direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kern Neer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Reden voor bestemmingsplan

De gemeente Leudal is bezig om alle bestaande bestemmingsplannen in de gemeente te actualiseren, zo ook voor de kern Neer. De vigerende bestemmingsplannen voor de kern Neer zijn ouder dan tien jaar (het oudste is meer dan 40 jaar oud).

Om een aantal redenen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk en kan niet worden volstaan met bijvoorbeeld alleen een aanpassing van de planregels:

  • in de plangebieden gelden in veel gevallen meerdere, oude bestemming- of wijzigingsplannen dan wel partiële herzieningen. Daarnaast zijn er diverse vrijstellingsprocedures gevoerd in het gebied welke niet zijn gevolgd door planherzieningen. Door deze verschillende planvormen ontbeert op dit moment duidelijkheid en overzichtelijkheid en laat de hanteerbaarheid te wensen over;
  • op grond van het bepaalde in artikel 3.1, lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Leudal in principe verplicht om bestemmingsplannen tenminste éénmaal in de tien jaren te herzien als men leges wil blijven vorderen. Voor de meeste bestemmingsplannen geldt dat deze termijn verlopen is. Concreet betekent dit dat de gemeente voor 1 juli 2013 moet beschikken over actuele juridisch-planologische regimes;
  • als gevolg van de wijzigingen in de bouwregelgeving bestaat er behoefte aan aanpassing en modernisering van de planregels. De nieuwe planregels dienen goed hanteerbaar, inzichtelijk, toegankelijk en bij voorkeur uniform voor de hele gemeente te zijn;
  • de in de loop der tijd gerealiseerde veranderingen in de bebouwing dienen planologisch te worden geregeld;
  • herziening is verder nodig in verband met nieuwe inzichten met betrekking tot de inrichting van bestemmingsplannen en de toegenomen milieuzorg;
  • de gemeente wil haar ruimtelijke plannen digitaal raadpleegbaar hebben, reden waarom nieuwe bestemmingsplannen conform de landelijke RO-standaarden 2012 worden opgesteld.

Doel van de herzieningsoperatie is om te beschikken over actuele bestemmingsplannen, waarin:

  • het huidig gebruik van gronden en opstallen zo goed mogelijk positief wordt bestemd;
  • een aantal ontwikkelingsmogelijkheden wordt afgebakend;
  • een juridisch systeem wordt gekozen, dat past in deze tijd;
  • passende zorg wordt gegeven aan milieucomponenten;
  • beschikt kan worden over digitale verbeeldingen, conform IMRO-model, waardoor deze plannen ook digitaal kunnen worden geraadpleegd.

Vanwege de voorbereidings- en wettelijke doorlooptijden is het niet haalbaar gebleken om voor alle kernen en bedrijventerreinen voor 1 juli 2013 te beschikken over een actueel bestemmingsplan. Om toch over een actueel planologisch-juridisch regime te beschikken, heeft de gemeente Leudal onder andere voor de kern Neer een beheersverordening opgesteld. Door middel van de beheersverordening is het geldende planologisch-juridische regime van toepassing verklaard. Dit, in combinatie met de korte procedure, maakt dat de termijn van 1 juli 2013 wel gehaald is.

De beheersverordening heeft een tijdelijk karakter vanwege het feit dat de bestaande juridisch-planologische regeling verlengd is en slechts een beperkte actualisering en uniformering heeft plaatsgevonden. De beheersverordening wordt dan ook door middel van het onderhavige plan opgevolgd door een nieuw bestemmingsplan voor de kern Neer.

1.2 Ligging en grens van het plangebied

De kern Neer is gelegen in het noordoostelijke deel van de gemeente Leudal, aan de westzijde van de Maas. Door het plangebied loopt de N273. Rondom de kern zijn voornamelijk landbouwgronden gelegen.

De plangrens is afgebeeld op afbeelding 2. Het als zodanig afgebakende gebied wordt in het verdere vervolg van deze toelichting aangeduid als "plangebied". Bij het bepalen van de planbegrenzing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • er is een éénduidige en herkenbare plangrens getrokken;
  • de bestaande perceel- en eigendomsgrenzen worden zoveel mogelijk gerespecteerd;
  • er is zoveel mogelijk uitgegaan van het huidig gebruik van de gronden;
  • het plangebied is hiermee groter dan het deel van Neer dat is gelegen binnen de provinciale contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1. Topografische kaart kern Neer.  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2. Begrenzing plangebied kern Neer (zwart) en rode contour (rood).  

