direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Fietspad Heldenseweg Neer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De Heldenseweg geldt als een belangrijke ontsluiting in noordwestelijke richting, vanuit de kern Neer naar de N562/Roggelsedijk. De maximum snelheid is 80km/u en de weg is ingericht voor autoverkeer in twee rijbanen. Behalve voor autoverkeer is de Heldenseweg ook een belangrijke verbinding voor fietsverkeer. Zowel scholieren als toeristen maken gebruik van de Heldenseweg. Doordat fiets- en autoverkeer de rijbaan delen in combinatie met de geldende maximum snelheid onstaan onveilige situaties voor fietsers. Dit heeft de gemeente doen besluiten om te zoeken naar een veilige oplossing, welke gevonden is in het realiseren van een vrijliggend fietspad parallel aan de Heldenseweg. De gemeente Leudal heeft het nieuwe fietspad een hoge prioriteit gegeven en het project is inmiddels opgenomen als toonaangevend project in het provinciale Uitvoeringsplan Fiets. Als gevolg van de status in het kader van het provinciaal Uitvoeringsplan Fiets is medefinanciering door Provincie geborgd.

Inmiddels is een ontwerptraject doorlopen en is een variantenafweging gemaakt waarbij zowel gekeken is naar een variant aan de oost- als westzijde van de Heldenseweg. Op basis van de aanwezige landschappelijke elementen, planologische inpassing, grondposities en de technische uitvoerbaarheid is gemotiveerd gekozen voor realisatie van het fietstracé aan westelijke zijde.

Al vroeg in het proces is gebleken dat een herziening van het bestemmingsplan nodig is om het fietspad mogelijk te maken. Voor u ligt de toelichting, behorende bij het bestemmingsplan 'Fietspad Heldenseweg Neer'.

1.2 Begrenzing van het plangebied

Het plangebied beslaat een strook grond aan de westelijke zijde van de Heldenseweg, startend in de kern Neer op de kruising met de Houtgraven en eindigend bij de rotonde met de N562. Ten zuiden van de aantakking met de Schooldijk zit een onderbreking, even als de onder zijwegen Fort en Hoven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0001.jpg"

Afbeelding 1: begrenzing plangebied (rood) met aangrenzende wegen

1.3 Doel

Het doel van voorliggend bestemmingsplan is om de aanleg van een nieuw vrijliggend fietspad planologisch mogelijk te maken.

1.4 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied gelden de volgende plannen:

  • 1. bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016”
  • 2. beheersverordening 'Bedrijventerrein Neer'
  • 3. omgevingsvergunning 'Windpark De Kookepan te Neer'

Het overgrote deel van het plangebied ligt binnen het “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” met de volgende (dubbel)bestemmingen:

  • Agrarisch met waarden - 1
  • Natuur
  • Water
  • Verkeer
  • Leiding - Hoogspanningsverbinding
  • Waarde - Archeologie 5
  • Waterstaat - Waterlopen

Tevens gelden de volgende aanduidingen:

  • overige zone - bufferzone 1
  • overige zone - bufferzone 2
  • overige zone - landschappelijke elementen
  • overige zone - openheid
  • milieuzone - extensiveringsgebied intensieve veehouderij
  • vrijwaringszone - hoogspanningsverbinding
  • wetgevingszone - wijzigingsgebied 1

Strijdigheid met bestemmingsplan

Het plan voor een nieuw vrijliggend fietspad past niet binnen het geldende bestemmingsplan. De diverse enkelbestemmingen waarbinnen het fietspad is geprojecteerd bieden geen ruimte voor een fietsverbinding.

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige situatie en hoofdstuk 3 omschrijft de toekomstige situatie voor het plangebied. Hoofdstuk 4 behandelt het vigerend beleid op zowel rijks-, provinciaal-, regionaal- als gemeentelijke niveau. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van de relevante uitvoeringsaspecten en verantwoordt (al dan niet met behulp van uitgevoerde onderzoeken) de voorgenomen ingreep. Getoetst wordt of de ingreep voldoet aan de sectorale wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van bodem, akoestiek of externe veiligheid. De juridische planbeschrijving van dit bestemmingsplan is opgenomen in hoofdstuk 6. De maatschappelijke uitvoerbaarheid staat omschreven in hoofdstuk 7. De toelichting wordt afgesloten met een hoofdstuk waarin de economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt toegelicht.

Voorliggende toelichting vergezelt een set regels en een verbeelding die samen het juridische plan vormen. De toelichting dient ter onderbouwing / motivering van het plan. De onderzoeksrapporten die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd hebben betrekking op de ontwikkeling binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan Fietspad Heldenseweg Neer.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Omgeving plangebied

Het buitengebied ten noorden van Neer wordt gekenmerkt door afwisselend open agrarisch gebied en bosgebieden. Daar waar de Heldenseweg aansluit op de N562 liggen aan beide zijden van de weg aaneengesloten bosgebieden. Het middengedeelte van het fietspad ligt hoofdzakelijk in open agrarisch landschap. Richting Neer gaat de weg nogmaals door een bosperceel heen om uiteindelijk via een open agrarisch gebied aan te komen bij de rand van de bebouwde kom van Neer. De bebouwde kom van Neer begint met een bedrijventerrein en gaat via lintbebouwing uiteindelijk door tot aan de Napoleonsweg/N273 welke door Neer gaat.

2.2 Plangebied

Het plangebied betreft een strook grond van circa 13 meter aan de westzijde van de Heldenseweg. Momenteel is deze strook in gebruik als natuur, watergang en agrarisch bouwland. Op drie plaatsen wordt de strook onderbroken door wegen: Schooldijk, Fort en Hoven. De Heldenseweg is momenteel niet voorzien van fietsstroken, waardoor fietsverkeer gedwongen op de rijbaan moet. Het vrijliggende fietspad begint na de wegversmalling op de grens van de bebouwde kom en het buitengebied. Op afbeelding 2 is de huidige staat van de berm op de grens van Neer te zien. Hier is sprake van een grasberm, sloot en houtwal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0002.jpg"

Afbeelding 2: foto einde bebouwde kom Neer en startpunt voor fietspad.

Aan de zijde waar het tracé van het fietspad is geprojecteerd bevindt zich een brede berm met sloot. Het deel wat door open agrarisch landschap gaat is vrij van beplanting zoals zichtbaar in afbeelding 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0003.jpg"

Afbeelding 3: Kruising Heldenseweg - Fort

De laatste kilometer tot aan de rotonde met de N562 gaat het tracé door bosgebied en opgaande vegetatie. Tussen de bomenrij langs de Heldenseweg en het bos is een strook waarbinnen het fietspad is voorzien, zie afbeelding 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0004.jpg"

Afbeelding 4: laatste deel tracé tot aan de rotonde met de N562

Hoofdstuk 3 Nieuwe situatie

Hierna is een omschrijving van het initiatief opgenomen. Hierbij wordt opgemerkt dat de exacte ligging van het fietspad reeds is bepaald, waarbij rekening is gehouden met aanwezige bomen en waarden. De kap van bomen is zo beperkt mogelijk gehouden.

De gemeente Leudal hecht waarde aan een goede communicatie met haar inwoners. Direct belanghebbenden zijn derhalve, middels individuele overleggen, in het ontwerpproces betrokken. Aan de start van het ontwerptraject is een variantenafweging gemaakt waarbij zowel gekeken is naar een variant aan de oost- als westzijde van de Heldenseweg. Op basis van de impact op onderstaande aspecten is gemotiveerd gekozen voor realisatie van het fietstracé aan de westelijke zijde.

  • Landschappelijke elementen.
  • Planologische inpassing.
  • Grondposities.
  • Technische uitvoerbaarheid.

