontwikkeling goed binnen de omgeving, aangezien ten noorden en zuiden van het plangebied reeds verschillende clusters van burgerwoningen zijn gelegen. De nieuwe woning wordt aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan ingepast binnen het landschap. Hierbij staat het behoud van de kernkwaliteiten van het omliggende landschap centraal. De volledige landschappelijke inpassing is opgenomen in Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0007.png"  
Landschappelijk inpassingsplan  

De inpassing en vormgeving van het perceel aan de Heverstraat 8-8a richt zich op de overgang van de nieuwe woning naar het omliggende landschap en de openbare weg. Om de planontwikkeling mogelijk te maken is een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld, die op basis van het planvoornemen, de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie is vormgegeven. Onderstaande schets illustreert de voorgestelde maatregelen, gevolgd door een argumentatie. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld:

  • 1.
    1. Aanplant houtwal (inheems bosplantsoen);
  • 2.
    2. Aanplant houtwal (inheemse struweelbeplanting);
  • 3.
    3. Aanplant hoogstamfruitgaard met extensief beheerd grasland;
  • 4.
    4. Aanleg wadi;
  • 5.
    5. Solitaire beeldbepalende boom;


Aangezien het plangebied grenst aan het buitengebied van de gemeente Leudal zorgt het beoogde groene karakter binnen het plangebied voor een geleidelijke transitie van het verstedelijkt gebied naar het landelijk gebied. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en ook wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.


Ondanks dat onderhavige ontwikkeling qua afmetingen afwijkt van de omliggende woningen is het initiatief toch passend binnen de omliggende omgeving. De massaopbouw van de woning (hoofdzakelijk bebouwing met een bouwhoogte van maximaal 5 meter en enkel maximaal 7,5 meter voor het slaapvertrek) sluit goed aan op de omliggende stedenbouwkundige structuur. Daarnaast heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (2 april 2019) en de Kwaliteitscommissie (19 november 2019) de beoogde woning vanuit stedenbouwkundig perspectief akkoord bevonden. De gekozen vormgeving en positie van de woning op het perceel sluit qua korrelgrootte goed aan bij de omgeving, waar reeds grotere woningen zijn gerealiseerd. Het plan betreft een hoogwaardig ontwerp.

Hoofdstuk 3 Beleid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.1, § 3.2, § 3.3 en § 3.4).

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.


Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De SVIR stelt drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Voor de drie rijksdoelen worden onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.


Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt:

  • Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.

Afweging

Gezien onderhavige ontwikkeling enkel voorziet in de sloop en herbouw van één woning zijn er geen nationale belangen uit de Structuurvisie in het geding.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.


In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.


Afweging

Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de sloop en nieuw te bouwen woning.

3.1.3 Barro (Ladder voor duurzame verstedelijking)

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.


In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).


Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierbij is de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om te motiveren hoe de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Indien de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, is een motivering nodig waarom men deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan realiseren (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).


Afweging

De voorliggende ontwikkeling betreft geen 'stedelijk ontwikkeling' als bedoel in artikel 1.1.1 van het Bro. Er vindt namelijk geen effectieve toename plaats van het aantal woningen. Er is slechts sprake van de sloop en herbouw van één woning op hetzelfde perceel. Toetsing aan de ladder voor duurza-me verstedelijking is zodoende niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014

Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema's benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0008.png"  
Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met aanduiding plangebied rood omlijnd  

Volgens de kaart 'Zonering Limburg' ligt het plangebied in de zone 'Buitengebied'. Het buitengebied omvat alle gronden in het landelijk gebied die niet behoren tot de goudgroene en zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Het beleid is gericht op (1) ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw, (2) terugdringen milieubelasting vanuit landbouw en (3) kwaliteit en functioneren ondergrond.


Afweging

De voorgenomen sloop en herbouw van één woning in combinatie met de landschappelijke inpassing is passend binnen de zone 'Buitengebied'. Hiermee bestaan er geen belemmeringen vanuit het Provinciaal Omgevingsplan 2014 voor onderhavige ontwikkeling.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven.

Afweging

Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III is gelegen. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk III verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet bij het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III geen belemmering.


Voor het overige ligt het plangebied niet binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Er zijn geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021

Op 2 juli 2019 is in regionaal verband de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' vastgesteld. De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben middels de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' de nota 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' uit 2014 geactualiseerd. Daartoe is een woningmarktonderzoek uitgevoerd (2018) met ondersteuning van de Provincie Limburg. Binnen de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' worden de leermomenten uit de nota 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' meegenomen. Daarnaast zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte woningbouwbehoefte tot 2030.


De structuurvisie geeft richting aan de kwalitatieve en kwantitatieve opgave waar de gemeenten woningbouwprojecten de komende jaren wenselijk vinden en de wijze waarop het aantal woningbouwplannen wordt afgestemd op de behoefte. Dit betekent dat beleidsmatig is vastgelegd hoe de planvoorraad voor woningen wordt afgebouwd.


