direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Baexem Stekstraat 18
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Reparatie- en Veegplan Buitengebied Leudal 2016" van gemeente Leudal ten behoeve van de voorgenomen uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan de Stekstraat 18 te Baexem en het oprichten van een viertal recreatiewoningen ter plaatse.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer heeft een bedrijf dat zich richt op natuur- en landschapsbeheer van natuurterreinen, stedelijk groen, heidevelden en natuurlijke graslanden middels begrazing door schapen en zoogkoeien. De initiatiefnemer verzorgt in opdracht van verschillende partijen (waaronder ook de gemeente Leudal) de begrazing van in totaal ongeveer 150 hectare aan terreinen. In de winter begrazen de schapen een vergelijkbare oppervlakte bij particulieren en melkveehouders.

Op dit moment worden deze bedrijfswerkzaamheden uitgevoerd op een andere locatie (de Kasteelweg 8 te Baexem). De ter plaatse aanwezige voormalige varkensstallen, welke zijn omgebouwd tot schapenstallen, zijn verre van optimaal ingericht voor het houden van schapen en zoogkoeien. Dit gaat ten koste van de efficiëntie van de bedrijfsvoering ter plaatse, omdat veel werk nu nog handmatig dient te gebeuren. Dit vergt veel tijd en is fysiek zwaar en daarmee niet wenselijk.

Omdat de voormalige bedrijfsbebouwing ter plaatse geheel in gebruik is voor de stalling van dieren vindt de opslag van voer en stro en machines geheel buiten plaats. Met name de stalling van machines is niet wenselijk in de buitenlucht.

De begrazing die door de initiatiefnemers wordt uitgevoerd is een duurzame vorm van beheer. De afgelopen jaren heeft deze manier van beheer zich landelijk ontwikkeld. Echter staan de marges door beperking van beheersvergoedingen, aanbestedingen en dergelijke behoorlijk onder druk. Hierdoor is voldoende omvang voor de toekomst noodzakelijk om te kunnen blijven bestaan als volwaardig en duurzaam bedrijf met voldoende inkomsten.

Voor een efficiënte bedrijfsvoering die toeziet op de wensen van de initiatiefnemers en waarmee een voldoende duurzaam en volwaardig bedrijf kan blijven worden uitgevoerd, is aanpassing van de situatie noodzakelijk. De huidige locatie biedt daar onvoldoende mogelijkheden toe. Om deze reden hebben de initiatiefnemers de locatie aan de Stekstraat 18 te Baexem aangekocht. Dit betreft een locatie met een agrarische bestemming en is gelegen tussen dorp en natuur. Voor de initiatiefnemers biedt deze locatie daarmee veel kansen voor een optimale bedrijfsvoering. De woning en bijbehorende schuur hebben een monumentale status, wat past bij het gewenste bedrijfsbeeld van de initiatiefnemers.

De initiatiefnemers zijn voornemens op de locatie aan de Stekstraat 18 de bedrijfsvoering voort te zetten en daarmee bij te dragen aan agrarisch natuurbeheer. Daarnaast wensen de initiatiefnemers ter plaatse te voorzien in een werktuigenberging om de machines te kunnen stallen, waardoor deze niet langer in de buitenlucht te hoeven worden gestald. Tevens wenst de initiatiefnemer ter plaatse te voorzien in voorzieningen voor de opslag van voer.

Ten slotte wenst de initiatiefnemer, bij wijze van nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf, een viertal recreatiewoningen op te richten. Met de recreatiewoningen wenst de initiatiefnemer mensen de gelegenheid te geven het platteland en de bedrijfsvoering van de initiatiefnemer beter te beleven door de mensen die in de recreatiewoningen verblijven de kans te bieden op het bedrijf rond te kijken en eventueel mee te helpen. Tevens zijn de recreatiewoningen een manier om neveninkomsten te genereren bij het agrarisch bedrijf om in voldoende mate te kunnen voorzien in het levensonderhoud.

Voor de initiatiefnemer is het belangrijk dat de recreatiewoningen zijn verweven in het bedrijf en de bedrijfsvoering. Het bieden van verblijfsrecreatie om mensen te betrekken bij het boerenleven en het platteland maakt een belangrijk onderdeel uit van de bedrijfsfilosofie van de initiatiefnemer.

De locatie biedt echter onvoldoende ruimte voor de gewenste bedrijfsgebouwen en recreatiewoningen. Het bouwvlak is hiervoor niet groot genoeg en bebouwing buiten het bouwvlak wordt vanuit het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Het is voor de initiatiefnemers daarom wenselijk het bouwvlak te vergroten zodat de gewenste bebouwing hierbinnen kan worden opgericht

De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan Stekstraat 18 te Baexem en ligt aan de oostkant van Baexem in het landelijk gebied van gemeente Leudal. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Heythuysen, sectie U, nummer 372, 374 en 375. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Reparatie- en Veegplan Buitengebied Leudal 2016", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 12 juli 2016, onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'karakteristiek' en 'milieuzone - boringsvrije zone' van toepassing. Nabij de locatie is eveneens een gebied met de aanduidingen 'invloedsgebied beek' en 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' gelegen. De gewenste uitbreiding zal voor een deel in dit gebied plaatsvinden. Ten slotte is nabij de locatie nog een gebied dat is aangeduid als 'overige zone - beekdal' gelegen. De ontwikkeling zal hier echter geheel buiten plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.7.3) opgenomen voor vergroting van het bouwvlak. Echter kan, omdat eveneens recreatiewoningen worden opgericht, geen toepassing worden gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd).

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
  • Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Leudal.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische graslanden. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele burgerwoningen gelegen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Op de locatie is momenteel een agrarisch bedrijf. Ter plaatse is momenteel een karakteristieke boerderij en een karakteristiek bedrijfsgebouw aanwezig. Tevens is ter plaatse een klein schuurtje aanwezig.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,21 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de bedrijvigheid zoals plaatsvond op de huidige bedrijfslocatie voort te zetten en uit te breiden. Het is daarbij wenselijk de omvang van het bedrijf te vergroten naar een schapen- en zoogkoeienhouderij waarop maximaal de volgende dieraantallen gehouden worden:

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0004.png"

Tabel gewenste dieraantallen.
Bron: DLV Advies.

Hierbij zullen de varkens en scharrelkippen niet bedrijfsmatig worden gehouden. Deze zullen in een scharrelweide met een hobbymatig karakter worden gehouden.

De huidige aanwezige bebouwing voorziet niet in voldoende mogelijkheden voor de gewenste bedrijfsvoering. Om deze reden is de initiatiefnemer voornemens ter plaatse een nieuwe schapenstal (ongeveer 2.350 m²) op te richten. Daarnaast zal er naast de schapenstal een nieuwe zoogkoeienstal met werktuigenberging en opslag voor hooi en stro worden opgericht (ongeveer 810 m²). Ten slotte wenst de initiatiefnemer een voorziening voor de opslag van (ruw)voer (ongeveer 500 m²) en een voorziening voor de opslag van vaste mest (ongeveer 200 m²) op te richten. De gewenste voorziening voor de opslag van voer betreft een stuk erfverharding waarop de opslag van voer in plastic balen plaatsvindt. Er is daarbij geen sprake van bebouwing in de vorm van (sleuf)silo's.

Naast de verdere ontwikkeling van het bedrijf wil de initiatiefnemer de bedrijfsvoering verder verbreden. Een onderdeel hiervan is het plaatsen van een viertal recreatiewoningen (drie van elk ongeveer 35 m² en één van ongeveer 80 m²). Op deze manier hoopt de initiatiefnemer het bedrijf meer toekomstbestendig te laten zijn. De gewenste recreatiewoningen zorgen voor neveninkomsten, waarmee een verlichting van de arbeid van het bedrijf kan worden nagestreefd. Dit zorgt voor een hogere arbeidsvreugde bij de initiatiefnemer. Met de recreatiewoning willen de initiatiefnemers de natuurbeleving en de boerenbeleving uitdragen.

De verblijfsrecreatie, waarin de mensen die in de recreatiewoningen verblijven actief betrokken worden in het bedrijf en een kijkje kunnen nemen in het bedrijf, maakt een belangrijk onderdeel uit van de bedrijfsfilosofie van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer wil daarmee bijdragen aan een verbeterde natuurbeleving en een verbeterde beleving van het platteland en het boerenleven. De verblijfsrecreatie is daarmee verweven in de bedrijfsvoering van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer heeft hiertoe een beschrijving van de bedrijfsfilosofie en bedrijfsstrategie opgesteld, waarin de verwevenheid en verbondenheid van de verblijfsrecreatie en het bedrijf nader is omschreven. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening (niet op schaal) weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0005.png"

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.

Het bouwvlak ter plaatse is niet groot genoeg om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te vergroten. De omvang van het bouwvlak zal daarbij worden vergroot tot ongeveer 1,22 hectare.

Met de vorm en omvang van het gewenste bouwvlak is rekening gehouden met voldoende afstand van de omliggende burgerwoningen, zodat aan de vaste afstanden vanuit milieuwetgeving wordt voldaan.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Hiertoe is door een erkende landschapsarchitect een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld.