3.1 Ruimtelijk

De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het vrijmaken van een strook grond en het aanleggen van een nieuw vrijliggend fietspad. Voor de aanleg zijn c.q. worden stroken grond aangekocht waarop de aanwezige vegetatie verwijderd wordt. Bestaande sloten langs de Heldenseweg komen parallel langs het nieuwe fietspad te liggen. Op de strook tussen het fietspad en de Heldenseweg is deels een bestaande bomenrij, deels open berm met gras voorzien. Behorende bij het voorlopig ontwerp zijn een aantal principeprofielen opgesteld, zie afbeelding 6,7 en 8.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0005.jpg"

Afbeelding 5: uitsnede ontwerp fietspad met bosgebied (blauw), open gebied(oranje) en landgoed (groen)

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0006.jpg"

Afbeelding 6: principeprofiel ter plaatse van bosgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0007.jpg"

Afbeelding 7: principeprofiel ter plaatse van open gebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0008.jpg"

Afbeelding 8: principeprofiel ter plaatse van landgoed

3.2 Functioneel

Het nieuwe fietspad sluit aan de noordzijde aan op het bestaande fietspad langs de N562. De oversteekplaats en het kleine deel bestaand fietspad aan de noordzijde ter hoogte van de rotonde met de N562 komt te vervallen. De oversteekplaats over de N562 ten noorden van de rotonde komt ook te vervallen en de oversteekplaats ten zuiden van de rotonde wordt aangepast tot een oversteekplaats voor fietsverkeer in twee richtingen als aansluiting op het beoogde nieuwe fietspad. Ter plaatse van de kruising met de lokale wegen Fort en Hoven komt een oversteekplaats. Als bijlage 3 zijn situatietekeningen opgenomen.

Daar waar de bebouwde kom van Neer begint gaat het fietspad over in twee fietsstroken langs de doorgaande weg waar een maximum snelheid van 50 km/u geldt. Voor het fietsverkeer dat naar de andere zijde van de Heldenseweg moet wordt een oversteekplaats aangelegd.

De huidige sloten langs de Heldenseweg worden verlegd t.b.v. het nieuwe fietspad en komen aan de buitenzijde van het fietspad te liggen, zoals weergegeven in afbeeldingen 6,7 en 8. Het plan voorziet niet in verlichting langs het fietspad.

Hoofdstuk 4 Beleid

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. De SVIR is vastgesteld op 13 maart 2012.

Nederland moet concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig zijn in 2040. Dit is het uitgangspunt van de SVIR. Om dit te bereiken moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven gebracht. Provincies en gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en beleidsvrijheid (decentraal, tenzij) en de gebruiker komt centraal te staan. Het Rijk zet zich met name in op de drie hoofddoelen:

  • 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland.
  • 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.
  • 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Naast het benoemen van bovenstaande beleidsdoelen onderscheidt het Rijk 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken:

  • 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen (ketenmobiliteit en multimodale knooppunten);
  • 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
  • 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
  • 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Relevantie voor het plan

Het nieuwe fietspad langs de Heldenseweg kan worden gezien als een project dat bijdraagt aan de optimalisatie van infrastructuur. Het plan levert daarnaast een bijdrage aan een leefbare en veilige omgeving door het realiseren van een vrijliggend fietspad, los van de bestaande Heldenseweg waar 80 km / uur geldt. Fietsgebruik wordt gestimuleerd. Het plan sluit aan bij de in de SVIR opgenomen visie op de ontwikkeling van Nederland.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het gaat om de volgende nationale belangen:

  • 1. Rijksvaarwegen.
  • 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam.
  • 3. Kustfundament.
  • 4. Grote rivieren.
  • 5. Waddenzee en waddengebied.
  • 6. Defensie.
  • 7. Hoofdwegen.
  • 8. Landelijke spoorwegen.
  • 9. Elektriciteitsvoorziening.
  • 10. Ecologische Hoofdstructuur.
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament.
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en,
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Relevantie voor het plan

De regels uit het Barro zijn niet van toepassing op dit bestemmingsplan, behoudens de regels met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (Natuurnetwerk Nederland). In paragraaf 5.3 wordt hier nader op ingegaan.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 in het Bro opgenomen. Medio 2017 is de ladder op een beperkt aantal onderdelen inhoudelijk gewijzigd. Nog steeds dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen op basis van deze ladder te worden gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het plangebied ligt.

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Relevantie voor het plan

De beoogde ontwikkeling betreft de aanleg van een nieuw vrijliggend fietspad langs de Heldenseweg tussen de kern Neer en de Heldensedijk(N562). Als eerste wordt bepaald of een ontwikkeling aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling. Hoewel de ligging van het plangebied volledig in het buitengebied is, wil dit niet vanzelfsprekend betekenen dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro wordt een stedelijke ontwikkeling als volgt omschreven: "...ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.". Een nieuwe ontwikkeling in het buitengebied kan een stedelijke ontwikkeling zijn. Om uit te sluiten dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt teruggegrepen op uitspraken omtrent dit begrip van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In ieder geval niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling zijn: een weg (ECLI:NL:RVS:2015:448 van 18 februari 2015), een busbaan (ECLI:NL:RVS:2015:2929 van 16 september 2015) en een hoogspanningsverbinding (ECLI:NL:RVS:2016:465 van 24 februari 2016). De aanleg van een fietspad is een minder aangrijpende ingreep dan voorgenoemde ontwikkelingen en dan ook niet aangemerkt kan worden als stedelijke ontwikkeling.

4.1.4 Conclusie rijksbeleid

De aanleg van een nieuwe fietspad langs de Heldenseweg leidt niet tot strijdigheid met de voornoemde nationale beleidsdoelen.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014)

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan 2014 vastgesteld. Het POL2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), provinciaal verkeer- en vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).

De centrale ambitie in het POL2014 komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.

Belangrijke principes in het omgevingsbeleid van de provincie Limburg zijn de volgende:

  • 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
  • 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop de provincie samen met partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat wil realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De Provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.
  • 3. In het nieuwe POL wordt op basis van omgevingskwaliteiten een zonering gemaakt van acht soorten gebieden, variërend van stedelijk gebied tot beschermd natuurgebied. Daarnaast zijn sectorale (beschermings)gebieden als gebiedsaanduiding opgenomen.

Zonering plangebied

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL2014 zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is gelegen in een aantal zones.

Het plangebied ligt grotendeels binnen de zone 'Buitengebied'. Kleinere delen maken onderdeel uit van de 'Goudgroene natuurzone' en 'Bronsgroene landschapszone'. De 'Goudgroene natuurzone' betreft gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis (zoals de Natura2000-gebieden). Beleidsaccenten zijn:

  • Realisatie areaaluitbreiding natuur;
  • Recreatief medegebruik;
  • Terugdringen milieubelasting.

De 'Bronsgroene landschapszone' omvat de beekdalen en het winterbed van de Maas met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Het beleid is gericht op:

  • Kwaliteit en functioneren regionaal watersysteem;
  • Ontwikkeling landbouw in balans met omgeving;
  • Versterken kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie;
  • Recreatief medegebruik.

De als 'Buitengebied' aangemerkte gebieden betreffen alle andere gebieden die veelal agrarisch in gebruik zijn. Binnen deze zone is ruimte voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De accenten voor dit gebied liggen bij:

  • Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw;
  • Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw;
  • Kwaliteit en functioneren ondergrond.

Relevantie voor het plan
De aanleg van een vrijliggend fietspad tussen Neer en de N562 leidt tot een gewenste verbetering van de verkeersveiligheid van schoolgaande fietsers en fietstoerisme. Zowel beleving van het landschap als verbetering van de verkeersveiligheid sluiten aan bij de belangrijkste principes 'Kwaliteit staat centraal' en 'Uitnodigen staat centraal'.

Een deel van het plangebied valt samen met de 'Goudgroene natuurzone'. Voor deze verwijderde natuur dient, in overleg met de gemeente en provincie, elders compensatieruimte gezocht en ingericht te worden. De verdere uitwerking van de compensatie is uitgewerkt in paragraaf 5.3.

De rest van het plangebied valt samen met de zonering 'Buitengebied'. De beoogde ontwikkeling van een nieuw vrijliggend fietspad heeft geen noemenswaardige invloed op ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijfslocaties, terugdringen milieubelasting vanuit landbouw of de kwaliteit en functioneren ondergrond. Daarbij wordt gesteld dat het vrijliggende fietspad onderlinge hinder tussen fietsers en landbouwverkeer weg neemt.

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden.