Afweging

De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een reeds bestaande woning en nieuwbouw van één woning op het zelfde perceel. Hiermee wordt er dus géén woning toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad. Verdere toetsing aan de 'Regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' is dan ook niet nodig.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische Overallvisie 2020 - 'Leven in Leudal'

In de Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkelingen in de komende jaren. De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de (nieuwe) gemeente en samenwerking in de regio.


De Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en dient de komende jaren het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten.


Binnen de Strategische Overallvisie van de gemeente Leudal worden kansen en bedreigingen in kaart gebracht. Het behoud van groen en meer benutten van het groene karakter wordt gezien als een van de voornaamste kansen voor de gemeente Leudal. Groen wonen wordt hierbij als een potentiële kansrijke ontwikkeling gezien.


De missie van de gemeente Leudal is geoperationaliseerd in doelen op centrale thema's van de strategische overallvisie: samenleving, omgeving, wonen, werken en vrije tijd. Het doel voor het aspect wonen is hierbij om binnen de eigen gemeente te zorgen voor passende huisvesteging van elke inwoner plus gedoseerde ontwikkeling van enkele regionaal onderscheidende woonmilieus.


Afweging

Middels de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van nieuwe kwalitatief hoogwaardige woning, waarbij het behoud van de kernkwaliteiten van het landschap centraal staan. Door deze opzet van het plangebied wordt een onderscheidend woonmilieu gerealiseerd. Tevens wordt voorzien in de sanering van het huidige bedrijfspand, hetgeen een positieve ontwikkeling betreft ten aanzien van het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen. Het initiatief wordt hiermee passend geacht binnen de 'Strategische Overallvisie 2020 - Leven in Leudal', op het gebied van wonen.

3.4.2 Structuurvisie Leudal - 'Regie op de toekomst'

Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.


In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.


Binnen de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van wonen is dat, in het kader van de leefbaarheid, de veranderingen in de aard en omvang van de woningvoorraad niet geënt worden op de kwantiteit van de voorraad, maar op de kwaliteit van de voorraad. Door in te zetten op kwaliteit wil de gemeente een woningvoorraad bieden die bijdraagt aan de sociale binding van mensen met de gemeente, maar die ook afgestemd is op en bijdraagt aan de verschillende ruimtelijke karakteristieken van de afzonderlijke kernen en het buitengebied.


Ontwikkelingen in de woningmarkt moeten de maatschappelijk hoog gewaardeerde woonkwaliteiten van Leudal, veel laagbouw en het dorpse karakter, behouden en waar mogelijk versterken. Voor het buitengebied richt het beleid zich op het duurzaam behouden van de kernwaarden van de natuurgebieden en het (cultuur)landschap en het tegelijkertijd versterken van de gebruiks- en belevingswaarden voor de inwoners van Leudal en voor bezoekers van de gemeente.


Afweging

Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van één kwalitatief hoogwaardige woning, waarbinnen de groene invulling middels beplanting een grote rol speelt. Doormiddel van de hoogwaardige landschappelijke inpassing worden de bestaande landschapskwaliteit gewaarborgd en waar mogelijk versterkt. Hiermee sluit het initiatief aan op de doelstelling om in te zetten op de kwaliteit van de woningvoorraad en niet de kwantiteit. Er wordt immers middels onderhavig plan ook niet voorzien in kwantitatieve toename in het aantal woningen binnen de gemeente Leudal. De ontwikkeling is hiermee passend binnen de 'Structuurvisie Leudal - Regie op de toekomst'.

3.4.3 Nota Kwaliteit

In de 'Structuurvisie Leudal' is de 'Nota Kwaliteit' opgenomen. De laatste actualisatie van de Nota Kwaliteit dateert van 3 september 2013.


De Nota Kwaliteit bevat beleid over het kwaliteitsmenu en het groenfonds. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt nadat een planologische afweging is gemaakt of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie een kwaliteitsbijdrage in beeld. Het kwaliteitsmenu van de provincie (uitgewerkt in verschillende modules) geldt hierbij als een minimumvereiste.


Landschappelijke inpassing van de locatie van een initiatief vormt altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds.


De huidige bedrijfskavel binnen het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', maar buiten het stedelijk gebied (conform de kaart 'Zonering Limburg' uit het POL2014). Daarnaast is de locatie ook gelegen buiten de gemeentelijke kwaliteitscontour. In het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' wordt in artikel 6.7 onder a, achtste lid aangegeven dat voor het wijzigen van de bestemming 'Bedrijf' naar 'Wonen' voldaan moet worden aan de eisen die gesteld zijn in de nota kwaliteit. Conform artikel 1.87 zijn in de Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal de uitgangspunten opgenomen, waarbinnen de gemeente initiatiefnemers voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de zonering 'Buitengebied' (conform het POL 2014) een kwaliteitsbijdrage vraagt. Deze kwaliteitsbijdrage dient ter uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu, zoals opgenomen als 'Bijlage 2 Nota Kwaliteit' bij de regels van onderhavig bestemmingsplan.