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader

In het plangebied geldt de beheersverordening Kern Neer. Deze is vastgesteld op 16 april 2013. In de 'Beheersverordening kern Neer' zijn de voorschriften/regels en bijbehorende plankaart(en)/verbeelding(en) van de in tabel 1 genoemde bestemmingsplannen, alsmede de verleende vrijstellingen/ontheffingen/afwijkingen van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor de woonbestemmingen uit deze bestemmingsplannen geldt echter de bestemming 'Wonen' uit de beheersverordening.

In de onderstaande tabel zijn de voor het plangebied de van toepassing verklaarde bestemmingsplannen opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0004.png"  
Tabel 1. Van toepassing verklaarde bestemmingsplannen.  

1.4 Leeswijzer

Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft een terreinverkenning en inventarisatie van de kern Neer plaatsgevonden. Daarnaast is het relevante beleid geanalyseerd. Deze inventarisatie staat aan de basis van deze toelichting.

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

De hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 2. Op basis van de inventarisatiegegevens is het plangebied in hoofdstuk 3 beschreven onder meer aan de hand van functionele en ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 is aangegeven hoe wordt gehandhaafd op dit plan. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 een beschrijving van de gevoerde communicatie.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Het rijksbeleid zal worden besproken aan de hand van het overkoepelend stuk de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de Beleidslijn grote rivieren en de Waterwet. Voor het provinciaal beleid wordt gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006, eveneens een overkoepelend beleidsstuk, en de Provinciale Woonvisie. Het regionaal beleid komt middels de Regiovisie 2008-2028 en de Regionale Woonvisie aan bod. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ten slotte ingegaan op het Kaderplan bestemmingsplannen kernen Leudal, het gemeentelijk Handboek Ruimtelijke Plannen, de Strategische Overallvisie en de Structuurvisie Leudal.

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In deze structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.

De nieuwe structuurvisie vervangt verschillende bestaande nota's, zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap en de agenda Vitaal platteland.

Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

De 13 nationale belangen zijn als volgt:

Versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland

  • Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren.
  • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie.
  • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen.
  • Efficiënt gebruik van de ondergrond.

Verbeteren bereikbaarheid: Slim Investeren, Innoveren en Instandhouden

  • Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
  • Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen.
  • Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.

Waarborgen kwaliteit leefomgeving

  • Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
  • Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.
  • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.
  • Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.
  • Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

In het plangebied is het nationale belang 'Ruimte voor waterveiligheid' uit de structuurvisie van toepassing. Dit nationale belang wordt verder uitgewerkt in de AMvB Ruimte.

Tevens speelt het belang van de hoofdvaarweg de Maas in het plangebied aangezien de 25 meter zone landinwaarts vanaf de begrenzing van de hoofdvaarweg tot over het plangebied ligt.

AMvB Ruimte

De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

Per 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in de regelgeving opgenomen.

Het Barro geeft voor het plangebied het nationale belang van de Grote rivieren aan. Het beleid ten aanzien van de grote rivieren wordt uiteengezet in de paragraaf 'Beleidslijn Grote Rivieren'.

Tevens speelt het belang van de hoofdvaarweg de Maas in het plangebied aangezien de 25 meter zone landinwaarts vanaf de begrenzing van de hoofdvaarweg tot over het plangebied ligt. Deze zone is opgenomen op de verbeelding en in de regels.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor (1) de ruimtevraag, (2) de beschikbare ruimte en (3) de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

Op het grootste deel van dit bestemmingsplan is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Er worden hierin geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk gemaakt. Het uit te werken deel van het bestemmingsplan ligt in het bestaand bebouwd gebied en past binnen de regionale behoefte. Hiermee wordt voor dit plandeel voldaan aan de ladder duurzame verstedelijking.