Het plangebied bevindt zich in zowel de goudgroene natuurzone (NNN) als de overige door de provincie Limburg aangewezen beschermde gebieden zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0009.jpg"

Afbeelding 9: uitsnede kaart 4, beschermingszones natuur en landschap

Goedgroene natuurzone

De Goudgroene natuurzone is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en (veelal om te vormen) landbouw gebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Binnen de Goudgroene natuurzone in Limburg worden de volgende situaties onderscheiden:

  • de bestaande bos- en natuurgebieden (waaronder de Habitat-, Vogelrichtlijn gebieden en Natuurbeschermingswet 1998 gebieden);
  • areaaluitbreidingen natuur (waar omzetting van landbouw naar natuur is voorzien);
  • gebieden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (alleen binnen Natura2000); en
  • overige functies, die geen natuur zijn of worden, zoals wegen die door het gebied lopen en verspreide bebouwing, vaak agrarische bedrijven (de zgn. bouwblokken) of kloosters.

De Goudgroene natuurzone wordt door de verordening beschermd tegen ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dat wil niet zeggen dat er nooit iets anders kan binnen de Goudgroene natuurzone dan natuurontwikkeling. Er zijn uitzonderingen mogelijk.

Bronsgroene landschapszone

De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. In de omgevingsverordening staat opgenomen dat "De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.".

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0010.png"

Afbeelding 10: uitsnede kaart 8, milieubeschermingsgebieden

Stiltegebied

Het noordelijke deel van het plangebied ligt in een stiltegebied. Het beleid van de provincie Limburg richt zich voornamelijk op de beperking van het gebruik van motorvoertuigen met verbrandingsmotoren en overige lawaaiige apparaten. Het beoogde vrijliggende fietspad is kort langs de Heldenseweg gelegen en betreft een inrichting die openstaat voor motorvoertuigen. Het doel van het fietspad is enkel het verbeteren van de verkeersveiligheid en faciliteerd geen extra verkeer.

Het plangebied is verder niet gelegen binnen overige milieubeschermingsgebieden.

Relevantie voor het plan
Betreffende de bronsgroene landschapszone is de aanleg van het fietspad geen direct negatieve invloed op de kernkwaliteiten. Daar waar het landschap uit bebossing bestaat, wordt enkel de ruimte voor het fietspad vrij gemaakt en daar waar het landschap open is, wordt enkel een fietspad aangelegd zonder extra beplanting. Daarbij voorziet het nieuwe fietspad in een nieuwe en vooral veiliger wijze voor het beleven van de gebieden die vallen in de bronsgroene landschapszone.

In paragraaf 5.3 van deze toelichting en de rapportage in bijlage 1 wordt ingegaan op de ligging binnen de goudgroene natuurzone. In de planvorming is hier verder rekening mee gehouden. Het voorgaande staat de planvorming en de aanleg van het fietspad niet in de weg.

4.2.3 Provinciaal Beleidsplan Fiets 2014-2022

Het steeds meer toegenomen gebruik van de fiets en het toenemen van de leeftijd waarop men fietst, in combinatie met snelle intrede van elektrisch aangedreven fietsen, heeft de provincie er toe gezet om samen met een dozijn partijen nieuw provinciaal fietsbeleid op te stellen. Het resultaat is het Provinciaal Beleidsplan Fiets 2014-2022. Dit plan en dit samenwerkingsverband is een begin en een kans om deze ingeslagen weg voort te zetten. Vele sectoren hebben op de een of andere manier het fietsen en alles er omtrent in hun portefeuille. Dit heeft Provincie Limburg meegenomen in het formuleren van haar fietsambitie en de verdere uitwerking van dit Beleidsplan Fiets.

Het Beleidsplan Fiets biedt de kaders om de relevante projecten te inventariseren en te prioriteren. Na vaststelling van dit plan is het Uitvoeringsprogramma Fiets, als afgeleide van dit Beleidsplan Fiets, opgesteld.

Uitvoeringsprogramma Fiets 2016-2019

In het uitvoeringsprogramma staan 33 toonaangevende projecten voor de periode 2016-2019 in de gehele provincie Limburg. Project 20 is de aanleg van een vrijliggend fietspad langs de Heldensedijk (N562) tussen Neer en Helden. Voorliggende ontwikkeling heeft als doel om de veiligheid voor fietsers vanaf Neer tot aan de Heldensedijk (N562) te verbeteren.

Relevantie voor het plan

Het nieuwe fietspad langs de Heldenseweg is één van de toonaangevende projecten van het uitvoeringsprogramma Fiets 2016-2019.

4.2.4 Conclusie provinciaal beleid

De aanleg van een nieuwe fietspad langs de Heldenseweg leidt niet tot strijdigheid met de voornoemde provinciale beleidsdoelen.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Het oog van Midden-Limburg

Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg

De stuurgroep Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg (GOML) heeft de uitgangspunten voor de toekomstige regionale samenwerking vastgesteld. Het gebied Midden-Limburg omvat de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert. De eerste stap voor de ontwikkeling van het gebied was het opstellen van een gezamenlijke visie waarin de ambitie van de regio Midden-Limburg voor de komende jaren is opgenomen. Deze Regiovisie 2008-2028 kreeg de naam mee: 'Het oog van Midden-Limburg'. De gebiedsvisie van de Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg richt zich op het creëren van Sterke Steden en Vitaal Platteland.

Het platteland in Midden-Limburg ondergaat een transformatie. In de landbouw is sprake van schaalvergroting en een verdere professionalisering. De intensieve landbouw is een vitale, toekomst bestendige economisch tak van formaat. De extensieve landbouw ontwikkelt zich, maar stuit op grenzen van beleid en regelgeving. Nieuwe economische dragers dienen zich aan. Het buitengebied wordt in toenemende mate een 'groene ruimte' waarin de functies wonen, werken, landschap, natuur en recreatie nauw verweven zijn. De transformatie van het platteland vraagt om nieuwe condities (ontsluiting, inpassing, ruimte voor groei). De uitdaging: ervoor zorgen dat de verschillende functies elkaar versterken, zodat de economische vitaliteit, ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het platteland behouden blijft.

Leudal

De centrale ligging van Leudal maakt dat het profiteert van bijna alle ontwikkelingen die worden voorgesteld in de regiovisie. Gelegen aan de Maasplassen liggen er volop kansen om recreatieve en toeristische activiteiten te ontwikkelen en deze te verbinden met het natuurgebied Leudal en het te ontwikkelen regiopark.

Conclusie
De aanleg van een nieuw vrijliggend fietspad langs de Heldenseweg draagt bij aan het toeristische fietsnetwerk en zorgt voor een veilige fietsverbinding vanaf de N562 tussen Helden en Roggel en de kern Neer. Ook voor scholieren is de Heldenseweg een belangrijke verbinding en door middel van een nieuw vrijliggend fietspad wordt de veiligheid sterk verbeterd. Derhalve kan gesteld worden dat de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid op het platteland door middel van een gerichte ingreep een flinke verbetering krijgt. Voorliggend plan voor een nieuw vrijliggend fietspad sluit aan op het geldende regionale beleid.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Leven in Leudal, Strategische Overallvisie 2020

De gemeente Leudal bestaat sinds 1 januari 2007. De toekomstvisie 'Leven in Leudal, Strategische Overallvisie 2020' (vastgesteld d.d. 11 december 2007 en aangepast in maart 2014) dient als handvat om (maatschappelijke, landelijke, regionale) ontwikkelingen in het perspectief van Leudal te plaatsen, maar ook om keuzes te maken in haar beleid. In de visie staan de thema's ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid, sociale samenhang en duurzaamheid centraal.

Dorpen met een eigen identiteit
De gemeente legt de focus op de vitaliteit en het zelfsturend vermogen van de afzonderlijke dorpen. Leudal heeft nu een duidelijke eigen identiteit in de regio en daarbuiten.

Veranderende rol van de gemeente
Het initiatief komt meer bij de burger te liggen. De gemeente heeft een ondersteunende rol voor de burgers en bedrijven en zorgt voor haar kerntaken zoals veiligheid, sociaal vangnet en toezicht op de naleving van de regels. Nieuwe taken liggen op het gebied van zorg, arbeidsdeelname en jeugd en zullen zo veel mogelijk door en met organisaties en burgers uit de gemeente worden opgepakt. De gemeente werkt hierbij samen met de omliggende gemeenten in Midden-Limburg.