Onderhavige locatie is geheel gelegen binnen de zonering 'buitengebied', waardoor een kwaliteitsbijdrage zal moeten plaatsen. Binnen de nota kwaliteit wordt verwezen naar de modules van het provinciale kwaliteitsmenu. Voor onderhavig planvoornemen geldt de module 'nieuwe solitaire woningen'. Hiervoor geldt een compensatie van € 100 per m². De gemeente Leudal heeft in haar eindadvies aangegeven dat deze compensatie enkel van toepassing zal zijn voor het gedeelte van de nieuwe woonbestemming die op het huidige agrarische perceel (de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1') is gelegen (dus aan de oostzijde van de geplande woning). De gemeente Leudal heeft geconcludeerd dat de sanering van de bedrijfsbestemming (en de aanwezige bebouwing) als voldoende compensatie wordt gezien voor het wijzigen van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming.


In navolging van het bovenstaande zal het planvoornemen voorzien in het betrekken van een gedeelte van de naastgelegen agrarische gronden (gelegen in het Bestemmingsplan Buitengebied met de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1') die worden omgezet naar een nieuwe woonbestemming (670m2). Gelet op de uitgangspunten van het kwaliteitsmenu moet hiervoor een bijdrage van €100,- per m2 betaald worden.


Afweging

Ter voldoening aan het bepaalde in de Nota Kwaliteit is naast de reeds benoemde bijdrage in het groenfonds voor het onderhavige plan een landschapsinpassingsplan opgesteld (zie paragraaf 2.3).


Deze inpassing richt zich op de overgang van de nieuwe woning naar het omliggende landschap en de openbare weg. Om de planontwikkeling mogelijk te maken is een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld, die op basis van het planvoornemen, de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie is vormgegeven. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld:

  • 1. Aanplant houtwal (inheems bosplantsoen);
  • 2. Aanplant houtwal (inheemse struweelbeplanting);
  • 3. Aanplant hoogstamfruitgaard met extensief beheerd grasland;
  • 4. Aanleg wadi;
  • 5. Solitaire beeldbepalende boom;


Voor een nadere beschrijving van de inpassingsmaatregelen wordt verwezen naar het bij de regels gevoegde landschapsinpassingsplan. Realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing is juridisch geborgd middels een voorwaardelijke bouw- en gebruiksregel (zie artikel 4.5.6 van de planregels). De reeds benoemde landschappelijke inpassing is vormgegeven conform het advies van de Kwaliteitscommissie (19 november 2019, kenmerk: KL 19-07). De adviezen uit het advies (19 september 2019) zijn conform voorgestelde aanpak doorgevoerd en het de landschappelijke inpassing is derhalve akkoord bevonden.

3.4.4 Vigerend bestemmingsplan - 'Woonkern Leudal 2017'

Het zuidelijk gedeelte van het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerend bestemmingsplan 'Woonkern Leudal 2017', dat op 14 oktober 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal. Hierbij geldt voor het plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf' en 'Agrarisch', dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' en 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' en de functieaanduidingen 'bedrijfswoning' en 'specifieke vorm van bedrijf - bakkerij'. Tot slot geldt voor een gedeelte van het plangebied de maatvoering 'maximum bebouwingspercentage 85%'.

Enkelbestemming

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestem voor een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in categorieën 1 en 2. Daarnaast is een bakkerij met een verwerkingscapaciteit van meer dan 7.500 kg meel per week uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bakkerij' toegestaan. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf binnen een bouwvlak met een agrarische bedrijfsvoering, niet zijnde een intensieve veehouderij. Daar zijn deze gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik en ruimtelijk niet relevante evenementen.


Dubbelbestemming

De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Wanneer er verstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld plaats vinden en de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 moet een rapport worden overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de aan de andere aan de grond gegeven bestemming(en), primair bestemd voor het beheer en onderhoud van de binnen het plangebied gelegen watergangen, alsmede voor de ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarden van de watergangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0009.png"  
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Woonkern Leudal 2017' (plangebied rood omlijnd)  

3.4.5 Vigerend bestemmingsplan - 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal'

Het plangebied noordelijk gedeelte van het plangebied maakt deel uit van het vigerend bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016', dat op 3 juli 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal. Hierbij geldt voor het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - 1', dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' en gebiedsaanduidingen 'milieuzone - boringsvrije zone', 'overige zone - kernrandzone', 'overige zone - openheid' en 'overige zone - landschappelijke elementen'.

Enkelbestemming

De voor 'Agrarisch met waarden - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering, agrarisch grondgebruik, de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten, extensief recreatief medegebruik en een bed & breakfast in de bedrijfswoning voor maximaal 2 slaapplaatsen.


Dubbelbestemming

De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Net als in het bestemmingsplan 'Woonkern Leudal 2017' geldt voor deze gronden een onderzoeksplicht bij verstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld en de bodemingreep groter dan 2.500 m2.