Beleidslijn grote rivieren

De overstromingen van de Maas in december 1993 en januari 1995 hebben duidelijk gemaakt dat de Maas niet altijd binnen het winterbed blijft zoals dit in het Koninklijk Besluit uit 1916 (op basis van de Rivierenwet 1908) is vastgelegd. Bij (nieuwbouw)plannen in het rivierbed van de Maas dient daarom rekening gehouden te worden met hoge waterstanden.

Op 19 september 1997 werd de circulaire “Bouwen langs de Maas” vastgesteld door Provinciale Staten als provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin werd vastgelegd hoe de ministeriële beleidslijn “Ruimte voor de rivier” (Staatscourant 12 mei 1997) in Limburg zijn doorwerking diende te krijgen, waarbij de bescherming van een deugdelijke stroomvoering en waterberging voorop stonden. Middels deze circulaire werd tevens invulling gegeven aan de afspraken die naar aanleiding van de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” tussen Rijk, provincie en gemeente waren gemaakt.

Mede op basis van de resultaten van een in 2005 verrichte evaluatie en ervaringen in de praktijk is besloten om de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” te herzien. De herziening van de beleidslijn draagt, mede als gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied en de wens om verwarring met de PKB “Ruimte voor de Rivier” te voorkomen, de naam “Beleidslijn grote rivieren” (vastgesteld 14 juli 2006).

Met de herziening van de beleidslijn wordt meer ruimte geboden aan ontwikkelingsgerichte initiatieven. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor ontwikkelingen die de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied kunnen verbeteren. Doelstelling van de Beleidslijn grote rivieren is om de beschikbare bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden, ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken en het waarborgen van de afvoercapaciteit in het stroomvoerend rivierbed.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0005.png"  
Afbeelding 3. Uitsnede kaart 'Beleidslijn grote rivieren'.  

Om de doelstellingen te bereiken, wordt via een tweetal sporen gewerkt: de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Waterwet.

Het grootse deel van het plangebied ligt buiten het rivierbed van de Maas. De oostelijke helft van de kern is gelegen binnen een gedeelte van het rivierbed waar paragraaf 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is. Op basis van rivierkundige gronden en via een algemene maatregel van bestuur is het vergunningenregime van de Waterwet hier niet van toepassing. Deze aanduiding betekent dat de betreffende gebieden vanuit rivierkundig oogpunt (vanuit het rivier- en stroombelang) minder van belang worden geacht. Bescherming van dat belang door middel van een vergunningenstelsel in het kader van de Waterwet is daarmee niet noodzakelijk.

Deze gebieden blijven wel deel uit maken van het rivierbed. Dit betekent dat sommige van deze gebieden bij hoogwatersituaties onder water kunnen staan. Bouwen in deze, in het rivierbed gelegen gebieden, geschiedt net als elders in het rivierbed op eigen risico. Ingeval van hoogwaterschade, wordt door zowel het rijk als de gemeente, geen recht op schadevergoeding erkend.

Verder geldt voor enkele delen van het plangebied dat deze gelegen zijn binnen het bergend regime en het stroomvoerend regime. Bouwen binnen het rivierbed geschiedt op eigen risico, het Rijk en de gemeente stellen zich niet aansprakelijk voor eventuele schade.

Het bergend regime geldt voor delen van het rivierbed waar – in principe – alle activiteiten kunnen worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige voorwaarden (“Ja, mits”). Algemeen geldend zijn de voorwaarden ten aanzien van een zodanige situering en uitvoering dat de veiligheid van de waterstaatswerken is gewaarborgd, dat er geen sprake is van een feitelijke belemmering van toekomstige vergroting van de afvoer- of bergingscapaciteit en de optredende waterstandsverhoging of de afname van de bergingscapaciteit zo gering mogelijk is. Met uitzondering van de 'riviergebonden' activiteiten geldt verder dat de compensatie van de resterende, blijvende waterstandseffecten of de afname van de bergingscapaciteit duurzaam verzekerd dient te zijn. Ook de tijdige realisatie en de financiering van de compenserende maatregelen zal de initiatiefnemer moeten zekerstellen. Voor de activiteiten die per saldo meer ruimte voor de rivier moeten opleveren geldt dat alle overeengekomen rivierverruimende maatregelen gegarandeerd moeten zijn.