Op basis van ruimtelijke afspraken tussen gemeente en provincie is naast een goede landschappelijke inpassing, wanneer sprake is van een vergroting van het bouwvlak tot een omvang van meer dan 1,5 hectare, een aanvullende investering nodig in de ruimtelijke kwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van vergroting van het bouwvlak tot ongeveer 1,22 hectare, waarmee een aanvullende investering niet noodzakelijk wordt geacht en kan worden volstaan met een goede landschappelijke inpassing.

Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing is door een erkende landschapsarchitect een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0006.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor wordt toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.

De voorgenomen ontwikkeling, waaronder de landschappelijke inpassing, is getoetst door de Kwaliteitscommissie Weer, Nederweert, Leudal. De aanvraag is door de Kwaliteitscommissie behandeld in de vergadering van 14 december 2017. Op 20 december 2017 heeft de Kwaliteitscommissie positief op de voorgenomen ontwikkeling gereageerd, met de aanvulling dat een tekening met hoogten in het landschappelijk inrichtingsplan wordt opgenomen. Deze tekening is overhandigd en in het landschappelijk inrichtingpslan opgenomen. Het advies van de Kwaliteitscommissie is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio's rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsvisie Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 bevat de ruimtelijke beleidsvisie voor het gehele grondgebied van de provincie Limburg en vertaalt deze in richtlijnen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen.

Het POL 2014 is een visie waarin centraal staat wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke omgeving te verbeteren die vooral kijkt naar de komende 10 jaar. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van voortreffelijke kwaliteit.

Het grondgebied van provincie Limburg is opgedeeld in verschillende soorten gebieden, waarvoor elk eigen beleidsuitgangspunten van toepassing zijn. Volgens de kaart uit het POL2014, zoals te zien in de volgende figuur, is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Buitengebied'. Het naast de locatie gelegen beekdal is aangemerkt als 'Bronsgroene landschapszone'. De ontwikkeling vindt echter buiten dit beekdal plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0007.png"

Uitsnede kaart POL2014.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

In het buitengebied is ruimte vooral voor agrarische ontwikkelingen. Verbreding van de functies in het buitengebied is denkbaar, mits de hoofddoelen niet worden geschaad. Dit houdt in dat er geen sprake mag zijn van beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw, geen sprake mag zijn van een toenemende milieubelasting en geen van de aanwezige waarden worden geschaad.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van beperking of aantasting van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw, aantasting van de aanwezige waarden of een toenemende milieubelasting. Dit is nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4).

In de bronsgroene landschapszones speelt het stimuleren van de aanleg van natuur- en landschapselementen een belangrijke rol. Hierbij moet worden ingezet op versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke waarden van het gebied. De ontwikkeling vindt geheel buiten deze zone plaats. Daarnaast is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin wordt aangetoond op welke wijze de voorgenomen ontwikkeling zal bijdragen aan een versterking van de omgevingskwaliteit. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een aantasting van de waarden van het betreffende gebied.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 van de provincie Limburg.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

Naast het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) heeft de provincie Limburg op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. De omgevingsverordening is een juridische verankering van de beleidsuitgangspunten uit het POL2014 en bevat specifieke regels betreffende ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie.

Vanuit de omgevingsverordening is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Landelijk gebied' en 'Boringsvrije zone - Roerdalslenk III'. Een klein deel van de locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Grondwaterbeschermingsgebied'. Nabij de locatie is een bronsgroene landschapszone (het beekdal) en een goudgroene landschapszone (aan de overzijde van de Stekstraat) gelegen.

Voor bedrijven in het landelijk gebied zijn specifieke regels opgenomen voor (intensieve) veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Voor grondgebonden schapen- en zoogkoeienhouderijen zijn geen specifieke regels opgenomen. Wel dienen de regels met betrekking tot de overige zones in acht te worden genomen.

In de boringsvrije zone Roerdalslenk III is het verboden een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van boorputten of bodemenergiesystemen. Met de uitvoering van de bouwwerkzaamheden zal rekening worden gehouden met de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei.

Binnen de grondwaterbeschermingsgebieden is het verboden om een ondergrondse tank voor de opslag van ontvlambare of brandbare vloeistoffen te plaatsen of te vervangen en/of grond of baggerspecie toe te passen indien de kwaliteit van de grond of de baggerspecie de maximale waarde van de kwaliteitsklasse wonen bij toepassing op de bodem of de kwaliteitsklasse A bij toepassing in oppervlaktewater overschrijdt of de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem beter is dan de genoemde kwaliteitsklassen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van ondergrondse tanks voor de opslag van ontvlambare of brandbare stoffen en/of het gebruik van grond en/of baggerspecie die niet aan de gestelde kwaliteit voldoet.

Voor zowel de bronsgroene als de goudgroene landschapszones geldt dat ontwikkelingen in deze gebieden niet mogen leiden tot aantasting van de kernwaarden van de betreffende gebieden. De voorgenomen ontwikkeling vindt buiten deze zones plaats. Daarnaast draagt de ontwikkeling, door natuurbeheer door begrazing en een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing bij aan de kwaliteit en de beleving van deze gebieden. Er zal daarom met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een aantasting van de kernwaarden van de betreffende gebieden.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014 van de provincie Limburg.

3.2.3 Limburgs Kwaliteitsmenu

In de actualisatie van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006) van provincie Limburg uit 2010 is het onderdeel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) opgenomen. Het LKM dient ter versterking en behoud van de landschappelijke kwaliteiten van het landelijk gebied van Limburg. Hierin is opgenomen dat voor realisatie van woningen en andere ontwikkelingen buiten de stedelijke contouren gepaard moeten gaan met landschappelijke kwaliteitsverbetering, natuurontwikkeling en ontstening. Uitwerking van deze regels is verder vastgelegd in de Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu 2010.

De uitvoering van het Limburgs Kwaliteitsmenu is in handen gegeven van de gemeenten. De gemeenten in Limburg dienen een eigen beleid ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit vast te stellen dat aansluit bij de uitgangspunten van het Limburgs Kwaliteitsmenu. De gemeente Leudal heeft hiervoor een eigen beleid opgesteld. Zoals nader omschreven in de paragraaf "" (paragraaf ), wordt aan de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid voor landschappelijke kwaliteit voldaan, waarmee eveneens aan de uitgangspunten uit het Limburgs Kwaliteitsmenu wordt voldaan.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie

De gemeente Leudal heeft op 2 februari 2010 de Structuurvisie Leudal vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

Ten aanzien van agrarische bedrijvigheid wordt in de structuurvisie het volgende gesteld:

"Agrarische bedrijvigheid

De agrarische bedrijvigheid is van oudsher een belangrijke factor binnen de gemeente. In het beleid legt de gemeente het accent op het behouden en versterken van de bestaande agrarische bedrijvigheid binnen de gemeente Leudal in combinatie met het streven naar een goed woon- en leefklimaat. Ontwikkeling van Agribusiness wordt in dit kader als kansrijk gezien.

De ontwikkeling van de agrarische bedrijvigheid is niet alleen afhankelijk van het ondernemerschap, maar ook van de Europese wet- en regelgeving ten aanzien van landbouwproductie en de milieuwetgeving. Leudal conformeert zich daarom aan de lijn die de reconstructie aanduidt. De gemeenteraad heeft uitgesproken om geen landbouwontwikkelingsgebieden aan te wijzen maar maatwerk te leveren.

Bijzondere aandacht vraagt de ontwikkeling van kleinschalige bedrijfsontwikkelingen in het buitengebied, samenhangend met verbreding en/of beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering. Daardoor neemt het aantal bedrijven die in het buitengebied zorg, recreatie, educatie e.d. aanbieden gestaag toe. De gemeente ondersteunt deze verbreding."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. Het bouwvlak van het bedrijf blijft na realisatie van het project onder de referentiemaat van 1,5 hectare. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling, door het realiseren van een viertal recreatiewoningen, geïnvesteerd in een verbreding van het agrarisch bedrijf met een recreatieve functie. Dit past binnen hetgeen in de structuurvisie is gesteld ten aanzien van agrarische bedrijvigheid.

Verderop in de structuurvisie stelt de gemeente dat zij voor de agrarische sector maatwerk wil leveren. Hierbij is behoud van de omgevingskwaliteit een uitgangspunt. Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van ruimtelijke en/of milieuhygiënische belemmeringen. Tevens zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de voorkomende landschappelijke, natuurlijke, archeologische en/of cultuurhistorische waarden onevenredig worden geschaad. Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van behoud van de omgevingskwaliteit.

Voor wat betreft de omgevingskwaliteit verwijst de gemeente daarnaast naar de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied. De omgevingskwaliteiten van het buitengebied kunnen vooral beleefd vanuit het recreatief gebruik van paden, wegen en de recreatieve steunpunten. De kwaliteiten van de natuur zijn verankerd in de robuuste ecologische structuren en verbindingen (zoals grotere bos- en natuurgebieden), kleine landschapselementen en het divers karakter op de overgangen tussen buitengebied en de dorpen.