De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Binnen de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden hoeft er geen archeologisch onderzoek plaats te vinden indien de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 1.000 m² of de grootte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² en de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak.


Gebiedsaanduidingen

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' is het verboden de grond te roeren inclusief het verrichten van grondboringen of heiwerkzaamheden dieper dan 80 meter beneden het maaiveld. Daarnaast mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kernrandzone' geen uitbreiding plaatsvinden van de bestaande intensieve veehouderij. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - openheid' geldt dat de openheid van het landschap zoveel mogelijk behouden dient te worden en waar mogelijk verstrekt. Tot slot geldt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke elementen' dat de landschappelijke elementen (zoals nader aangegeven op de kaarten met Landschappelijke elementen) zoveel mogelijk behouden dienen te worden.


afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0010.png"  
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' (plangebied rood omlijnd)  

Hoofdstuk 4 Onderzoek

Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 bodem

Algemeen

Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van een woning (gevoelige functie) dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is.

Onderzoek

Binnen de vigerende bestemmingsplannen kent het plangebied de bestemmingen 'Bedrijf', 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'. In de toekomstige situatie worden de gronden echter gedeeltelijk gebruikt voor woondoeleinden (een woonbestemming) en voor een landschappelijke inpassing. Deze functiewijziging voorziet zodoende in een milieugevoeligere functie dan reeds is toegestaan. Zodoende moet worden onderzocht of de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.


In het kader van voorliggend bestemmingsplan is derhalve door Econsultancy een verkennend land- en waterbodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2. Hieronder worden de bevindingen uit dit onderzoek weergegeven. Voor een verdere onderbouwing wordt verwezen naar de separate rapportage.


Resultaten verkennend bodemonderzoek

De grond binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit zand. Plaatselijk zijn in de ondergrond leemlagen aangetroffen. Ter plaatse van de huidige opritten binnen het plangebied zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen als puin, baksteen, beton en asbest. Ook is onder de oprit (plaatselijk) een laag stol aangetroffen.


Grond

Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PCB's. De ondergrond
is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. De hoogte van de aangetroffen concentratie PCB is dusdanig laag, dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.


Grondwater

Het grondwater is licht verontreinigd met barium en nikkel. De hoogte van de aangetroffen concentratie PCB is dusdanig laag, dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.


Resultaten waterbodemonderzoek

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen water waargenomen binnen de sloot die momenteel aanwezig is binnen het plangebied. De waterbodem bestaat uit zwak tot matig humeus, matig siltig, zeer fijn zand, waarin plaatselijk in matige mate gleyverschijnselen zijn aangetroffen. Een sliblaag is niet aangetroffen.


In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. De sliblaag is licht verontreinigd met minerale olie. Bij toepassing op landbodem is het slib toepasbaar als industriegrond, bij toepassing onder water voldoet het slib aan de klasse A. Op aangrenzende percelen is het slib vrij verspreidbaar.


Resultaten verkennend onderzoek asbest

Onder de oprit die momenteel aanwezig is binnen het plangebied is in zowel de puinhoudende laag, als de bodemlaag met stol asbesthoudend materiaal aanwezig. Het materiaal is aangetroffen in zowel de fractie >20 mm als in de fractie <20 mm. De totaal gewogen concentratie asbest in de puinlaag bedraagt 75 tot 128 mg/kg d.s. Het totaal gewogen concentratie asbest in de bodemlaag met stol bedraagt 92 mg/kg. Omdat in voor zowel de puinlaag als in de bodemlaag met stol meer dan 50 mg/kg d.s. asbest is aangetoond, dient conform de NEN 5707 (bodem) als de NEN 5897 (puin) een nader onderzoek asbest uitgevoerd te worden.


Nader onderzoek asbest in bodem en puin

Conform bovenstaande bevindingen is in het kader van onderhavig plan een nader onderzoek aspect in bodem/puin uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3. Het nader onderzoek asbest in bodem/puin is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond" en de NEN 5897+C1:2016 "Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat".


Op basis van de onderzoeksresultaten uit dit onderzoek wordt gesteld, dat er géén aanleiding bestaat tot het saneren van de volledige laag metselpuin, de volledige puinlaag, de volledige laag grof puin en de bodem met betrekking tot de parameter asbest aangezien de verschillende puinlagen en de bodem niet verontreinigd zijn met asbest. Enkel is er zeer plaatselijk analytisch (fractie < 20 mm) nog asbest in de zintuiglijk aangetroffen puinlaag aangetroffen. Echter de aangetroffen gehalten aan asbest komen nergens boven de toetswaarde uit. In geval van (grond)werkzaamheden behoeven ten aanzien van de parameter asbest, met uitzondering van mobiel zeven, geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

Conclusie

In overeenstemming van de bovenstaande bevindingen vormt de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

4.1.2 Geluid

Algemeen

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.


In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.