Onder het “stroomvoerend” regime zijn zogenaamde riviergebonden activiteiten toegestaan. De lijst met dit type activiteiten is beperkt en limitatief. Het betreft activiteiten zoals de aanleg van waterstaatkundige kunstwerken of de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart. Tevens zijn hieronder begrepen de bouw van waterkrachtcentrales, de aanleg van scheepswerven, de vestiging/ uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, voor zover de activiteit uitsluitend gekoppeld is aan het vervoer over de rivier. Ten slotte rekent de beleidslijn ook de realisatie van natuur, de uitbreiding van bestaande steenfabrieken, de winning van oppervlaktedelfstoffen en voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden tot de riviergebonden activiteiten.

Niet-riviergebonden activiteiten die vallen onder het “stroomvoerend” regime zijn niet toegestaan tenzij er in het algemeen sprake is van een groot openbaar belang of een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd (“Nee, tenzij-principe”). Ook voor functieveranderingen binnen bestaande gebouwen of voor activiteiten die met rivierverruiming per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie is toestemming mogelijk.

Bij alle ontwikkelingen in het stroomvoerend rivierbed zal toestemming gekoppeld zijn aan een aantal rivierkundige voorwaarden.

Waterwet

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving.

Wat betreft de oppervlaktewaterlichamen geeft het Waterbesluit een grondslag om de grenzen hiervan in de Waterregeling vast te leggen en een grondslag voor de grenzen van de gebieden die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken.

Uit de kaarten behorende bij het Waterbesluit en de Waterregeling, blijkt dat het plangebied voor het grootste deel buiten de werkingssfeer van de vergunningplicht voor gebruik van waterstaatswerken ligt. Een deel van het plangebied ligt in het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken (het oostelijk deel van de kern). Op deze gebieden is paragraaf 6 'Gebruik van rijkswaterstaatswerken' van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing. Kleine delen van het plangebied vallen binnen het gebied waarop het 'Waterhuishoudkundig beheer' van toepassing is.

Voor de vrijstellingsgebieden geldt dat ze vanuit rivierkundig oogpunt (vanuit het rivier- en stroombelang) minder van belang worden geacht. Bescherming van dat belang door middel van een vergunningenstelsel is daarmee niet noodzakelijk. De omstandigheid dat geen vergunningplicht geldt, wil echter niet zeggen dat er geen kans bestaat op hoog water. Het gebied blijft immers wel deel uitmaken van het rivierbed. Bouwen in deze gebieden geschiedt dan ook, net als elders in het rivierbed, op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Zowel het Rijk als de gemeente Leudal zijn niet aansprakelijk voor eventuele schade.

De gebieden die deel uitmaken van het 'Waterhuishoudkundig beheer' van de Maas, dienen te voldoen aan het bergend regime en het stroomvoerend regime, zoals aangegeven in de Beleidslijn grote rivieren.

2.2 Provinciaal beleid

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006

Op 22 september 2006 is door Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006) vastgesteld. Het POL2006 is een streekplan, het provinciaal waterhuishoudingplan, het provinciaal milieubeleidsplan en bevat de hoofdlijnen van het provinciaal verkeer- en vervoersplan. Tevens vormt het POL2006 een economisch beleidskader op hoofdlijnen, voor zover het de fysieke elementen daarvan betreft, en een welzijnsplan op hoofdlijnen, voor zover het de fysieke aspecten van zorg, cultuur en sociale ontwikkeling betreft.

Het POL2006 zelf kan eveneens beschouwd worden als de structuurvisie die op grond van de ruimtelijke wetgeving door provincies opgesteld moet worden. Hiertoe is de POL-aanvulling Nieuwe Wet ruimtelijke ordening (vastgesteld op 18 december 2008) opgesteld. De POL-aanvulling heeft de juridische status van structuurvisie en vormt tevens de uitvoeringsparagraaf van het POL2006, zoals bedoeld in Wro. In 2011 heeft de laatste aanpassing van het POL2006 plaatsgevonden. Thans zijn de voorbereidingen gaande voor het POL2014. Deze zal naar verwachting eind 2014 worden vastgesteld.