De gemeente ziet het als haar basisverantwoordelijkheid voor het behouden van de ruimtelijke karakteristiek en omgevingskwaliteit van haar gemeente. Ten aanzien van het buitengebied stelt de gemeente het volgende:

"In het buitengebied dient voorkomen te worden dat:

  • ontwikkelingen het robuuste karakter van het landschap, de diversiteit en specifieke kenmerken van landschapstypen en ecologische verbindingszones verstoren (voorkomen van versnippering en verrommeling);
  • ontwikkeling de overgang tussen dorp en landschap harder maken;
  • de diversiteit van het landschap wordt aangetast en waardevolle beeldbepalende en cultuurhistorische elementen verdwijnen;
  • ontwikkelingen ertoe leiden dat dorpen aan elkaar groeien of de ruimte tussen de dorpen te klein wordt om de kernspecifieke kwaliteiten los van elkaar te kunnen blijven benoemen."

Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van verstoring van ecologische elementen. De ontwikkeling vindt buiten de gekenmerkte natuurgebieden plaats. Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een goede landschappelijke inpassing op basis van een door een landschapsdeskundige opgesteld landschappelijk inrichtingsplan. Door middel van een goede landschappelijke inpassing wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit en natuurlijke waarde van de omgeving van het gebied. Er zal daarmee eerder sprake zijn van versterking van de natuurgebieden dan van aantasting of versnippering daarvan.

Bij de gewenste ontwikkeling wordt voorzien in groene elementen die de nieuwe bebouwing inkleden in het landschap. Hiermee is geen sprake van een stedelijk aangezicht in het landelijk gebied. Dit draagt bij aan de harde overgang tussen stad en land.

Op basis van advies van een deskundige inzake het invloedsgebied van de beek zijn aanbevelingen gedaan ten aanzien van landschappelijke inpassing en versterking van de landschappelijke kwaliteiten in het gebied. Bij het opstellen van het landschappelijk inrichtingsplan zijn deze aanbevelingen meegenomen en is een goede landschappelijke inpassing tot stand gekomen die bijdraagt aan de diversiteit van het landschap. Er is met de voorgenomen ontwikkeling daarmee geen sprake van aantasting van de diversiteit van het landschap en zullen geen beeldbepalende en cultuurhistorische elementen verdwijnen.

De ontwikkeling zorgt niet voor het aan elkaar groeien van kernen. De locatie is op ruime afstand van andere bebouwing gelegen.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van het behoud van de kernwaarden van de omgeving en dat ter plaatse daarmee wordt bijgedragen aan de omgevingskwaliteit.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Leudal van gemeente Leudal.

3.3.2 Beleidsnota Gebiedsgericht Geluidbeleid Gemeente Leudal

In oktober 2011 is de beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Leudal vastgesteld en in werking getreden. Vanwege het feit dat er binnen de gemeente een aantal relevante ontwikkelingen heeft plaatsgevonden, er op enkele punten nieuwe inzichten zijn heeft een evaluatie en actualisatie en het plaatsgevonden. Deze actualisatie is op 19 september 2014 vastgesteld.

Het gebiedsgericht geluidbeleid biedt een toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen waarin geluid een belangrijke rol speelt. Beleidsregels waaraan bepaalde ontwikkelingen of activiteiten getoetst worden kunnen per gebied verschillend zijn. Het geluidbeleid is een nadere uitwerking van wetten en verordeningen met een geluidaspect, zoals de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer of de Algemene plaatselijke verordening.

Het doel van het gemeentelijke geluidbeleid is om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden of te verbeteren.

Het lokaal geluidbeleid van de gemeente Leudal spitst zich toe op de Wet milieubeheer/Wabo (vergunningverlening), de APV (evenementenbeleid). Tevens kan het geluidbeleid als onderbouwing/ondersteuning van afwegingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening gehanteerd worden.

Het geluidbeleid van de gemeente Leudal is gebiedsgericht. Dat wil zeggen dat de beleidsregels die vastgesteld worden per type gebied verschillend kunnen zijn.

Het hele grondgebied van de gemeente wordt daarom ingedeeld in een aantal akoestische gebiedstypen. Eén gebiedstype heeft overeenkomstige kenmerken wat betreft de ruimtelijk functionele eigenschappen met betrekking tot het gebruik van de ruimte en het heersende of gewenste geluidniveau van het omgevingslawaai (achtergrondgeluidniveau). Per deelgebied is bepaald tot welke categorie van akoestische gebiedstypen het behoort en zijn richtwaarden voor het maximaal toelaatbare geluidniveau en andere beleidsregels vastgesteld.

Volgens de beleidskaart behorende bij de beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid is de locatie van de initiatiefnemer gelegen in een gebied dat is aangemerkt als "landelijk". Binnen dit gebied gelden de volgende richtwaarden (in decibel) voor geluid:

  • Tijdens de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00): 45 decibel;
  • Tijdens de avondperiode (tussen 19:00 en 23:00): 40 decibel;
  • Tijdens de nachtperiode (tussen 23:00 en 7:00): 35 decibel.

Om te borgen dat met de voorgenomen ontwikkeling de richtwaarden voor geluid niet worden overschreden zullen in de vergunning of de melding voorschriften ten aanzien van de maximale geluidsbelasting van de activiteiten worden vastgelegd.

Gezien geen sprake is van een grootschalige ontwikkeling en gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van inrichtingen met een onevenredige geluidsproductie zal geen sprake zijn van een onevenredige verhoging van de geluidsbelasting in de omgeving. De locatie is daarnaast in een rustige omgeving gelegen, waarbij geen sprake is van nabijgelegen inrichtingen met een hoge geluidsbelasting waarmee eveneens geen sprake is van cumulerende geluidsbronnen die de geluidsbelasting in de omgeving kunnen vergroten.

Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Beleidsnota Gebiedsgericht Geluidbeleid Gemeente Leudal van de gemeente Leudal.

3.3.3 Nota kwaliteit gemeente Leudal

Op 2 februari 2010 heeft de gemeente Leudal, gelijktijdig met de structuurvisie, de Nota kwaliteit vastgesteld. In de nota kwaliteit is het beleid van de gemeente opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit.

De nota vertaalt het provinciale beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, zoals is opgenomen in het Limburgs Kwaliteitsmenu 2010, in concrete beleidsuitgangspunten voor de gemeente. De gemeente Leudal heeft in de nota het beleid uit het Limburgs Kwaliteitsmenu onverkort opgenomen. Daarmee is het beleid uit het Limburgs Kwaliteitsmenu onverkort van toepassing op ontwikkelingen in de gemeente Leudal.

In het beleid zoals is opgenomen in de Nota kwaliteit is onderscheid gemaakt in verschillende modules om voor elke soort ontwikkeling buiten de contour de beste resultaten voor kwaliteitsverbetering te behalen.

Onderhavige ontwikkeling is in te delen onder de module 'Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding'.

Als basis geldt voor elke ontwikkeling met betrekking tot bouwen, bouwwerken en verharding van agrarische bedrijven dat:

  • de ontwikkeling wordt ingepast op basis van een inrichtingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke en ruimtelijke inpassing);
  • er ten aanzien van de nieuwe ontwikkeling voorzieningen worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater, waarbij afhankelijk van de situatie dit infiltratie of retentie kan zijn.

Dit betreft de basisinvestering waaraan bij elke ontwikkeling dient te worden voldaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarmee aan het eerste punt uit de basisinvestering wordt voldaan. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voorzien in voorzieningen ten behoeve van de afkoppeling van hemelwater. Hiermee wordt aan het tweede punt uit de basisinvestering voldaan.

In sommige gevallen, met name bij meer grootschalige ontwikkelingen, is de basisinvestering echter onvoldoende om een goede bijdrage te kunnen leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In geval van nieuwvestiging en/of overschrijding van de referentiemaat (1,5 hectare) geldt naast de basisinvestering ook een investering in kwaliteitsverbetering.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwvestiging. Er is immers reeds een agrarisch bedrijf met bouwvlak aanwezig. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van overschrijding van de referentiemaat van 1,5 hectare. Het bouwvlak zal na de gewenste ontwikkeling immers ongeveer 1,22 hectare groot zijn. Hiermee is een aanvullende investering in kwaliteitsverbetering niet noodzakelijk en kan worden volstaan met de basisinvestering.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat aan de eisen voor de basisinvestering wordt voldaan. Omdat geen aanvullende kwaliteitsverbetering nodig is kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Nota kwaliteit van de gemeente Leudal.

De voorgenomen ontwikkeling, waaronder de landschappelijke inpassing, is getoetst door de Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal. De aanvraag is door de Kwaliteitscommissie behandeld in de vergadering van 14 december 2017. Op 20 december 2017 heeft de Kwaliteitscommissie positief op de voorgenomen ontwikkeling gereageerd, met de aanvulling dat een tekening met hoogten in het landschappelijk inrichtingsplan wordt opgenomen. Deze tekening is overhandigd en in het landschappelijk inrichtingpslan opgenomen. Het advies van de Kwaliteitscommissie is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een agrarisch bedrijf, zijnde een schapenhouderij. Ten aanzien van schapenhouderijen zijn in de handreiking de volgende richtastanden opgenomen:

  • Geur: 50 meter.
  • Stof: 30 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 0 meter.