Veranderende samenstelling van de bevolking
In verband met de vergrijzing zal de gemeente in gesprek gaan met haar inwoners over de veranderingen die er aan zitten te komen en wat men er gezamenlijk tegenover kan stellen. De gesprekken zullen gaan over gemeenschapsaccommodaties, sportinrichtingen, scholen, wonen, zorg en werkgelegenheid. Aan de hand van de gesprekken wordt de koers bepaald en worden afspraken gemaakt.

Dynamisch
De strategische visie is een dynamisch document waar de gemeenteraad naar aanleiding van gesprekken aanscherpingen en accenten kan aanbrengen. De visie geeft hierdoor meer sturing aan haar dienstverlening aan de burger en aan de komende veranderingen in de Leudalse gemeenschap.

Ontwikkelingen/trends
Voor de ontwikkelingen is in de aangepaste visie de koers bepaald en zijn nieuwe of specifieke opgaven geformuleerd. Voor het buitengebied is het van belang om ruimte voor natuur en recreatie zo veel mogelijk in onderlinge samenhang te ontwikkelen. De land- en tuinbouw zijn en blijven van groot belang voor Leudal. Er is sprake van schaalvergroting en een grote terugloop van het aantal bedrijven. Er wordt voor de komende periode een halvering van het aantal bedrijven verwacht. Leudal kan inspelen op ontwikkelingen door innovatie gericht op het terugdringen van de milieubelasting van niet-grondgebonden bedrijven en het ondersteunen van biologische productie. Kansen liggen er voor streekproducten, combinaties met toerisme en verwerking van mest en groenafval tot grondstoffen en energie.

Het maatschappelijk debat buitengebied heeft de aanzet gegeven tot een dialoog over de kwaliteit van het buitengebied. Uitvoering van maatregelen en duurzame samenwerking tussen partijen in het buitengebied vragen om het voorzetten van de dialoog en gebiedsontwikkeling gericht op versterken van de kwaliteiten van het buitengebied en het benutten van kansen voor agrarische, recreatieve bedrijvigheid en zorginitiatieven.

Relevantie voor het plan
Voorliggend plan voor de realisatie van een vrijliggend fietspad langs de Heldenseweg is een goed voorbeeld van hoe de gemeente zich richt tot één van zijn kerntaken: veiligheid. De Heldenseweg is een plattelandsweg tussen Neer en de N562 waarbij zowel auto's als fietsers hetzelfde wegvlak gebruiken, wat op zijn beurt weer leidt tot gevaarlijke situaties. Dit signalerend heeft de gemeente besloten tot de aanleg van een nieuw vrijliggend fietspad om de twee verkeersstromen te scheiden en de verkeersveiligheid aanzienlijk te verbeteren.

4.4.2 Gemeentelijke structuurvisie

Algemeen
In de Structuurvisie Leudal (vastgesteld d.d. 2 februari 2010) wordt ingezet op: 'Een groene parel met dynamiek, een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst'. In deze structuurvisie ligt bewust de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen.

Limburgs Kwaliteitsmenu
De gemeente Leudal staat achter de gedachte van het Kwaliteitsmenu. Nieuwe functionele ontwikkelingen in het buitengebied (zowel incidentele initiatieven in het buitengebied als ontwikkelingen aan de rand van een kern) zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit alleen mogelijk indien daarmee ook investeringen in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve belevingskwaliteit en/of cultuurhistorie plaatsvinden waarmee de kwalitatieve draagkracht van het landelijk gebied wordt versterkt en de effecten van de nieuwe ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het kwaliteitsmenu is hierbij van toepassing.

Nota kwaliteit
De uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu voor de gemeente Leudal vindt plaats in de Nota Kwaliteit. In de nota wordt het beleid met betrekking tot het Kwaliteitsmenu weergegeven. Tevens wordt het bestaande 'rood voor groen'-beleid en groenfonds, van de gemeente Leudal, voor zowel het buitengebied als de kernen, hierin verankerd.

Het provinciale kwaliteitsmenu heeft betrekking op het buitengebied. De Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal gaat verder. Door nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, maar ook in de kern vindt een aantasting van de kwaliteit van de (leef)omgeving in het buitengebied of de kern plaats. Verdichting in de kern leidt namelijk ook tot het verder onder druk komen te staan van de kwaliteiten van de leefomgeving. Deze aantasting wordt gezien als kosten die voor rekening van de gemeente Leudal komen. Deze aantasting van kwaliteit dient daarom binnen de gemeente of nabij de gemeente grenzen van Leudal gecompenseerd te worden.

Relevantie voor het plan

De aanleg van een nieuw vrijliggend fietspad langs de Heldenseweg sluit aan op de gedachte van het Kwaliteitsmenu. In het gemeentelijk kwaliteitsmenu en Limburgs kwaliteitsmenu is géén module opgenomen die ziet op realisering van infrastructurele voorzieningen, zoals een fietspad. Het fietspad zorgt voor een sterke verbetering van de veiligheid voor fietsers op de Heldenseweg en nodigt daarmee recreatieve fietsers uit om deze route vaker te gebruiken. Bij de aanleg van het fietspad is gebruik gemaakt van de landschappelijke kwaliteiten zoals tussen de weg en het fietspad liggende bomenrijen om een rustige fietsbeleving te hebben.

4.4.3 Conclusie gemeentelijk beleid

De aanleg van een nieuwe fietspad langs de Heldenseweg sluit aan op de voornoemde gemeentelijke beleidsdoelen.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In de paragrafen hierna komen diverse milieuhygiënische en planologische aspecten aan de orde. Voor een aantal aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen in separate rapportages die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd. Voor inzicht in het gehele onderzoek wordt hier verwezen naar de bijlagen. Hierna is een korte samenvatting van deze onderzoeken opgenomen. Voor alle aspecten is de relevantie voor het plan omschreven.

5.1 Milieu

5.1.1 Bodem

In Nederland regelt de Wet bodembescherming de omgang met gronden met als doel te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen ontstaan en bestaande bodemverontreinigingen worden verspreid. Ook worden eisen gesteld aan de bodemkwaliteit bij verschillende gebruiksfuncties. De kwaliteit van de bodem (aan/afwezigheid van verontreinigingen) dient bijvoorbeeld beter te zijn bij de toekenning van een woonfunctie dan bij het gebruik van gronden voor industrie.

In voorliggend geval is nader onderzoek naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit niet nodig omdat er geen sprake is van een verblijfsfunctie of anderszins contact met de bodem door mensen wordt gemaakt. Gezien het grondgebruik zijn er geen concrete aanwijzingen die wijzen op een ernstige vervuiling. Indien er grondwerkzaamheden worden uitgevoerd en grond wordt toegepast in een ander werk, is onderzoek noodzakelijk. Om aan te kunnen tonen of vrijkomende grond geschikt is voor toepassing in een ander werk, is het uitvoeren van partijkeuringen noodzakelijk. Dit levert echter geen belemmeringen op voor de bestemmingswijziging.

Relevantie voor het plan

Het aspect bodem staat de aanleg van het fietspad niet in de weg.

5.1.2 Geluid

De Wet geluidhinder stelt eisen aan ruimtelijke ingrepen die:

  • 1. Gevoelige functies, zoals woningen, toevoegen binnen de vastgestelde geluidzone van een weg.
  • 2. Mogelijk geluidhinder veroorzaken bij gevoelige objecten.

Een fietspad is geen geluidgevoelige functie. Evenmin heeft de aanleg van de fietsverbinding akoestische gevolgen voor omliggende woningen. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Vanuit de Wet geluidhinder of vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden geen eisen gesteld aan de aanleg van het fietspad.

5.1.3 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten:

  • het plaatsgebonden risico.
  • het groepsrisico.

Relevantie voor het plan

Rondom het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen welke invloed hebben op de externe veiligheid. Tevens is een fietspad geen (beperkt) kwetsbaar object. Derhalve zijn wat betreft externe veiligheid geen bezwaren voor de aanleg van een nieuw fietspad.