Onderzoek

Het plangebied grenst aan de Heverstraat en Hubertstraat. Voor deze wegen geldt een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. In navolging van de Wet geluidhinder artikel 74, lid 2, onder a is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai zodoende niet noodzakelijk.


Conclusie

In het kader van de Wet geluidhinder vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de Heverstraat en Hubertstraat geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

4.1.3 Luchtkwaliteit

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • b. Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.


Het Besluit NIBM

De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.


Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.


De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.


Regeling NIBM

Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

  Minimaal 1 ontsluitingsweg   minimaal 2 ontsluitingsweg  
  3%-norm   3%-norm  
Woningen (maximaal)   1500   3000  

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van één woning, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.


Achtergrondwaarden

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2018 ter plaatse tussen de 12 en 14 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie.


Conclusie

Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een extra verkeersaantrekkende werking, gezien het gaat om de sloop en herbouw van één woning.

4.1.4 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Beleid

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden.


Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.


Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.

(Beperkt) kwetsbare objecten


Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is een kwetsbaar object conform artikel 1, van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist.


Toetsing

Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van op-slag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.


Op de onderstaande afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het plangebied weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0011.png"  
Uitsnede Risicokaart Nederland met globale aanduiding plangebied (blauw omlijnd).  


Risicovolle bedrijvigheid

In de directe omgeving van het plangebied ligt geen risicovolle bedrijvigheid. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer ten noorden van het plangebied en betreft de inrichting 'Manege De Leistert' aan de Leistertweg 2 te Roggel. Het gaat ook hierbij om een bovengrondse propaantank. De inrichting kent hierdoor een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 20 meter. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Volgens de Risicokaart Nederland is er geen invloedsgebieden vastgesteld voor de bovengenoemde inrichting. Daarnaast zorgt onderhavige ontwikkeling niet voor een toename in de bevolkingsdichtheid (gezien de sloop en herbouw van één woning). Derhalve wordt geen rekenkundige invloed uitgeoefend op het groepsrisico.

Risicovol transport over wegen

In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen wegen, waarvoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtstbijzijnde weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt betreft de N262 Maasbree - Roggel. Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van deze wegen zich bevindt op de weg zelf en dat de overschrijdings-factor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van de N262 vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.


Risicovol transport over spoorwegen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen op meer dan 4,2 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Gezien deze afstand vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de spoorweg geen belemmering.


Risicovol transport buisleiding

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op meer dan 4,3 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied. Gezien deze afstand vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze buisleiding geen belemmering.


Risicovol transport over waterwegen

In de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport plaats over waterwegen.


Conclusie

Vanuit het aspect 'externe veiligheid' bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.5 Milieuzonering

Algemeen

Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daar-om gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd).


Toetsing

Op een afstand van circa 38 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een brandweerkazerne. Binnen de VNG-brochure omschrijving 'Brandweerkazernes' onder SBI-code 8425 geldt voor deze activiteit milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter. De beoogde nieuwe woning is gele-gen binnen de richtafstand (50 meter) voor de brandweerkazerne. Het aspect geluid waarvoor deze richtafstand geldt zal grotendeels worden veroorzaakt door het uitrukken van brandweerwagens. Inrichtingen waar motorvoertuigen uitrukken voor ongevallenbestrijding, brandbestrijding en bergingswerkzaamheden vallen onder het Activiteitenbesluit. Het uitrukken van brandweerwagens is vergelijkbaar met dat van politie en ambulance. In artikel 2.22 lid 1uit het Activiteitenbesluit milieubeheer is aangesloten bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Deze handreiking is in 2001 via een brief van het ministerie van VROM aangevuld met het onderwerp maximale geluidniveaus bij ongevallenbestrijding. Hierdoor geldt een apart regime voor ongevallenbestrijding. Het geluid door het uitrukken van deze diensten blijft bij het bepalen van het maximale geluidsniveau buiten beschouwing.


Daarnaast dient vermeld te worden dat het een relatief kleine brandweerkazerne betreft met een oppervlakte van circa 230 m2. Gezien het oppervlak van de brandweerkazerne is de verkeersaantrekkende werking van deze inrichting beperkt. Naast het uitrukken van de brandweer bij incidenten vinden er geen activiteiten plaats op het terrein van de brandweerkazerne. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de brandweerwagens enkel uitrukken met zwaailichten. De brandweerwagens gebruiken de sirenes uitsluitend bij druk verkeer om de doorgang te bevorderen. De afwijking van de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vermelde afstand van 50 meter tot de woning wordt derhalve aanvaardbaar geacht.


Daarnaast ligt op een afstand van circa 86 meter ten noordwesten van het plangebied een bedrijfsperceel, waarop een tuincentrum is gelegen. Binnen de VNG-brochure omschrijving 'Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten' onder SBI-code 4752 geldt voor deze activiteit milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. De ligging van het tuincentrum ten opzichte van het plangebied (beoogde woning) heeft zodoende geen belemmerende werking.