Met de inrichting en het intekenen van het bouwvlak is rekening gehouden met een afstand van 50 meter tot omliggende gevoelige objecten. Dit is weergegeven op de als bijlage bij deze toelichting opgenomen situatietekening op schaal (bijlage 2). Binnen 50 meter van het gewenste bouwvlak zijn daarmee geen gevoelige objecten gelegen. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een viertal recreatiewoningen worden opgericht. Een recreatiewoning kan worden gezien als een gevoelig object. Echter zijn in de omgeving van de locatie alleen burgerwoningen gelegen. Deze zullen niet leiden tot hinder aan de betreffende recreatiewoningen. Hiermee zullen geen omliggende functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied. De gemeente Leudal heeft een eigen geurbeleid vastgesteld, waarmee de normen uit de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 van de gemeente Leudal van toepassing zijn.

Ingevolge deze verordening gelden de volgende geurnormen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0008.png"

Tabel geurnormen verordening geurhinder en veehouderij 2017.
Bron: Gemeente Leudal.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een geurberekening gemaakt met het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen. Uit deze berekening blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling aan de in de Wgv gestelde normen kan worden voldaan. De hoogst berekende belasting op een object in het buitengebied bedraagt 3,3 ouE per m³ (waar een norm geldt van 10 ouE per m³) en de hoogst berekende belasting op een object in de woonkernen en/of kernrandzones bedraagt 0,7 ouE per m³ (waar een norm geldt van 3, respectievelijk 6 ouE per m³) Voor de resultaten van de uitgevoerde berekening wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten aan de omgeving.

Een recreatiewoning is een gebouw dat voldoet aan de definitie "gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt" en is daarmee aan te merken als geurgevoelig object. Echter heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 mei 2019 een uitspraak gedaan (Uitspraak 201801643/1/R1, ECLI:NL:RVS:2019:1431) waarin is bepaald dat een recreatiewoning niet wordt beschouwd als geurgevoelig object wanneer deze niet langer dan 3 weken aaneengesloten door dezelfde personen wordt gebruikt. In de regels behorende bij dit plan is opgenomen dat de recreatiewoningen niet langer dan 3 aaneengesloten weken door dezelfde persoon of personen mogen worden gebruikt. Er is daarmee geen sprake van geurgevoelige objecten.

Om echter zeker te stellen dat ter plaatse van de recreatiewoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is met het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen een berekening gemaakt van de achtergrondbelasting op de recreatiewoningen. Daarbij is berekend wat de geurbelasting op de recreatiewoningen zowel inclusief de bijdrage van het bedrijf zelf als exclusief de bijdrage van het bedrijf zelf.

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentratie de norm van 20 ouE per m³ lucht niet overschrijdt. De hoogste geurbelasting op de recreatiewoningen, inclusief de bijdrage van het eigen bedrijf, bedraagt 17.557 ouE per m³ lucht, waarmee de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat nergens wordt overschreden. Voor de resultaten van de uitgevoerde berekening wordt verwezen naar bijlage 6 van deze onderbouwing.

Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij is daarnaast nog een afstand voorgeschreven die ten minste moet worden aangehouden tussen de veehouderij en een geurgevoelig object op het terrein van de nabijgelegen veehouderij. Hiervoor gelden vaste afstanden ten behoeve van dieren zonder emissiefactoren, zijnde 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De gewenste recreatiewoningen zullen buiten de bebouwde kom worden opgericht, waarvoor de afstand tot een emissiepunt van een dierenverblijf van een andere veehouderij minimaal 50 meter moet bedragen.

Het dichtstbijzijnde ander agrarisch bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 250 meter (gemeten van gewenst bouwvlak tot bouwvlak van het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf). Hiermee zijn binnen 50 meter van de locatie geen veehouderijen gelegen en wordt aan de vereiste afstanden voldaan.

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting

In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen" gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er een totale veestapel zoals in de volgende figuur is weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0009.png"

Tabel gewenste dieraantallen.
Bron: DLV Advies.

Met de gewenste veestapel is sprake van een uitstoot van fijn stof van:

  • 25 x 84 gram per dier per jaar (g/dier/jaar) (emissie van scharrelkippen RAV E 2.100) = 2.100 gram per jaar (g/jaar);
  • 15 x 38 g/dier/jaar (emissie van jongvee RAV A 3.100) = 570 g/jaar;
  • 60 x 86 g/dier/jaar (emissie van zoogkoeien RAV A 2.100) = 5.160 g/jaar;
  • 5 x 33 g/dier/jaar (emissie van kalveren RAV A 4.100) = 165 g/jaar;
  • 11 x 170 g/dier/jaar (emissie van stieren RAV A 6.100) = 1.870 g/jaar;
  • 5 x 153 g/dier/jaar (emissie van varkens RAV D.3.3.2) = 765 g/jaar;

Voor schapen zijn geen emissiefactoren vastgelegd, waarmee het houden van schapen per definitie als NIBM is aan te merken en daarmee geen onevenredig nadelige invloed hebben op de uitstoot van fijn stof.

In totaal is er met de gewenste bedrijfsvoering daarmee sprake van een fijn stof emissie van 2.100 + 570 + 5.160 + 165 + 1.870 + 765 = 10.630 gram per jaar. Dit is voor de totale bedrijfsvoering.

De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0010.png"

Tabel grenswaarden fijn stof op verschillende afstanden.
Bron: ECN.

De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op een afstand van 72 meter (gemeten van gevel van de betreffende woning tot de rand van het gewenste bouwvlak). Hiervoor geldt een NIBM-vuistregelgrens van 324.000 g/jaar. In onderhavig geval is sprake van een emissie van 10.630 g/jaar voor de totale bedrijfsvoering. Dit is minder dan de NIBM-vuistregelgrens, waarmee de voorgenomen uitbreiding als NIBM is aan te merken. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.

Om te bepalen of ter plaatse van de gevoelige objecten in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de omgeving is met het rekenprogramma ISL3a een berekening gemaakt van de fijnstofconcentratie op de gevoelige objecten in de omgeving. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geldt een norm van 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). Daarbij mag sprake zijn van maximaal 35 overschrijdingsdagen. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de hoogste achtergrondconcentratie, inclusief de bijdrage uit het bedrijf van de initiatiefnemer, 18,20 µg/m³ bedraagt. De norm van 40 µg/m³ wordt daarmee niet overschreden. Daarnaast blijkt uit de uitgevoerde berekening dat het aantal overschrijdingsdagen in de voorgenomen situatie maximaal 6,4 bedraagt. Ook dit is ruimschoots onder de norm van 35 overschrijdingsdagen. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit op gevoelige objecten in de omgeving.

Voor de resultaten van de uitgevoerde berekening wordt verwezen naar bijlage 7 van deze onderbouwing.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijn stof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.

4.1.3.3 Luchtkwaliteit ten aanzien van de gewenste recreatiewoningen

Bij een nieuwe ontwikkeling moet, naast het feit dat deze geen onevenredige bijdrage mag hebben aan een toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden, worden gekeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbare achtergrondconcentratie aan fijn stof indien sprake is van nieuwe gevoelige objecten. Bij de gewenste ontwikkeling wordt een viertal recreatiewoningen opgericht, welke zijn aan te merken als gevoelig object. Hierbij dient te worden aangetoond dat de achtergrondconcentratie aan fijn stof de landelijke norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet zal overschrijden.

Om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorgenomen recreatiewoningen is met het rekenmodel ISL3a een berekening gemaakt van de achtergrondconcentratie, waarbij de bijdrage van het bedrijf van de initiatiefnemer is meegenomen. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de landelijke norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 40 µg/m³, waarbij sprake mag zijn van maximaal 35 overschrijdingsdagen, nergens wordt overschreden. De hoogste achtergrondconcentratie op een van de recreatiewoningen bedraagt 18,26 µg/m³ met maximaal 6,4 overschrijdingsdagen. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste recreatiewoningen.

Voor de resultaten van de uitgevoerde berekening wordt verwezen naar bijlage 7 van deze onderbouwing.

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  • Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.
  • Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt, naast de gewenste bedrijfsuitbreiding, een viertal recreatiewoningen opgericht. Recreatiewoningen zijn vanuit de Wgh aan te merken als een geluidsgevoelig object. Gezien de ontwikkeling plaatsvindt in een gebied waarin reeds een aantal burgerwoningen gelegen zijn wordt niet verwacht dat de geluidsbelasting vanuit het (spoor)wegverkeer dusdanig hoog is dat deze de gestelde norm overschrijdt. Voor de overige in het gebied aanwezige woningen gelden immers dezelfde normen. Daarnaast zijn in de omgeving geen inrichtingen gelegen die kunnen leiden tot een mogelijke geluidshinder ter plaatse.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.

4.1.4.2 Industrielawaai

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.3) niet in onevenredige mate toenemen.

Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.4.3 Gemeentelijk geluidbeleid

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Beleidsnota Gebiedsgericht Geluidbeleid Gemeente Leudal" (paragraaf 3.3.2) past de voorgenomen ontwikkeling binnen het gemeentelijke beleid ten aanzien van geluid.