5.1.4 Luchtkwaliteit

Inleiding

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden, is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Relevantie voor het plangebied

Het plan is om over een tracé van 3,5km een vrijliggend fietspad te realiseren langs de Heldenseweg tussen Neer en de N562. De aanleg van een fietspad zal geen gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Verder onderzoek is niet noodzakelijk.

5.1.5 Milieueffectrapportage

Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden.

De belangrijkste wijzigingen betreffen het aanpassen van de richtlijnen m.b.t. de activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. moet worden opgesteld. De plandrempels zijn gewijzigd, maar het karakter ervan is eveneens gewijzigd. Het bevoegd gezag zal zich er voortaan van moeten vergewissen of de activiteiten in dit onderdeel ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk.
  • Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' zijn de selectiecriteria beschreven die bepalen of er mogelijk sprake is van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Hierbij moet worden gedacht aan de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en natuurlijk de mate van verontreiniging of hinder. Ten tweede is de locatie van de projecten natuurlijk van belang. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen of een project in de nabijheid van een gevoelig gebied is gelegen. Voorbeelden van gebieden die extra aandacht vragen zijn wetlands, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurgebieden en bij wet beschermde gebieden. Bij de samenhangende beoordeling van bovenstaande kenmerken van een project en de potentiële aanzienlijke milieugevolgen dient het volgende te allen tijde te worden meegewogen:

  • Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking).
  • Het grensoverschrijdende karakter van het effect.
  • De waarschijnlijkheid van het effect.
  • De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Relevantie voor het plan

De aanleg van nieuwe infrastructuur is in het Besluit m.e.r. opgenomen in verschillende categorieën. Het gaat daarbij om infrastructuur in de vorm van nieuwe autowegen (categorie C1.2) of de aanleg of uitbreiding van wegen bestaande uit vier of meer rijstroken, niet zijnde autowegen of auto snelwegen (categorie D 1.2). De aanleg van een fietspad is niet opgenomen in het Besuit m.e.r. Het plan is niet m.e.r.-plichtig en niet m.e.r.-beoordelingsplichtig op basis van het Besluit m.e.r.

Naast het Besluit m.e.r. wordt ook de Wet natuurbescherming als afwegingskader gehanteerd. Indien er namelijk sprake is van significante negatieve effecten op een Natura2000-gebied, geldt een planm.e.r.-plicht. Bij de aanleg van het fietspad langs de Heldenseweg zijn negatieve effecten op Natura2000-gebieden niet aan de orde. Er is geen planm.e.r.-plicht.

5.1.6 Conclusie milieuaspecten

Vanuit het aspect milieu zijn er geen belemmeringen voor de realisering van het fietspad.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie

5.2.1 Cultuurhistorie

Er bevinden zich in of in de directe omgeving van het besluitgebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten of overige cultuurhistorische waarden waarop de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Leudal is een deel van de Heldenseweg aangeduid als een ‘weg ouder dan 1900’. Het beoogde nieuwe vrijliggende fietspad heeft geen invloed op de ligging of het profiel van deze weg. Er zijn daarmee geen belemmeringen op het gebied van cultuurhistorie.

5.2.2 Archeologie

In het ter plaatse geldende bestemmingsplan is een dubbelbestemming opgenomen om zo de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen. In het kader van de planvorming voor het fietspad wordt een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wordt als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt een korte weergave van het onderzoek opgenomen en is aangegeven wat vanuit dit onderzoek relevant is voor dit bestemmingsplan.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het vooronderzoek is ter plaatse van de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek is naar voren gekomen dat op een aantal locaties veldonderzoek nodig is middels boringen. Zowel het vooronderzoek als veldonderzoek zijn verwerkt in één rapportage. In onderstaande afbeelding zijn de onderzoeksgebieden opgenomen waar archeologisch booronderzoek is uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19NeHeldenseweg-VG01_0011.jpg"

Afbeelding 9: onderzoekslocaties booronderzoek

Uit het veldonderzoek is gebleken dat in elke zone wel iets aan archeologische resten te verwachten. De impact die de toekomstige ingrepen hierop kunnen hebben is echter wisselend. De wijze waarop hiermee kan worden omgegaan varieert dus ook. In de delen waar geen archeologische resten worden verwacht, gelden geen archeologische restricties. Waar wel een archeologische verwachting geldt, wordt geadviseerd om verstoring van de bodem dieper dan de bestaande verstoring te voorkomen. Per zone wordt het volgende geadviseerd:

Zone 1: op de flauwe rug worden vindplaatsen v an jager-verzamelaars verwacht, gekenmerkt door oppervlakkige vuursteenvondsten, die tot in de B -horizont intact kunnen zijn . Omdat de bodem hier al tot tenminste 35 cm –mv is verploegd, wordt geadviseerd om diepere verstoring te voorkomen. Indien niet mogelijk wordt een karterend onderzoek geadviseerd in de vorm van een booronderzoek en waar mogelijk (op de akker) een oppervlaktekartering om te bepalen of daadwerkelijk sprake is van een vindplaats.

Buiten de flauwe rug is de bodem tot in de C-horizont verstoord en worden dus geen intacte vuursteen vindplaatsen meer verwacht . Hier gelden geen archeologische restricties ten aanzien van de planuitvoering. Uitzondering daarop vormt de zone rond boring 8. Daar zijn concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van resten van een (veldbrand) oven. Indien verstoring dieper dan de bouwvoor (circa 50 cm -mv) hier niet kan worden voorkomen, wordt geadviseerd om een waarderend onderzoek uit te voeren. Gezien de aard van de verwachte resten is een gravend onderzoek in de vorm van een proefsleuf hiervoor de meest geschikte methode. Gezien de lineaire aard van de toekomstige bodemingrepen ter plaatse, kan dit onderzoek wellicht ook plaats vinden in de vorm van een archeologische begeleiding.

Zone 2: op de dekzandrug met volledig intacte podzol, worden vanaf het maaiveld intacte vuursteenvindplaatsen verwacht. Geadviseerd wordt hier bodemingrepen volledig te vermijden en de mogelijkheden te onderzoeken om het fietspad aan te leggen binnen de zone die ten behoeve van de bestaande weg reeds vergraven is. Indien dit niet mogelijk is, wordt vanwege de ligging in het bos een karterend booronderzoek geadviseerd om te bepalen of d aadwerkelijk sprake is van een vindplaats.

Zone 3: hier worden direct onder de bouwvoor sporen verwacht, gerelateerd aan de naastgelegen landweer. Indien verstoring dieper dan de bouwvoor (25 cm –mv). wordt geadviseerd om een waarderend onderzoek uit te vo eren. Gezien de aard van de verwachte resten is een gravend onderzoek in de vorm van een proefsleuf hiervoor de meest geschikte methode. Gezien de lineaire aard van de toekomstige bodemingrepen ter plaatse, kan dit onderzoek wellicht ook plaats vinden in de vorm van een archeologische begeleiding.

Zone 4: in het noordelijk deel worden geen vindplaatsen verwacht en gelden geen archeologische restricties ten aanzien van de planuitvoering. In de zuidelijke helft worden vanwege de hoge bruine e nkeerdgrond, met archeologische indicatoren, vindplaatsen verwacht uit de late prehistorie t/m Romeinse tijd. Hoewel de onder de bouwvoor vastgestelde AB-horizont ook geroerd is, wordt hierin wel vondstmateriaal verwacht. Daarom word geadviseerd bodemingre pen te beperken tot de dikte van de huidige bouwvoor (40 cm). Indien niet mogelijk wordt gezien de aard van de verwachte resten een gravend onderzoek geadviseerd. Normaliter vormen proefsleuven hiervoor de meest geschikte methode, maar gezien de lineaire aard van de toekomstige bodemingrepen ter plaatse, kan dit wellicht ook in de vorm van een archeologische begeleiding.

Zone 5: voor zone 5 gelden dezelfde aanbevelingen als voor het zuidelijk deel van zone 4.

Relevantie voor het plan

Op basis van de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek is archeologische begeleiding geadviseerd op een aantal locaties. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In dit bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' behouden. Derhalve dient het archeologische aspect afgerond te zijn voordat de uitvoering kan aanvangen.

5.2.3 Conclusie archeologie en cultuurhistorie

Vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor realisering van het fietspad.