De bovenstaande afstanden zijn gemeten op basis van de gevel van de toekomstige woning en de perceelgrens van de bedrijfsbestemming. Op de onderstaande afbeelding is de positie van de bovengenoemde bedrijvigheid ten opzichte van het plangebied zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0012.png"  
Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied (blauw omlijnd) en omliggende bedrijvigheid (rood omlijnd)  


Conclusie

Het aspect 'milieuzonering' vormt naar aanleiding van bovenstaande bevindingen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.6 Geur

Algemeen

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.


Toetsing

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen. Binnen de gemeente Leudal geldt met betrekking tot het aspect geurhinder de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017'. Het plangebied wordt hierbinnen aangemerkt als onderdeel van de 'kern' en 'kenrandzone' van Roggel (zie onderstaande afbeelding). Uit een vergelijking van de achtergrondbelasting 2007 met die van juli 2016 blijkt dat het woon- leefklimaat in de meeste gebieden (kernen, kernrandzones, buitengebied) is verbeterd of op hetzelfde peil is gebleven. Alleen in de kern Ell, Heibloem, Haler en Kelpen-Oler is de achtergrondbelasting in lichte mate toegenomen. In 2016 is de gemiddelde achtergrondbelasting in de 'kernen' berekend op 0,06 tot 7,5 odour units en de 'kernrandzones' op 3,5 odour units. Aangezien het plangebied onderdeel uitmaakt van de kern en kernrandzone van Roggel kan er gesproken worden over een zeer goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP20RoHeverstraat8-ON01_0013.png"  
Zonering Roggel middels 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017' (rode omlijning plangebied)  


Conclusie

Aangezien wordt voldaan aan de toegestane geurbelasting en wordt voldaan aan de vaste afstand ten opzichte van de in de nabijheid gelegen veehouderijen, is nader onderzoek naar het aspect geur niet noodzakelijk. Voor wat betreft het aspect geurhinder zal in de woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect 'archeologie' in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:

  • De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;
  • Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.


De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.


Binnen de vigerende bestemmingsplannen 'Woonkern Leudal 2017' en 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' is voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' en 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Wanneer er verstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld plaats vinden en de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 moet een rapport worden overlegd, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Binnen de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden hoeft er geen archeologisch onderzoek plaats te vinden indien de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 1.000 m² of de grootte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² en de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak. Het bouwvlak van de beoogde woning is volledig buiten de dubbel-bestemming 'Waarde - Archeologie 5' gelegen.


Bij de beoogde bouwplan zal de bovenstaande grenswaarden niet overschreden worden. Zodoende is een nader archeologisch onderzoek binnen het plangebied niet noodzakelijk.


Cultuurhistorie

Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. De 'Heverstraat' en 'Hubertstraat' worden wel beide aangeduid als een 'andere weg ouder dan 1806'. De ontwikkeling oefent echter geen invloed uit op het verloop en profiel van de Heverstraat en Hubertstraat.


Conclusie

Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Ecologie

Algemeen

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebieds-bescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).


Gebiedsbescherming

Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming

De Wet Natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningplichtig.


Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL2014 welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuur-gebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.


Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het plangebied niet gelegen in of in de directe nabijheid van beschermingszones natuur en landschap. Ook ligt het plangebied niet binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt geheel buiten de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. De dichtstbijzijnde provinciale groenstructuur betreft een Goudgroene natuurzone 150 meter ten oosten van het plangebied. Door de ontwikkeling worden er geen wezenlijke kenmerken of waarden aangetast van de provinciale groenstructuur. De ontwikkeling voorziet niet in sloop van bestaande bebouwing, het verwijderen van beplanting of nieuwbouw. De ontwikkeling heeft hierdoor geen invloed op planologische beschermde gebieden.


Soortenbescherming

Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.


Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet Natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn).


Op de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten ('categorie 1-4 soorten') zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen ('categorie 5-soorten'). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld.


Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage van de quickscan is opgenomen in Bijlage 4. In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep (bouw van de woning) afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd.


Gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "Leudal", bevindt zich op circa 870 meter afstand ten zuiden van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten, waaronder lichthinder en geluidhinder op voorhand uitgesloten. Daarnaast dient in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanlegfase (Bijlage 5) en gebruiksfase (Bijlage 6). Hieruit is gebleken dat binnen alle twee de fases geen sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in de omliggende natuurgebieden.


Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit net-werk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone. Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd.

Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 870 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.


Soortbescherming

De sloop van de bebouwing binnen het plangebied Heverstraat 8 kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, gierzwaluw en/of huismus, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie nest- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september. Een vervolgonderzoek naar gierzwaluwen valt binnen de onderzoeksperiode van vleermuizen. Een onderzoek naar de huismus begint echter al eerder en loopt van april tot half mei.