4.1.5 Gezondheid

Effecten van de veehouderij op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.

Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld.

Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. De mogelijkheden voor verspreiding van micro-organismen op een bedrijf zijn onder andere afhankelijk van de opbouw van het bedrijf (open/gesloten units), looproutes van het personeel, de aanvoer en samenstelling van diergroepen, het mengen/verplaatsen van dieren tijdens de productieperiode en de hygiëneregels en de naleving hiervan op het bedrijf.

Met de uitbraak van de Q-koorts, waarbij de grootste oorzaak was terug te leiden naar drachtige geiten en schapen, is nader onderzoek naar gezondheidsaspecten bij veehouderijen uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat bij veehouderijen, en in het bijzonder geiten- en schapenhouderijen, mogelijk uitstoot van ziektekiemen tot gevolg hebben. Hierbij zijn zoönosen de belangrijkste veroorzakers van ziekten.

Zoönosen zijn ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Zoönosen zijn vaak diersoortspecifiek en kunnen veroorzaakt worden door bacteriën, virussen, parasieten en schimmels. De meeste diersoorten kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden, zoals landbouwhuisdieren (kippen, varkens, koeien, geiten, schapen, paarden), wilde dieren (hazen, wilde zwijnen, muizen, ratten, vleermuizen) of huisdieren (honden, katten). Zo'n ziekteverwekker kan bij een dier ziekteverschijnselen veroorzaken, maar dat hoeft niet.

Er zijn verschillende manieren waarop iemand een zoönose kan oplopen. De belangrijkste zijn:

  • inname van besmet voedsel of water;
  • direct en indirect contact met geïnfecteerde dieren;
  • direct contact met besmet dierlijk materiaal zoals bijvoorbeeld abortusmateriaal of mest;
  • inademen van ziekteverwekkers bijvoorbeeld met stofdeeltjes in een stal.

Steeds vaker worden veehouders bij wie de dieren contact hebben met mensen geconfronteerd met de vraag welk risico de dieren vormen voor mensen. Om aan te tonen dat een veehouder maatregelen neemt om zoönosen te voorkomen en de kans op besmetting te beperken, bestaat het Keurmerk Zoönosen van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD).

Het keurmerk zoönosen dient als waarmerk om aan te tonen of een bedrijf een zoönosen verantwoord bedrijf is.

Om het certificaat te verkrijgen dient eerst, in samenwerking met de GD, een checklist te worden ingevuld. In deze checklist geeft de veehouder aan welke maatregelen worden getroffen op het bedrijf om verspreiding van zoönosen zoveel mogelijk te voorkomen. Het invullen van de checklist wordt gedaan in het bijzijn en onder controle van een veearts. Op basis van de ingevulde checklist, welke zorgvuldig wordt gecontroleerd, kent de GD een score toe aan het bedrijf voor zoönosepreventie. Op basis van de toegekende score per onderdeel (algemene deel en de vragen per diersoort die op het bedrijf van belang zijn) wordt samen met de veearts bekeken welke punten voor verbetering in aanmerking komen. Uiteindelijk wordt een definitieve score toegekend. Indien aan de minimaal vereiste score wordt voldaan dan is sprake van een zoönosen verantwoord bedrijf en is het risico op verspreiding van ziekten minimaal. Een certificaat kan alleen worden verkregen indien aan de minimale score wordt voldaan. De initiatiefnemer heeft het certificaat in bezit en scoort ruim boven de minimaal vereiste score en heeft daarmee een zoönosenverantwoord bedrijf met een minimaal risico op verspreiding van ziekten. Voor het certificaar van de initiatiefnemer wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting.

Met veel mensen en dieren die op een kleine oppervlakte samenleven, is het belangrijk om een systeem te hebben dat nauwkeurig en continu de gezondheid van dieren in Nederland in de gaten houdt. De overheid en de veehouderijsector hebben daarom in samenwerking met GD de diergezondheidsmonitoring opgezet. De monitoring houdt de gezondheid van dieren goed in de gaten om dierziekten zo snel mogelijk te kunnen opsporen. Dit zorgt ervoor dat, in geval van ziekten, snel kan worden ingegrepen om verspreiding te voorkomen. Bij het bedrijf van de initiatiefnemer vindt een dergelijke monitoring plaats.

Binnen het bedrijf van de initiatiefnemer worden daarnaast verschillende maatregelen genomen om insleep van dierziekten te voorkomen. Dit zijn maatregelen die bijvoorbeeld wettelijk zijn bepaald maar ook maatregelen die de ondernemer bovenwettelijk treft.

Ongedierte als ratten en muizen kunnen diverse infectieziekten verspreiden tussen de verschillende diergroepen die op het bedrijf aanwezig zijn. Binnen het bedrijf is een ongediertebestrijdingsplan aanwezig.

De initiatiefnemer is abonnee van Provinos Schapenadviesgroep wat inhoudt dat hij op elk moment alle gewenste advies en bijstand kan krijgen door een op schapen gespecialiseerde dierenarts en veeteeltkundige, op het gebied van onder andere dierziekten, zoönosen, wet- en regelgeving, huisvesting, voeding en lammeren opfok.

Provinos schapenadviesgroep onderhoudt een goede relatie met de initiatiefnemer met regelmatige contactmomenten. Alle abonnees, en dus ook de initiatiefnemer, werken met het bedrijfsbehandelplan en -gezondheidsplan voor schapen.

De initiatiefnemer werkt ook met het Zoönose Keurmerk van de Gezondheidsdienst voor Dieren, waarbij via een uitgebreide screening, alle facetten van preventieve maatregelen voor dierziekten (en zoönosen), zoals quarantaine maatregelen, hygiëne, richtlijnen voor erfbetreders, afvoer van dode dieren, registratie en medicijngebruik in opgenomen zijn.

De initiatiefnemer onderkent de risico's van dierziekten en zoönosen en gaat hier verantwoord mee om. Het bedrijf vaccineert op vrijwillige basis jaarlijks alle dieren tegen Q koorts. De initiatiefnemer houdt het bedrijf zo veel mogelijk “gesloten” (geen handel in dieren) om geen risico te lopen op insleep van dierziekten. Het diergeneesmiddelen gebruik van dit bedrijf is zeer laag. Waar mogelijk wordt gekozen voor natuurlijke middelen, mede om duurzaam gebruik van grond en middelen te ondersteunen.

Dit is door Provinos Schapenadviesgroep in een verklaring vastgelegd. Voor deze verklaring wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een zoönosen verantwoord bedrijf. Er worden voldoende maatregelen getroffen om de verspreiding van ziekten te voorkomen en tegen te gaan. Daarnaast worden aanvullende hygiënemaatregelen getroffen en vindt ongediertebestrijding plaats. Ten slotte is sprake van een zorgvuldige monitoring zodat, in geval van ziekten, snel kan worden ingegrepen om verspreiding te voorkomen en tegen te gaan. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van onevenredige risico's ten aanzien van de volksgezondheid. Dit is eveneens door de veearts bevestigd in een verklaring.

4.1.6 Woon- en leefklimaat

Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.6.1 Woon- en leefklimaat op de locatie

Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijn stof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten (recreatiewoningen). Hierbij dient te worden aangetoond of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Op gebied van geur, fijn stof en geluid dient onderzocht te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is het van belang te kijken naar de aspecten geur, geluid, gezondheid en luchtkwaliteit.

In de directe omgeving van de locatie zijn geen inrichtingen gelegen die mogelijk leiden tot een onevenredige geurhinder ter plaatse van de gewenste nieuwe recreatiewoningen. Zoals aangetoond in de paragrafen "Geur" (paragraaf 4.1.2), "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) en "Geluid" (paragraaf 4.1.4) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder ter plaatse, waarmee kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op deze aspecten.

Ten aanzien van gezondheid dient te worden gekeken naar mogelijke risico's voor de volksgezondheid. Dit betreft voornamelijk veehouderijen en/of industriële bedrijven met een mogelijk risico op de uitstoot van schadelijke stoffen en/of zoönosen. In de nabije omgeving van de locatie zijn geen veehouderijen en/of industriële bedrijven gelegen. De omgeving bestaat voornamelijk uit landbouwgronden, natuurgebieden en burgerwoningen. Vanuit de omgeving is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor de volksgezondheid. Dit is eveneens nader uitgewerkt in de paragraaf "Gezondheid" (paragraaf 4.1.5).

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.6.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving

Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijn stof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving.

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.7 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

4.1.7.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0011.png"

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).

Nabij de locatie is een tankstation met LPG vulpunt gelegen. Voor een dergelijke inrichting geldt een risicocontour voor het plaatsgebonden risico van 110 meter. Deze is in de voorgaande figuur weergegeven. Naast de vastgestelde risicocontour voor het plaatsgebonden risico geldt een invloedsgebied voor het groepsrisico van 150 meter. Het betreffende tankstation met LPG vulpunt is gelegen op een afstand van ongeveer 500 meter van de locatie. Hiermee is de locatie niet binnen het invloedsgebied van het betreffende tankstation met LPG vulpunt gelegen.