5.3 Natuur en Flora en Fauna

Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd om de mogelijke effecten van de werkzaamheden in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is als bijlage 2 opgenomen. Hierna is een korte weergave van het onderzoek opgenomen en is aangegeven wat vanuit dit onderzoek relevant is voor dit bestemmingsplan.

5.3.1 Gebiedsbescherming
5.3.1.1 Wettelijke gebiedsbescherming

Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan een Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden betreffen het 'Leudal' en 'Swalmdal', die op respectievelijk circa 1,6 kilometer en 2,3 kilometer afstand van het zuidelijke deel van het plangebied zijn gelegen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek worden geen significant negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden.

5.3.1.2 Provinciale gebiedsbescherming

Enkele delen van het plangebied bevinden zich binnen de door provincie Limburg aangewezen beschermde landschaps- en natuurzones. Het plangebied valt zowel binnen de Bronsgroene landschapszone als de Goudgroene natuurzone. De Bronsgroene landschapszone omvat landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones. De Goudgroene zone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk (NNN). Binnen deze zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Voor de volledige omschrijving en toetsing aan de beschermde landschaps- en natuurzones wordt verwezen naar paragrafen 4.2.1 en 4.2.2.

Op basis van de aanvullende onderzoeken naar de das en amfibiëen dient nader beoordeeld te worden of dat de ingreep leidt tot een significant effect op de aanwezige natuurwaarden binnen de Goudgroene natuurzone. Gezien het feit dat het plangebied de goudgroene natuurzone op drie locaties doorkruist, wordt in het kader van de oppervlakteaantasting afspraken gemaakt met de provincie over financiële compensatie voor de realisatie van het fietspad. Middels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat de werkzaamheden pas mogen aanvangen nadag een overeekomst is gesloten met de provincie over de financiële compensatie.

5.3.2 Soortenbescherming

Beschermde soorten

Als gevolg van de werkzaamheden binnen het plangebied treden mogelijk negatieve effecten op algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën op. Daarnaast leiden de werkzaamheden mogelijk tot een negatief effect op algemeen voorkomende broedvogels, vleermuizen, dassen en de bruine eikenpage. Voor overige beschermde soorten worden negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden en het toekomstige gebruik van het fietspad niet verwacht.

Broedvogels

In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de (kap)werkzaamheden. Kapwerkzaamheden of het vergraven van de bodem binnen de bosschages dienen daarom uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli. Deze periode is echter afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort, waardoor het mogelijk kan zijn dat vogelsoorten eerder tot broeden komen binnen het plangebied of langer broeden dan half juli. Als broedtijd van vogels wordt de periode tussen de bouw van het nest en het uitvliegen van de kuikens beschouwd.

Conclusie: kapwerkzaamheden mogen niet uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen van half maart tot half juli

Algemene voorkomende zoogdieren

Binnen de plangebieden zijn de bosschages, het struikgewas en de ruige bermen geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten. De aantasting van potentieel geschikt leefgebied door de werkzaamheden in het plangebied zal echter beperkt zijn. Daarnaast biedt de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden voor deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de aanleg van het fietspad worden, door het grote aanbod aan alternatief habitat in de omgeving, niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Algemeen beschermde zoogdiersoorten kunnen tijdens werkzaamheden worden gedood (Wnb artikel 3.10 lid 1). Voor deze zoogdieren geldt de zorgplicht: het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het verjagen of vangen, met het oog op het verplaatsen van de soort, is daarentegen wel vrijgesteld van ontheffing.

Conclusie: algemene zorgplicht.

Vleermuizen

De bosschages en bomenrijen langs de Heldenseweg bieden potentieel geschikte vliegroutes voor vleermuizen. Doordat er slechts enkele bomen worden gekapt die geen onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute zijn er geen negatieve effecten van de aanleg van het fietspad te verwachten op vliegroutes van vleermuizen. Wanneer er echter verlichting wordt aangelegd naast het fietspad treedt mogelijk wel verstoring van deze potentieel aanwezige functie op en zal aanvullend onderzoek naar het gebruik van deze bomen als vliegroute door vleermuizen moeten worden uitgevoerd (Wnb artikel 3.5 lid 2).

Daarnaast zijn er in de twee bosschages enkele bomen aangetroffen die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het tracé van het fietspad is zo aangepast dat het kappen van potentieel geschikte bomen niet noodzakelijk is.

Conclusie: geen aanvullend onderzoek noodzakelijk.

Eekhoorn

De bomen binnen het plangebied bieden geschikt leefgebied voor de in de omgeving voorkomende eekhoorn. De ingreep betreft het aanleggen van een fietspad waarbij slechts enkele bomen zullen worden verwijderd, waardoor de functie van het gebied voor eekhoorns niet veranderd. Er is derhalve geen sprake van permanente negatieve effecten op de eekhoorn. Wel is het mogelijk dat de eekhoorn zich in de periode tussen het verkennend onderzoek en de uitvoering van de werkzaamheden nestelt in een te kappen boom binnen het plangebied. In dat geval gaan in de kwetsbare voorplantingsperiode van de eekhoorn mogelijk vaste verblijfplaatsen verloren en worden individuen mogelijk gedood (Wnb artikel 3.10 lid 1). Buiten de kwetsbare perioden voor de eekhoorn, is de soort in de provinciale verordening van de provincie Limburg, vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen.

Conclusie: kapwerkzaamheden mogen uitsluitend tijdens de vrijstellingsperiode van maart tot en met april en van juli tot en met november.

Das

De noordelijke bosschage in het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van de das. Daarbij is in de sloot aan de rand van de Heldenseweg een afvoerpijp aangetroffen die vermoedelijk in gebruik is als vluchtpijp. Doordat de voorgenomen locatie van het fietspad is gepland tussen de vluchtpijp en het aangrenzende bosgebied kan de aanleg van het fietspad een verstoring van een verblijfplaats van de das veroorzaken (Wnb artikel 3.10 lid 1). Om te kunnen bepalen of de realisatie van het fietspad leidt tot een significant effect op de das, is inzicht in het lokale verspreidingsgebied en het gebruik van de vluchtpijp door de das noodzakelijk. Middels aanvullend onderzoek dient dit in kaart gebracht te worden.

Das - Aanvullend onderzoek (bijlage 5)

Allereerst kan geconcludeerd worden dat de eerder waargenomen vluchtpijp, geen vluchtpijp blijkt te zijn en er ter hoogte van het meest noordelijk gelegen bosje dus geen sprake is van aantasting van een dassenverblijf. Uit het onderzoek is hiernaast gebleken dat er wel diverse dassenverblijfplaatsen aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied, namelijk 2 burchten en een bijburcht. De realisatie van het fietspad betreft een relatief kleine ingreep, namelijk het dempen van de huidige zaksloot, het aanleggen van een fietspad naast de Heldenseweg en het vervolgens hiernaast weer graven van een nieuwe zaksloot. Het is hierbij wel noodzakelijk dat er een strook van de bosschages gerooid wordt.

Gezien de afstand tot de werklocatie, waarlangs bovendien nu al de Heldenseweg is gelegen, én de mate aan beschutting tussen de werklocatie en de dassenverblijven, valt niet te verwachten dat verstorende effecten op de bijburcht en de twee hoofdburchten optreden. De hier aanwezige dassen zijn bovendien reeds gewend aan de verstoring afkomstig van de Heldenseweg en het intensieve landbouwgebruik in de omgeving. Ook verstoring als gevolg van verlichting is niet aan de orde, daar er geen verlichting is voorzien in het plan.

Eén van de vluchtpijpen van de das bevindt zich echter wel op zeer korte afstand (10 meter) van de weg. Er is daarom sprake van een mogelijke verstoring van een dassenverblijf (overtreding Wnb artikel 3.10.b). Daarnaast leidt de ontwikkeling ook tot het verstoren en verloren gaan van enkele kleine stroken bosschage. De omgeving van het plangebied biedt een zeer ruime hoeveelheid geschikt leefgebied voor de das. De impact op de beschikbare oppervlakte aan geschikt leefgebied voor de das is daarom minimaal. Het valt derhalve niet te verwachten dat de ingreep daarmee leidt tot een significant negatief effect op de lokaal gunstige staat van instandhouding van de das.