Het vervolgonderzoek omtrent de huismus, gierzwaluw en vleermuis is nog niet afgerond. Tot zover zijn enkel paarverblijfplaatsen en (massa)winterverblijfplaatsen van een vleermuizensoort uitgesloten. Indien een nest- of verblijfplaats wordt aangetroffen dient voor de sloop een ontheffing te worden verkregen. Normaliter kan een dergelijke ontheffing zonder problemen verkregen worden. De haalbaarheid van het project zal door de ecologische vervolgonderzoeken redelijkerwijs niet in het geding komen. Aangezien het volledige vervolgonderzoek omtrent de huismuis, gierzwaluw en vleermuizen nog niet is afgerond is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen binnen onderhavig bestemmingsplan. Deze ziet erop toe dat de bestaande bebouwing enkel gesloopt mag worden, wanneer vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden naar het daadwerkelijk voorkomen van de vleermuizen, huis-mussen en gierzwaluwen. Bij aanwezigheid moeten daarnaast de noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding zijn genomen en/of moet een verleende ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming kunnen worden overlegd met het bevoegd gezag.


Houtopstanden

Aangezien er alleen erfbeplanting verwijderd wordt en het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.


Conclusie

Om te waarborgen dat er het gehele vervolgonderzoek wordt uitgevoerd is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting bepaalt dat de sloop van bestaande gebouwen binnen het plangebied pas mag plaatsvinden, nadat vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden naar het daadwerkelijk voorkomen van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen binnen het plangebied. Tevens moeten daarnaast, indien nodig, de noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding van de vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen zijn genomen. De sloop van de bebouwing is ook mogelijk indien afschriften van een verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming kunnen worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Middels deze voorwaardelijke verplichting wordt het aspect 'ecologie' in voldoende mate gewaarborgd binnen voorliggend planvoornemen.

4.4 Leidingen en infrastructuur

Binnen (of in de directe omgeving van) het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.

4.5 Verkeerskundige aspecten

Verkeer

Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in de sloop van de reeds bestaande woning binnen het plangebied en nieuwbouw van één woning op het zelfde perceel. Derhalve is er geen sprake van een extra verkeersaantrekkende werking. Daarnaast vindt er tevens een vermindering in verkeerplaats, omdat de bestemming 'Bedrijf' komt te vervallen en mogelijke bedrijfsmatige verkeersaantrekkende activiteiten zodoende niet meer zijn toegestaan.


Parkeren

Conform de 'Nota parkeernormen' van de gemeente Leudal zorgt onderhavige ontwikkeling voor een parkeerbehoefte van 2,7 parkeerplaats, wanneer wordt uitgegaan van de categorie 'koop vrijstaand' en ligging binnen de 'rest kom'. Gezien de omvang en ruimte opzet van onderhavig plan zal worden voorzien in 3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

4.6 Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de ken-merken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.


In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.


Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.


Nationaal:

  • Nationaal Waterplan;
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.


Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021.


Beleid waterschap

Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water.

In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.


Brochure 'Regenwater schoon naar beek en bodem'

In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen.


Kenmerken van het watersysteem

Grondwater en waterkwaliteit

Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn.


Oppervlaktewater

In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied.


Hemel- en afvalwater

Het afvalwater wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. De voorgenomen ontwikkeling is beperkt van omvang en heeft derhalve geen zwaarwegend effect (extra overstort of vuillast) op het bestaand rioolstelsel. Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater.

Het regenwater zal in géén geval afgegeven mogen worden op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Waterschap Limburg streeft ernaar op bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en binnen het plangebied te verwerken. Conform de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019) geldt de norm dat 100mm (per 24 uur) per m2 verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. De verwachtte bergingsopgave voor het beoogde planvoornemen betreft derhalve in totaal (1.150 m2 x 0.1* =) 115 m3.

Aan de zuidzijde van het perceel, langs de Heverstraat, is een wadi voorzien van circa 145 m2 met een diepte van circa 60cm en een talud 1:2. De bergingscapaciteit van deze wadi is hierdoor circa 72 m³. Gezien de ruimte die beschikbaar is binnen het plangebied wordt de overige bergingscapaciteit (43 m3) elders binnen het plangebied ondergebracht. Op deze manier is er voldoende capaciteit om het hemelwater op eigen terrein te bergen.

Op de plek waar de nieuwe woning is voorzien ligt een afwateringsloot van het Waterschap Limburg. Het waterschap heeft aangegeven dat deze sloot geen functie meer heeft. Voor gemeente Leudal heeft de sloot echter nog een overstort functie. De sloot wordt derhalve behouden, maar wel verlegd en ondergrondse aangebracht binnen het plangebied.


Overleg waterbeheerder

Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Aangezien de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak minder zal bedragen dan 2.000 m² en er voor het overige geen waterschapsbelangen in het geding zijn, hoeft het bestemmingsplan niet aan het waterschap te worden voorgelegd.


Conclusie

Als gevolg van de realisatie van de woning treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.7 M.e.r.-beoordeling

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt.


In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. De beoogde ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.


De realisatie van de woning valt in het beginsel wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Echter op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:694) blijkt dat niet bij alle ontwikkelingen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als 'aard', 'omvang', 'schaalgrootte', 'ligging' en 'voorgenomen functie' van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol.