Nabij de locatie is een weg gelegen waarover mogelijk transport plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Dit betreft de Rijksweg (N280). Voor de betreffende transportroute geldt geen risicocontour voor het plaatsgebonden risico. Wel geldt een invloedsgebied voor het groepsrisico van 200 meter. De locatie is gelegen op ongeveer 525 meter van deze weg. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van de betreffende weg met transport van mogelijk gevaarlijke stoffen gelegen.

4.1.7.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.

4.1.7.3 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.8 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.

De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt is in gebruik als weidegrond, meer specifiek als weide voor begrazing van enkele pony's. Daarvoor is de grond in gebruik geweest als landbouw- en weidegrond. Uit ervaring blijkt dat deze gronden nagenoeg altijd schoon zijn. Een uitzondering hierbij is als bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt, boomgaarden aanwezig zijn geweest of sloten zijn gedempt. In onderhavig geval is, voor zover bekend, geen sprake van gebruik van bestrijdingsmiddelen, boomgaarden en/of gedempte sloten. Hiermee is geen sprake van een te verwachten verontreiniging.

Om zeker te zijn dat de bodem ter plaatse niet is verontreinigd is door een gespecialiseerd onderzoeksbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor de gewenste activiteit. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze toelichting.

Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

4.1.9 Voortoets MER-beoordeling

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

4.1.9.1 Omvang van het project

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in uitbreiding van een agrarisch bedrijf en het oprichten van een viertal recreatiewoningen. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met:

  • 40.000 stuks pluimvee;
  • 2.000 stuks mestvarkens;
  • 750 stuks zeugen;
  • 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar;
  • 1.200 stuks vleesrunderen;
  • 2.000 stuks schapen of geiten;
  • 2.000 woningen.

Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een totale veestapel van 25 scharrelkippen, 15 stuks jongvee, 60 stuks zoogkoeien, 5 kalveren, 11 stieren, 848 schapen en 5 varkens. Tevens wordt een viertal recreatiewoningen opgericht. Met de gewenste bedrijfsomvang wordt geen van de gestelde drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang overschreden.

Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.

4.1.9.2 Plaats van het project

De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.

De gehouden dieren worden daarnaast ingezet voor het extensief begrazen van natuurgebieden, waarmee wordt bijgedragen aan een duurzaam en agrarisch onderhoud van de betreffende gebieden. Dit zal daarmee niet leiden tot aantasting van deze gebieden, maar eerder tot een versterking ervan.

4.1.9.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project

De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.8) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierenverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1).

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie weten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Leudal) is gelegen op een afstand van ongeveer 2,2 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Echter is voor de totale bedrijfssituatie en de gewenste dieraantallen op 23 maart 2017 een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen van de provincie Limburg (kenmerk 2017/20623 en zaaknummer 2015-0197). Deze wordt uitsluitend verleend indien met de gewenste ontwikkeling geen sprake is van significante effecten op de betreffende gebieden. Gezien de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming reeds is verkregen kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredig negatieve effecten op de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0012.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  • Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).
  • Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in de eerste twee fasen van het voorgenomen project (de nieuwbouw van de bebouwing) geen belemmeringen te verwachten zijn, mits vleermuisvriendelijke verlichting wordt toegepast en rekening wordt gehouden met het vogelbroedseizoen. In fase 3 (de sloop van de bebouwing) zal naar waarschijnlijkheid ook niet leiden tot belemmeringen, mits tijdig aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde vaste rust en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw, vleermuizen en steenmarter wordt uitgevoerd.

De conclusies uit het onderzoeken leiden, mits vleermuisvriendelijke verlichting wordt toegepast en rekening wordt gehouden met het vogelbroedseizoen, voor het realiseren van de nieuwbouw nog niet tot een nadere onderzoeksplicht. Pas bij de verbouw- en sloopwerkzaamheden is aanvullend onderzoek nodig naar jaarrond beschermde vaste rust en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw, vleermuizen en steenmarter. De initiatiefnemer zal dit vervolgonderzoek tijdig laten uitvoeren zodat dit voor aanvang van de verbouw- en sloopwerkzaamheden is uitgevoerd. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is echter aan de overzijde van de Stekstraat gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0013.png"

Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Limburg.

Het NNN heeft geen externe werking. De bescherming van deze gebieden ziet toe op ontwikkelingen die in het NNN plaatsvinden. Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

Wel kan op een dergelijk korte afstand sprake zijn van mogelijke aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten vanuit het NNN gebied. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Soortenbescherming" (paragraaf 4.2.1.3) is, op basis van onderzoek naar mogelijk voorkomende soorten, te stellen dat met de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting geen sprake zal zijn van aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten flora en fauna.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een onevenredige aantasting van NNN gebieden.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij

Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Het dichtstbijzijnde Wav-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 410 meter van de locatie (gemeten van gewenst bouwvlak tot de grens van het betreffende gebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0014.png"

Uitsnede kaart Wav-gebieden.
Bron: Provincie Limburg.

Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Leudal voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente Leudal heeft het gemeentelijke beleid ten aanzien van archeologie verankerd in het bestemmingsplan voor het buitengebied door middel van het opnemen van dubbelbestemmingen. De gewenste ontwikkeling vindt plaats in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.

Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld.

Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake zal zijn van een bodemverstoring van meer dan 1.000 m² en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een lage verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden. Er bestaan vanuit archeologisch oogpunt dan ook geen bezwaren tegen de uitvoer van de voorgenomen ontwikkeling. De onderzoeker adviseert het plangebied vrij te geven van archeologische waarden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 12 van deze toelichting.

Indien tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen dan zal dit terstond bij het bevoegd gezag worden gemeld conform de wettelijke plicht uit artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

Op basis van het archeologisch onderzoek wordt aanbevolen het plangebied vrij te geven van archeologische waarden en verwachtingen. Het bevoegd gezag (de gemeente) heeft deze aanbeveling overgenomen. De gronden zullen daarmee archeologisch worden vrijgegeven. Om deze reden is de begrenzing van de ter plaatse toegekende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' gewijzigd in die zin dat deze van het onderzochte plangebied is verwijderd.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling naar alle waarschijnlijkheid geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen en is de locatie in een cultuurhistorisch landschap gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0015.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Limburg.

De locatie is in een cultuurlandschap gelegen. Een deel van dit cultuurlandschap is aangemerkt als enkeerdgrond en een ander deel van dit landschap is aangemerkt als gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon. Het is van belang dat de gewenste ontwikkeling het landschap niet onevenredig zal aantasten. Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. De referentiemaat voor agrarische bedrijven (1,5 hectare) wordt niet overschreden. Daarnaast is voor de gewenste ontwikkeling advies ingewonnen inzake een ontwikkeling in het invloedsgebied van de beek. Hierbij is gekeken naar de kenmerken van het landschap en op basis daarvan een advies met aanbevelingen opgesteld. Aan de hand van dit advies is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin deze aanbevelingen zijn meegenomen om zo te komen tot een inrichting van het erf met een positieve bijdrage aan het landschap. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling ingezet op duurzaam en agrarisch beheer van de cultuurhistorische landschappen en natuurgebieden. Hiermee wordt bijgedragen aan een versterking van het cultuurlandschap.

De Stekstraat is aangemerkt als een hoofdweg en als andere weg ouder dan 1806. Met de voorgenomen ontwikkeling vinden geen aanpassingen aan de Stekstraat plaats. De structuur van de Stekstraat zal daarmee niet worden aangetast.

Nabij de locatie zijn een kruis en kerk met historische waarde gelegen. De ontwikkeling zal geen invloed hebben op deze elementen, waarmee deze niet onevenredig zullen worden geschaad.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Stekstraat. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

4.4.2 Parkeren

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt berekend op basis van het gestelde in de Nota Parkeernormen van de gemeente Leudal.

In deze nota zijn parkeernormen voor verschillende typen bedrijven opgenomen. De opgenomen parkeernormen zijn minimum normen. Dit betekent dat ten minste het aantal aangegeven parkeerplaatsen gerealiseerd moet worden.

Voor agrarische bedrijven zijn geen concrete parkeernormen opgenomen. Voor agrarische bedrijven moet daarom worden aangesloten bij de normen voor bezoekers extensieve en arbeidsextensieve bedrijven. Dit is echter meer een richtlijn voor bedrijven op een industrieterrein dan voor loonwerkbedrijven. Zeker op een bedrijf als dat van de initiatiefnemer, waarin de werkzaamheden door de initiatiefnemer zelf worden uitgevoerd en geen sprake is van personeel, sluit een parkeernorm voor dergelijke bedrijven wellicht niet altijd even goed aan.

De initiatiefnemer voert zelf de bedrijfswerkzaamheden uit. Er is geen sprake van personeel in dienst. De initiatiefnemer is woonachtig in de bedrijfswoning, welke reeds is voorzien van voldoende parkeergelegenheid voor eigen auto's. Voor de initiatiefnemer is daarmee geen extra parkeergelegenheid nodig. Omdat de initiatiefnemer zelf de werkzaamheden uitvoert en er geen sprake is van personeel in het bedrijf is ook voor personeel geen parkeergelenheid nodig.