Conclusie: na aanleiding van het aanvullend onderzoek wordt geen significant negatief effect verwacht.

Algemeen voorkomende amfibieën

De sloot langs de Heldenseweg is potentieel geschikt als voortplantingshabitat voor de gewone pad en bruine kikker. Het voorgenomen plan is om het fietspad in het noordelijk deel tussen de sloot en de bosschage aan te leggen. Dit leidt mogelijk tot een verhoogd risico op verkeersslachtoffers tijdens de trek van het voortplantingswater naar het landhabitat. Om vast te stellen of de sloot door de gewone pad en/of de bruine kikker gebruikt wordt als voortplantingswater dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Dit aanvullend onderzoek dient zich te richten op het gebruik van de sloot als voortplantingswater en het voorkomen van verkeersslachtoffers op het fietspad. Aan de hand van dit onderzoek kan het effect van het fietspad op deze soorten worden vastgesteld.

Algemeen voorkomende amfibieën - aanvullend onderzoek (bijlage 8)

Doordat er geen paddensnoeren zijn aangetroffen in de sloot kan worden geconcludeerd dat de sloot parallel aan de Heidenseweg geen primair habitat vormt voor de gewone pad. Er is dus geen sprake van een negatief effect op de staat van instandhouding van de lokale paddenpopulatie als gevolg van de realisatie van het fietspad.

Van de bruine kikker werden slechts twee eiklompen aangetroffen. In primair voortplantingswater worden door de bruine kikker gebruikelijk enkele tien- tot hondertallen eiklompen op slechts enkele vierkante meters afgezet. Daarnaast is slecht één volwassen individu van de bruine kikker waargenomen. Tevens van de groene kikker is slechts één individu waargenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ook voor de bruine kikker en overige amfibiesoorten, de sloot geen primair voortplantingshabitat vormt.

Met de inrichting van het fietspad hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met amfibieën. Wel dient er tijdens de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de zorgplicht in relatie tot het daadwerkelijk voorkomen van individuen.

Omdat er in het plangebied algemeen voorkomende amfibieën zijn aangetroffen dient er met de werkzaamheden wel rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Er moet ten aller tijden voorkomen worden dat individuen worden gedood of eieren worden beschadigd door de werkzaamheden. Dit kan voorkomen worden door het dempen/vergraven van de sloot uit te voeren volgens de opgestelde maatregelen in de gedragscode van de unie voor waterschappen (UVW, 2012). Hieronder zijn de relevante maatregelen voor de voorgenomen ingreep weergegeven:

  • Aangetroffen algemeen beschermde amfibieën worden verjaagd of gevangen en vrijgelaten in aangrenzend geschikt biotoop, waar geen werkzaamheden plaatsvinden.
  • Het dempen van de watergangen dient uitgevoerd te worden in de minst kwetsbare periode voor amfibieën, van 15 juli tot 1 november. Als het niet mogelijk is om in deze periode te werken, dan zijn extra maatregelen en mogelijk ecologische begeleiding nodig (zie hiervoor de gedragscode).
  • Bij het dempen van een watergang dient het water in één richting uitgedreven te worden zodat aanwezige amfibieën kunnen ontsnappen. Bij het leegpompen van een watergang worden overige amfibieën eerst weggevangen en elders uitgezet.

Conclusie: da aanleiding van het aanvullend onderzoek wordt geen significant negatief effect verwacht. Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht.

Bruine Eikenpage

De noordelijke bosschage bied geschikt leefgebied voor de in de omgeving voorkomende bruine eikenpage. De ingreep betreft het aanleggen van een fietspad waarbij slechts enkele bomen zullen worden verwijderd, waardoor de functie van het gebied voor de bruine eikenpage niet veranderd. Er is derhalve geen sprake van permanente negatieve effecten op de bruine eikenpage. De bruine eikenpage gebruikt jonge eikenbomen als waardplant. Het verwijderen van jonge eikenbomen in de voor deze vlinder geschikte zuidelijke bosschage leidt mogelijk tot het doden van rupsen of het beschadigen van eitjes (Wnb artikel 3.10 lid 1). Het verwijderen en beschadigen van deze jonge bomen en het verstoren van de ondergrond onder deze bomen dient bij voorkeur daarom zo veel mogelijk voorkomen te worden. Indien er toch jonge eikenboompjes verwijderd moeten worden dient dit te gebeuren tijdens de vliegtijd van de bruine eikenpage, van half juni tot begin augustus. Het doden van vlinders van deze soorten blijft in deze periode verboden, maar hiermee wordt voorkomen dat eitjes beschadigd raken. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.

Indien het niet mogelijk blijkt om de werkzaamheden in de aangegeven perioden uit te voeren, dient middels aanvullend onderzoek bekeken te worden wat de lokale verspreiding van de bruine eikenpage is en of bomen in gebruik zijn voor ei-afzet van deze beschermde vlindersoort.

Conclusie: kapwerkzaamheden mogen uitsluitend plaatsvinden tijdens de periode van half juni tot half augustus.

Voorwaardelijke verplichting

De uitkomsten uit voorgaande tekst geven aanleiding om in voorliggend plan een voorwaardelijke verplichting op te nemen opdat de betreffende onderzoeken en benodigde financiële compensatie afgerond en overeenkomen is voordat de uitvoering aanvangt.

5.3.3 Houtopstanden

Ten behoeve van de realisatie van het fietspad dienen solitaire bomen en stroken bos gekapt te worden. Er dient daarom bekeken te worden of de bomen onder de bescherming van de Wnb vallen. Wanneer kapwerkzaamheden plaatsvinden buiten de bebouwde kom, binnen een houtopstand groter dan 10 are (1.000 m2 ) of een bomenrij met meer dan 20 bomen, zijn deze bomen beschermd onder de Wnb. Alle bomen binnen het plangebied vallen onder deze criteria.

Hiernaast kunnen bomen beschermd zijn op grond van de APV gemeente Leudal (2018). Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen te kappen die vermeld staan op de gemeentelijke bomenlijst . De binnen het plangebied aanwezige bomen vallen niet onder deze criteria.

Conclusie: Er dient een melding in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van het kappen van houtopstanden te worden gedaan (Wnb, artikel 4.2).

5.3.4 Compensatie

Naar aanleiding van de uitkomsten in paragrafen 5.3.1, 5.3.2 en 5.3.3 is compensatie noodzakelijk op basis van drie gronden:

A. Goudgroene natuur
Door de realisatie van het fietspad zal in totaal 6.166m2 goudgroene natuur verloren gaan welke, op basis van provinciaal beleid gecompenseerd moet worden. In overleg tussen de gemeente Leudal en de provincie is gekozen voor financiële compensatie.

B. Leefgebied Das

Op basis van het aanvullende onderzoek naar de Das is naar voren gekomen dat rondom het plangebied meerdere burchten liggen waarbij één vluchtpijp op circa 10 meter afstand van het tracé van het fietspad ligt. Het gaat om een zeer beperkte, niet significante vermindering van het leefgebied die naar verwachting geen effect zal hebben op het leefgebied van de das. In basis dient verstoring van leefgebied echter, één op één, gecompenseerd te worden. Derhalve dient bij realisatie te worden aangetoond of er sprake is van vermindering van leefgebied en zo ja op welke wijze dit is gecompenseerd.

C. Kappen bomen

Ten behoeve van het fietspad worden stroken bos gekapt welke vergunningsplichting zijn op basis van de Wnb. De herplantplicht is echter niet lokaal te voldoen, waardoor de herplantplicht opgenomen is in financiële compensatie.

5.4 Landschap

Landschapskader Noord- en Midden Limburg

Het Landschapskader heeft tot doel op een beknopte wijze inzicht te geven in het hoe en waarom van het huidige landschap en daarmee grip te krijgen op de kansen die dat zelfde landschap biedt voor de toekomst. Het vormt hiermee een inspiratiebron om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap. Aan de hand van zowel kenmerkende beelden van de huidige situatie als aansprekende ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst inspireert het Landschapskader initiatiefnemers en beleidsmakers tot passende ruimtelijke ontwikkelingen die bijdragen aan een aantrekkelijker landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. Initiatiefnemers van zowel aan landbouw en natuur (groene), aan water (blauwe), als aan bebouwing en infrastructuur (rode) gerelateerde ontwikkelingen, kunnen aan de hand van het Landschapskader nagaan welke ontwikkelingen op een bepaalde plek landschappelijk gezien wenselijk en mogelijk zijn.