Conclusie

Ten aanzien van de genoemde aspecten heeft de beoogde ontwikkeling een relatief beperkte omvang en schaalgrootte. Onderhavige ontwikkeling voorziet immers in de realisatie van één woning. Op de gronden waar de nieuwe woning is voorzien is reeds een bakkerij en bedrijfswoning gelegen, welke in de toekomstige situatie geamoveerd zullen worden. In de toekomstige situatie neemt het ruimtebeslag derhalve af. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving (zie paragraaf 4.1 tot en met 4.5). Gezien de aard, schaalgrootte en milieugevolgen is er binnen onderhavig geval geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is dan ook geen sprake van het opstellen van een milieueffectrapport voor onderhavige ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Planstukken

5.1 Planonderdelen

Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding.


De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.


De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken.


De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.


Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Tot slot dient het bestemmingsplan te voldoen aan de criteria van het 'Handboek ruimtelijke plannen Leudal 2019'.

5.2 Toelichting op de verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Op de analoge verbeelding wordt door middel van matrices per bestemming specifieke informatie weergegeven.

5.3 Toelichting op de planregels

De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

5.3.1 Inleidende regels

De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten.


Begrippen

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.


Wijze van meten

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

5.3.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam-heden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.


Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.


De regels van onderhavig bestemmingsplan zijn afgestemd op de regeling van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Echter is op de aspecten maximaal aantal m2 bebouwing (480 m2), bouwhoogte (5 meter en plaatselijk 7 meter), ondergrondse bouwwerken (maximum oppervlak conform bouwvlak), dakvorm (vervallen eis hoofdgebouw afgedekt met een kap), bestemming 'Agrarisch met waarden' (vervallen gebruik tuinen, erven en terreinen) maatwerk van toepassing.


De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.


De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.


Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht.

'Agrarisch met waarden'

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische functie met natuur- en landschapswaarden, alsmede agrarisch grondgebruik en het behoud en herstel van de aan het gebied eigen zijnde landschapswaarden. Daarnaast mogen de gronden gebruikt worden voor een landschappelijke inpassing, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen en wegen en paden.


'Wonen'

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend vrijstaande en vrijstaand geschakelde woningen zijn toegestaan. Daarnaast is bewoning als afhankelijke woonruimte, voor zover het in het hoofdgebouw en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken betreft toegestaan. Tevens zijn de voor 'Wonen' aangewezen gronden bestemd voor een bedrijf aan huis en beroep aan huis. Tot slot zijn daarbij behorende groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, erven, terreinen, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen en (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen toegestaan.


'Waarde - Archeologie 5'

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.


'Waarde - Archeologie 6'

De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

5.3.3 Algemene regels

In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels.


Anti-dubbeltelregel

In de antidubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.


Algemene bouwregels

In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen, bestaande afstanden en maten en infiltratie van hemelwater. Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van het aantal noodzakelijk aan te leggen parkeerplaatsen bij bouwen, uitbreiden of verbouwen van gebouwen.


Algemene gebruiksregels 

In deze algemene gebruiksregels wordt gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijvingen uit de afzonderlijke bestemmingen als strijdig gebruik aangemerkt. Tevens is een regeling voor evenementen opgenomen.


Algemene afwijkingsregels

In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden.


Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan.


Algemene procedureregels

In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij een binnenplanse wijziging of het stellen van nadere eisen.


Overige regels

In deze regels zijn de voorrangsbepalingen voor bestemmingen opgenomen, wordt ingegaan op de consequenties van een overtreding van de gebruiksregels en wordt duidelijk gemaakt hoe overige wettelijke regelingen in relatie staan tot de regels in dit bestemmingsplan.

5.3.4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen.


Overgangsrecht

In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.


Slotregel

Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

Hoofdstuk 6 Handhaving

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelf-de wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden.


In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die - hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk - in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld. Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien.


In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen.


Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging.


Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.


Hoofdstuk 7 Haalbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente.


Het voorliggende initiatief heeft betrekking op één nieuwbouwwoning en is hiermee een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Daarnaast zal er een planschadeverhaalsovereenkomst worden afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Leudal. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg ex artikel 3.1.1.

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende bestemmingsplan zijn geen belangen van het Rijk, de provincie Limburg of het Waterschap Limburg in het geding. Overleg met deze partijen is dan ook niet noodzakelijk.


Inspraak

Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen.


Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro vanaf <dd maand jjjj> zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging is xxx zienswijze ingediend. Voor een weergave van de zienswijze en voor een inhoudelijke standpuntbepaling naar aanleiding van de zienswijze wordt verwezen naar de Nota zienswijzen, welke als bijlage bij het vaststellingsbesluit is gevoegd.


Hoofdstuk 8 Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan.


De procedure ziet er als volgt uit:

  • Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan;
  • Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
  • Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
  • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;
  • Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;
  • Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
  • Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State