Incidenteel komen, ten behoeve van leveringen en diensten, bezoekers op het bedrijf (denk hierbij voornamelijk aan een veearts of een adviseur). In de worst-case situatie zullen twee auto's gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn. Dit zal echter slechts zeer incidenteel voorkomen. Om hiervoor te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en om rekening te houden met een mogelijke groei van de parkeerbehoefte in de toekomst wordt door de initiatiefnemer voorzien in 3 parkeerplaatsen bij het bedrijf. Dit is ruim voldoende om het parkeren geheel op eigen terrein te realiseren.

Voor de recreatiewoningen zijn ook geen specifieke parkeernormen opgenomen. Echter kan hiervoor worden aangesloten bij de norm van bungalowparken en huisjescomplexen. Voor deze voorzieningen geldt een parkeernorm van 2,2 per bungalow/huisje. Voor de recreatiewoningen kan worden aangesloten bij deze parkeernorm. Voor de vier gewenste recreatiewoningen zijn derhalve 9 parkeerplaatsen nodig (4 recreatiewoningen x 2,2 parkeerplaatsen = 8,8 parkeerplaatsen, afgerond 9 parkeerplaatsen).

De initiatiefnemer zal bij de recreatiewoningen voorzien in 9 aanvullende parkeerplaatsen. Hiermee wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de voorgenomen ontwikkeling.

De parkeerplaatsen, zowel voor het bedrijf als voor de recreatiewoningen, zijn aangegeven op de situatietekening op schaal zoals deze als bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen.

Hiermee zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.3 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het uitbreiden van een agrarisch bedrijf en het realiseren van een viertal recreatiewoningen, welke als nevenactiviteit bij het bedrijf zullen worden geëxploiteerd.

In de totale bedrijfssituatie zal, in een worst-case scenario, sprake zijn van het volgende aantal verkeersbewegingen:

  • Vrachtverkeer voor de aan- en afvoer van dieren, voer en goederen: maximaal 8 voertuigen (dus maximaal 16 verkeersbewegingen) per maand;
  • Tractorbewegingen voor het inkuilen van voer en werkzaamheden op het land: maximaal 8 voertuigen (dus maximaal 16 verkeersbewegingen) per maand;
  • Personenauto's (eventueel met trailer) ten behoeve van privébewegingen en met een auto in het veld voor het halen en brengen van dieren of het begeleiden van dieren: maximaal 10 voertuigen (dus maximaal 20 verkeersbewegingen) per dag.

Terug gerekend naar een aantal verkeersbewegingen per dag zal sprake zijn van gemiddeld 1 verkeersbeweging per dag met vrachtverkeer en/of landbouwverkeer (tractoren) en gemiddeld 20 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer.

Bij deze verkeersbewegingen is uitgegaan van de worst-case situatie. In de praktijk zal doorgaans sprake zijn van minder verkeersbewegingen.

Naast de vaste verkeersbewegingen is incidenteel, slechts één dag per jaar, voor de afvoer van mest sprake van 20 voertuigen (dus 40 verkeersbewegingen) met tractoren. Dit is slechts één dag per jaar in de periode februari tot maart.

Een totale bedrijfssituatie met ongeveer 21 verkeersbewegingen per dag (waarvan slechts 1 met tractor of vrachtverkeer) betreft geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Dit is nog minder dan 1 beweging per uur. Gemiddeld betekent dit elke 2 uur één voertuig. Dit is op basis van het normale wegverkeer verwaarloosbaar.

Naast verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijf zullen verkeersbewegingen ten behoeve van de recreatiewoningen plaatsvinden. Dit betreffen echter uitsluitend verkeersbewegingen met personenvervoer en niet met (zwaar) landbouwverkeer en/of vrachtverkeer. Bij de gewenste ontwikkeling wordt voorzien in 4 recreatiewoningen. Het is daarbij van belang te kijken naar hoeveel verkeersbewegingen een recreatiewoning gemiddeld genomen genereert.

De handreiking "Verkeersgeneratie voorzieningen" (CROW) bevat kengetallen ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking voor diverse voorzieningen.

Recreatiewoningen zijn niet in de handreiking genoemd. Derhalve is aansluiting gezocht bij het kengetal voor bungalowparken. De verkeersgeneratie van bungalows bedraagt volgens deze handreiking gemiddeld één verkeersbeweging per weekdag per bed. Per recreatiewoning zal worden voorzien in ongeveer 6 slaapplaatsen, waarmee in totaal sprake zal zijn van 24 bedden. Per dag zal er daarmee, bij een volle bezetting, sprake zijn van gemiddeld 24 verkeersbewegingen met personenvervoer. Dit is gemiddeld slechts één verkeersbeweging met personenvervoer per uur. Ook dit is op basis van het normale wegverkeer verwaarloosbaar.

Bij de verkeersbewegingen is uitgegaan van een volle bezetting en de worst-case situatie op het bedrijf. De daadwerkelijke aantallen zullen in de praktijk vaak lager liggen.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Wateraspecten

4.5.1 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een agrarisch bedrijf en het oprichten van een viertal recreatiewoningen.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:

  • Bij een bui in de situatie T=10 (een bui die gemiddeld eens in de 10 jaar voorkomt) geldt een buffer voor compenserende waterberging van 44 mm (0,044 m).
  • Bij een bui in de situatie T=100 (een bui die gemiddeld eens in de 100 jaar voorkomt) geldt een buffer voor compenserende waterberging van 84 mm (0,084 m).

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen met ongeveer 3.200 m2. Tevens zal worden voorzien in ongeveer 2.350 m² aan erfverharding. De totale toename van het verharde oppervlak komt daarmee op ongeveer 5.550 m². Vanuit het beleid van het waterschap geldt hierbij een buffer van 0,044 meter in de situatie T=10. Op basis hiervan is voor de situatie T=10 een compensatie nodig van 5.550 x 0,044 = 244,2 m³, afgerond 245 m³.

Daarnaast moet worden verantwoord hoe met de situatie T=100 wordt omgegaan. Voor T=100 geldt een buffer van 0,084 meter. Indien op eigen terrein voldoende ruimte beschikbaar is mag, in plaats van compensatie, ter plaatse sprake zijn van inundatie. Dit houdt in dat een deel van het terrein gedurende één dag onder water mag staan, mits dit niet leidt tot wateroverlast voor omliggende percelen. Op eigen terrein is voldoende ruimte (weidegrond) aanwezig voor inundatie. Het is daarmee niet noodzakelijk te voorzien in aanvullende compensatie voor de situatie T=100.

Compensatie zal plaatsvinden door middel van waterberging. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2).

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;
  • een bergingsvoorziening gerealiseerd.

De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd.

Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.2 Compenserende waterberging

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling 245 m3 aan compenserende waterberging nodig.

Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de GHG ter plaatse tussen de 80 en 140 centimeter onder het maaiveld (gemiddeld 110 centimeter onder het maaiveld).

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19BaStekstraat18-ON01_0016.png"

Uitsnede kaart grondwaterstanden.
Bron: Alterra Wageningen UR.

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak ter plaatse zal door de initiatiefnemer ter plaatse een infiltratievoorziening aanleggen. Deze voorziening zal voldoende groot worden aangelegd om de gestelde capaciteit te kunnen bergen. De gewenste ligging en nadere uitwerking van de gewenste bergingsvoorziening is opgenomen in de situatietekening op schaal, zoals als bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen.

Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.

Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:

" Artikel 6.2.1

Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a en/of b van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte plankosten, kosten van de procedure, kosten voor eventuele planschade en kosten voor het vastleggen van de landschappelijke inpassing voor rekening van de initiatiefnemer zijn.

Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" en het Reparatie- en Veegplan "Buitengebied Leudal 2016" van gemeente Leudal en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft de initiatiefnemer een dialoog met de omgeving gevoerd waarin de plannen zijn toegelicht aan omwonenden en belanghebbenden. De uitvoering en uitkomsten uit deze dialoog zijn nader omschreven in de paragraaf "Omgevingsdialoog" (paragraaf 5.2.1).

5.2.1 Omgevingsdialoog

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft de initiatiefnemer een zorgvuldige dialoog gevoerd met de omgeving, waarin de voorgenomen ontwikkeling is toegelicht aan omwonenden en belanghebbenden. Daarbij zijn de omwonenden en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om eventuele reacties en/of bezwaren op de plannen van de initiatiefnemer kenbaar te maken.

De initiatiefnemer heeft ervoor gekozen om de omwonenden en belanghebbenden persoonlijk te bezoeken om de plannen toe te lichten. Tijdens de gesprekken zijn de plannen voor het doorontwikkelen van de agrarische locatie Stekstraat 18 te Baexem doorgenomen. Aan de orde zijn gekomen:

  • de uitbreiding van het agrarisch bouwblok t.b.v. de nieuwbouw van de zoogkoeien- en de schapenstal.
  • de bestemmingsplanwijziging t.b.v. de bouw van een of meerdere recreatiewoningen.
  • de landschappelijke inpassing van het toekomstig bouwblok en de gebouwen.
  • de renovatie van de woning (op termijn).