Het plangebied is gelegen in een aantal landschappen:

  • mozaïeklandschap
  • bos in dalenlandschap
  • bos in mozaïeklandschap
  • natte heideontwikkeling
  • beekdal

Relevantie voor het plan

Onderhavig fietspad is een langwerpig lijnelement wat zich qua ontwerp en inrichting aan zal passen aan het betreffende landschap. Wel is sprake van aantasting van goudgroene natuurzone en bronsgroene landschapszone (uit het POL2014). De verantwoording van hoe omgegaan wordt met deze natuur is terug te lezen in paragraaf 5.3. Door de nadrukkelijke aanpassing op de aangrenzende landschapstypen heeft het fietspad geen significante nadelige effecten op het omliggende landschap.

5.5 Waterparagraaf

Voor de beoogde ontwikkeling is een uitgebreide watertoets opgesteld om de mogelijke effecten van de werkzaamheden in kaart te brengen. De volledige watertoets is als bijlage 1 opgenomen. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen.

Op basis van de literatuurgegevens zijn de infiltratiewaarden binnen het gebied laag. De grondwaterstanden zitten in het noordwesten van het plangebied op circa 0,8 meter beneden maaiveld, halverwege 1,4 meter onder maaiveld en in het zuidoosten op circa 5 meter onder maaiveld. Geadviseerd wordt om voor de dimensionering van de bergingsvoorziening te rekenen met de 100 millimeter berging. In dat geval moet (9.750 m2 * 0,1 m =) 975 m3 berging gerealiseerd worden. Dit betekent dat per strekkende meter (langs het gehele projectgebied; 975 m3/ 3.250 =) 0,3 m3 regenwater geborgen moet worden. Het bergingssysteem wordt gecompartimenteerd aangelegd. De beoogde compartimentering wordt uitgevoerd middels gronddammen in de greppels. Omdat in de praktijk niet op iedere strekkende meter een bergingsgreppel aangelegd zal kunnen worden (vanwege bijvoorbeeld duikers, gronddammen of kruisende watergangen) zal in het uiteindelijke ontwerp de hoeveelheid benodigde berging per strekkende meter hoger uitvallen. Dit is in detail in het ontwerp uitgewerkt. De Spanjaardsloop en de Bleekstraatlossing lopen dwars door het projectgebied. De bergingsgreppels mogen niet zonder meer op deze watergangen aangesloten worden. Geadviseerd wordt om de aangrenzende bergingsgreppels middels een overstort (in de vorm van grondwallen) aan te sluiten op de Spanjaardloop en de Bleekstraatlossing. In overleg met het waterschap is besloten dat Zijtak Zwartwaterlossing komt te vervallen en wordt vervangen door de bergingsgreppel. De onderdoorgang onder de Heldenseweg wordt opengehouden. Water vanuit de bergingsgreppels wordt ook hier middels overstort op het overgebleven deel van de Zijtak Zwartwaterlossing geloosd.

5.6 Verkeer en parkeren

Voorliggend plan betreft het mogelijk maken van een nieuw vrijliggend fietspad langs de Heldenseweg. De belangrijkste reden voor het fietspad is de verbetering van de verkeersveiligheid voor fietsers langs deze route. De aanleg van het fietspad leid niet tot de wijziging van maximaal toegestande snelheden of een gewijzigde rijrichting. In paragraaf 3.2 is de functionele inrichting verder toegelicht. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op parkeergelegenheid.

Hoofdstuk 6 Opbouw bestemmingsplan

6.1 Algemeen

De in deze toelichting beschreven aspecten hebben als basis gediend voor het opstellen van een juridisch plan, dat zoveel mogelijk is afgestemd op de geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Leudal. Teneinde het voorgenomen initiatief te kunnen realiseren heeft een juridische vertaling van het plan in planregels en verbeelding plaatsgevonden. De planregels zijn gerelateerd aan de verbeelding. Verbeelding en planregels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast conform de bepalingen in Wro, Bro en SVBP 2012.

6.2 Verbeelding

Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben juridische betekenis indien en voor zover deze daaraan in de planregels wordt gegeven. Een aantal aanduidingen heeft geen juridische betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens.

Een analoge versie van de verbeelding is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.

6.3 Planregels

De planregels zijn opgesteld op basis van de landelijke standaarden zoals vastgelegd in het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. De planregels zijn conform deze standaard verdeeld in vier hoofdstukken, te weten hoofdstuk 1 Inleidende regels, hoofdstuk 2 Bestemmingsregels, hoofdstuk 3 Algemene regels en hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

Voor de planregels is zoveel als mogelijk aangesloten bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied. Regelingen die in dit kader niet relevant zijn, zijn achterwege gelaten.

Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de bestemmingen die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied van toepassing zijn dan wel aanduidingen die betrekking hebben op meer dan één bestemmingsvlak. In hoofdstuk vier zijn de regels opgenomen waarmee het overgangsrecht wordt geregeld en is een artikel opgenomen waarin de formele naamgeving van de planregels is vastgelegd.

Hoofdstuk 1, 3 en 4 zijn vrij algemeen van aard en worden niet nader beschreven in deze paragraaf. Onderstaand zijn de gebruikte bestemmingen toegelicht, zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van de planregels.

Het volledige tracé van het fietspad en de strook tussen het fietspad en de Heldenseweg krijgt de bestemming 'Verkeer' waarbij de berg en opgaande vegetatie direct in de bestemmingsomschrijving toegestaan is. Geldende gebiedsaanduidingen worden overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan en staan ongewijzigd in de regeling behorende bij het fietspad.

Verder zijn dubbelbestemmingen en aanduidingen conform het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Repoaratie- en veegplan buitengebied Leudal 2016' van de gemeente Leudal overgenomen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg en zienswijzen

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Het concept-ontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan diverse vooroverlegpartners en de gemeente Leudal heeft twee reacties ontvangen:

  • Waterschap Limburg: geen bezwaren op het planvoornemen. Wel wordt gewezen op benodigde vergunningen en is een voorwaarde gesteld voor het verlengen van aanwezige duikers.
  • Provincie Limburg: de beoordeling gaf aanleiding tot enkele inhoudelijke opmerkingen alsmede een voorbehoud voor het aspect flora en fauna.

Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende een periode van 6 weken ter visie gelegd. Hierbij is de mogelijkheid geboden binnen deze termijn schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Een en ander wordt conform het daartoe in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht bepaalde openbaar bekend gemaakt middels publicatie in de Nederlandse Staatscourant, alsmede op het gemeentelijk publicatiebord en de gemeentelijke website (www.leudal.nl) en via www.ruimtelijkeplannen.nl.

Ook is en wordt gesproken met eigenaren van wie gronden direct worden geraakt door het initiatief.

Naar aanleiding van de ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan zijn twee zienswijzen ingediend:

  • Zienswijze van Hendrix-van den Boogaert Holding BV: geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.
  • Zienswijze van Tennet: geeft wel aanleiding tot wijziging van het bestemmingsplan.

Ambtelijk is geconstateerd dat de regels en de toelichting op enkele punten aangepast dienen te worden. Voor een overzicht van de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen wordt verwezen naar de Nota Zienswijzen (Bijlage 7).

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12.1) verplicht gemeenten gelijktijdig met een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, indien er sprake is van een bij wet aangewezen bouwplan. De gemeente kan hiervan afwijken door het sluiten van een anterieure overeenkomst met de ontwikkelende partij, op basis waarvan het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Aangezien voorliggende ontwikkeling geen bouwplan betreft is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.

De totale kosten van de aanleg van de fietsverbinding zijn voor rekening van de gemeente Leudal. De kosten voor aanleg zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting. Tevens is voor de aanleg van het fietspad subsidie verstrekt door de provincie Limburg. De economische uitvoerbaarheid is hiermee verzekerd.