Aan de hand van het landschapsinpassingsplan zijn de plannen besproken. Er is gekeken naar de situering van de woning van betrokken ten opzichte van het plangebied. Hierbij is ook gekeken naar het uitzicht dat bewoner heeft op de nieuwe situatie. Daarbij is een toelichting gegeven op de plannen zoals nader zijn omschreven in dit plan.

De plannen zijn door de buurtbewoners in goede orde ontvangen. De initiatiefnemer is een warm welkom geheten door de buurt. Ook het landschapsinpassingsplan wordt als positief gezien. Hierdoor vallen de stallen minder op in het landschap. Daarnaast probeert de initiatiefnemer met zoveel mogelijk zaken rekening te houden, zoals de glooiing van het landschap, beschermd beekdal, landschappelijke inpassing in de natuurlijke omgeving en de historie van de omgeving en de boerderij.

Tijdens de dialoog zijn de omwonenden op de volgende adressen bezocht:

  • Stekstraat 15 te Baexem;
  • Stekstraat 21 te Baexem;
  • Stekstraat 30 te Baexem;
  • Beekkant 17 te Baexem;
  • Beekkant 26 te Baexem;
  • Beekkant 29 te Baexem;
  • Beekkant 29a te Baexem;
  • Rijksweg 2 te Baexem;
  • Baexemerweg 2 te Horn.

Van alle bezochte partijen hadden alleen de bewoners van de woningen aan de Stekstraat 15, de Beekkant 29 en de Beekkant 29a aanvullende vragen en/of opmerkingen. De overige omwonenden hebben aangegeven geen opmerkingen en bezwaren te hebben.

De bewoners van de woningen gelegen aan de Beekkant 29 en 29a hebben vragen over uitzicht op de stallen, geur- en of geluidsoverlast. Zij geven aan hier als particuliere bewoners te wonen op het platteland. Hierbij geven ze aan dat ze zich af vragen welke invloed de bedrijfsverplaatsing naar de stekstraat heeft op hun leefgenot (geur, geluid, vliegen e.d.). Ze willen zich hier graag een voorstelling van kunnen maken hoe dit gaat worden, maar begrijpen ook dat dit pas duidelijk wordt als alles gerealiseerd wordt.

Hierbij heeft de initiatiefnemer aangegeven dat wordt gewerkt volgens de regels die er zijn en binnen de normen die gelden, maar dit neemt niet weg dat buurtbewoners hieraan andere waarden toekennen.

De initiatiefnemer heeft aangegeven dat als er zich zaken voordoen die overlast veroorzaken dat deze rechtstreeks gemeld worden aan de initiatiefnemer, waarbij men met elkaar in gesprek gaat en wordt gezocht naar een oplossing voor de toekomst.

Afgesproken is om een veldbijeenkomst te houden met de bewoners van Beekkant 29a om enerzijds te kijken naar de situering van de stallen en de mogelijke gevolgen voor het uitzicht. Anderzijds om te kijken welke de meest geschikte locatie is voor de mestopvang.

Deze veldbijeenkomst op de planlocatie Stekstraat 18 is gehouden op 11 september 2018. Hierbij zijn de contouren van de toekomstige stallen als mede de grens van het toekomstig bouwblok uitgezet zodat hiervan een beeld gevormd kon worden. Ook is gesproken over de mestopslag. Deze is nu gesitueerd achter de stallen en gelegen tussen de bewoners van beekkant 29 en 29a en de Stekstraat 21. Doordat deze enigszins verdiept komt te liggen (door het afvlakken van het bouwvlak en de landschappelijke inpassing) werd dit niet als storend ervaren. Hierbij is tevens aangegeven dat de mestopslag bij geuroverlast wordt afgedekt met plastic. Voorts werd opgemerkt dat de robuustheid van de plannen meeviel en dat de gevolgen van bijvoorbeeld de uitstoot van fijnstof e.d. beperkt zijn omdat het een schapenhouderij betreft.

De initiatiefnemer heeft getracht zo goed mogelijk weer te geven hoe de nieuwe situatie er uit komt te zien.

Na afloop werd aangegeven dat het prettig was om de situatie op de locatie zelf te bekijken en een vervolg gesprek te hebben. Naar aanleiding van dit gesprek hebben de bewoners van de Beekkant 29 en 29a een korte mail met een verslag gestuurd, waarin zij aangeven de dialoog als prettig te hebben ervaren en dat er voldoende aandacht aan de vragen en wensen die zij hebben gesteld is geschonken. Zij geven aan geen bezwaren te hebben op de plannen en zullen contact onderhouden met de initiatiefnemer.

Op zondag 22 augustus 2018 is gesproken met bewoners van Stekstraat 21. Hier is kort met de bewoners gesproken en aangegeven dat we plannen hebben de bestaande locatie uit te breiden.

Zij gaven aan sinds kort huurder te zijn van het pand en hebben ons doorverwezen de eigenaar van het pand, tevens eigenaar van het pand aan de Stekstraat 15. De locatie Stekstraat 15 is de dichtstbijzijnde burgerwoning ten opzichte van de planlocatie. Door de bouw van de stallen en de landschappelijke inpassing zal de omgeving veranderen.

De plannen zijn door de initiatiefnemer nader toegelicht aan de eigenaar van de betreffende panden. Zij hebben vragen over de invloed van de uitbreiding op de woning. Hierbij zijn zaken besproken als geur, geluidsoverlast en mogelijke vliegenoverlast. De initiatiefnemer heeft aangegeven binnen de wettelijke regels en normen te zullen werken en zoveel mogelijk rekening te houden om de overlast op de betreffende woningen zo beperkt mogelijk te houden.

De initiatiefnemer zal goede contacten onderhouden in de buurt en zal bij eventuele klachten uitvoerig overleggen over hoe hier mee om te gaan in de toekomst. De betrokkenen kijken met een goed gevoel terug op de gehouden dialoog.

Hiermee is sprake van een goede en zorgvuldige dialoog met de omgeving, waarmee er sprake is van maatschappelijke betrokkenheid bij de plannen. De betrokkenen hebben aangegeven geen bezwaar te zullen maken op de plannen, waarmee het plan maatschappelijk haalbaar wordt geacht.

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Leudal vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Agrarisch', waarbij de functie van het uitvoeren van het gewenste agrarisch bedrijf wordt neergelegd.
  • 'Waarde - Archeologie 5', waarbij de bescherming van archeologische waarden in de grond wordt geborgd.

Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:

  • Ten behoeve van de gewenste recreatiewoningen zal ter plaatse de aanduiding 'recreatiewoning' worden opgenomen. Op basis van de regels wordt binnen deze aanduiding het gebruik van maximaal 4 recreatiewoningen mogelijk gemaakt. Permanente bewoning wordt in de regels uitgesloten.
  • Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het bouwvlak ter plaatse vergroot. Het aangepaste bouwvlak is op de verbeelding opgenomen.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).

Hoofdstuk 7 Procedure

Op onderhavig plan is de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. In het kader van deze procedure wordt het voorliggende plan in verschillende planfasen beoordeeld en ter inzage gelegd.

Het voorliggende plan is in concept opgesteld en door zowel initiatiefnemer als gemeente en Omgevingsdienst beoordeeld. In deze fase is het plan beoordeeld op ruimtelijke en milieutechnische aspecten en op de haalbaarheid. Daarnaast is het plan in deze fase getoetst aan het ruimtelijk beleid van de verschillende overheden.

Het concept is aan de verschillende vooroverlegpartners (provincie, waterschap en rijksdiensten) informeel ter beoordeling aangeboden. De vooroverlegpartners hebben geen opmerkingen geplaatst en kunnen instemmen met de voorgenomen ontwikkeling.

Het plan is, omdat het vooroverleg reeds informeel heeft plaatsgevonden, als ontwerp ter inzage gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van PM tot en met PM voor eenieder ter inzage gelegen. De datum van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan en de wijze waarop het plan geraadpleegd kon worden is gepubliceerd in de Staatscourant, op de gemeentelijke website en in de lokale huis-aan-huis bladen van de gemeente. Tijdens de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn tijdens deze ter inzage termijn PM  zienswijzen op het plan ingediend.

Het plan is op PM door de gemeenteraad van de gemeente Leudal op PM vastgesteld. Het vastgestelde bestemmingsplan heeft voor eenieder van PM tot en met PM ter inzage gelegen. De datum van publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan en de wijze waarop het plan geraadpleegd kon worden is gepubliceerd in de Staatscourant, op de gemeentelijke website en in de lokale huis-aan-huis bladen van de gemeente. Tijdens de ter inzage termijn van het vastgestelde bestemmingsplan zijn de indieners van een zienswijze en belanghebbenden die, wegens overmacht of omstandigheden niet eerder in de gelegenheid zijn geweest een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan, in de gelegenheid gesteld om beroep aan te tekenen op het vastgestelde bestemmingsplan. Tijdens de ter inzage termijn van het vastgestelde bestemmingsplan zijn PM beroepsschriften ingekomen.

Het plan is op PM onherroepelijk in werking getreden.