Verstedelijking en steeds intensiever ruimtegebruik leggen een toenemend beslag op de open ruimte in het landelijk gebied en verminderen de diversiteit van landschap en groen. De provincie houdt daarom vast aan het zo compact mogelijk houden van de steden en een minstens gelijk blijvend aandeel van de stadsregio's in het totaal van woningen, werklocaties en arbeidsplaatsen. Over het algemeen wordt dus ingezet op het bundelen van de verstedelijking en economische activiteiten in of aansluitend aan bestaande bebouwde gebieden.

In Limburg is dat vertaald in de stadsregio's en de plattelandskernen. De stadsregio's vormen binnen Limburg de vertaling van de bundelingsgebieden zoals het Rijk die hanteert in de Nota Ruimte. Iedere stadsregio is voorzien van een zogenaamde grens stedelijke dynamiek. De plattelandskernen zijn voorzien van contouren.

Paarse contouren om de stadsregio's bepalen de grens voor de stedelijke dynamiek. En vormen tegelijk de overgang naar een platteland met een heel andere dynamiek. Deze grenzen zijn vastgelegd op basis van de natuurlijke waarden in het omliggende gebied en een goede functionele en stedelijke samenhang, rekening houdend met de verwachte groei, zoveel mogelijk samenvallend met bestaande elementen zoals wegen. Deze begrenzing laat onverlet dat er sprake is van een sterke wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden. Voor veel voorzieningen is men vanuit het landelijk gebied aangewezen op de steden. Omgekeerd is de kwaliteit van het landelijk gebied mede bepalend voor de aantrekkelijkheid van de stedelijke gebieden als vestigingsgebied. Initiatieven buiten de contouren zijn mogelijk indien ze inpasbaar zijn in het landschap en de landbouwstructuur en gepaard gaan met de realisatie van extra natuur, landschap of milieukwaliteit. Voor landbouw (en toerisme) wordt zoveel mogelijk ontwikkelingsruimte geboden, mits de gebiedskwaliteit er als geheel op vooruit gaat.

In het POL2006 is sprake van een gebiedsgerichte aanpak op meerdere niveaus. Naast een onderscheid tussen stedelijke en landelijke gebieden wordt een onderscheid gemaakt in 14 beleidsregio's. Voor elke regio is op basis van de gebiedskenmerken en -waarden een ontwikkelingsvisie gegeven. Het plangebied is gelegen binnen de beleidsregio Maasvallei-West.

Ontwikkelingsvisie

Maasvallei-West omvat een belangrijk deel van het landelijk gebied van Noord- en Midden-Limburg ten westen van de Maas. Deze beleidsregio is rijk aan aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en natuurlijke waarden.

De stroomgebieden van de Tungelroysebeek en Leubeek vormen twee markante onderdelen van de regio. Er is een grote afwisseling van kleinschalige landschapstypen, zoals rivierduinen, esdorpen, oude bouwlanden, beekdalen en kampontginningen. De woonkernen liggen verspreid over de regio en deels in linten langs de Maas en de Napoleonsweg. De sociaal-culturele structuur in de overwegend kleinere kernen is goed ontwikkeld, maar staat door de veranderingen in de landbouw onder druk. De landbouw en het toerisme vormen een sterke economische pijler.

Het afwisselende en natuurlijk karakter van de regio maakt deze aantrekkelijk als woon-, werk- en recreatiegebied. Uitdaging is de toeristische functie als economische drager verder uit te bouwen door in te spelen op de groeiende betekenis van de vrijetijdseconomie. Verbreding van de plattelandseconomie is eveneens van belang voor de verdere ontwikkeling van de regio. Met toepassing van instrumenten als het contourenbeleid en het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) wordt ingezet op een goede inbedding van kernen in het landschap. EHS en POG in het landelijk gebied ten westen van de Maas worden samen met natuur in aangrenzende gebieden in België en Noord-Brabant verder versterkt als een groene ruggengraat tussen Maas, Peel en Kempen. Door de Reconstructie blijven er goede ontwikkelingsmogelijkheden voor alle mogelijke vormen van landbouw in een aantrekkelijke omgeving.

Ontwikkelingsvisie Maasdal

Het Maasdal omvat het winterbed van de Maas, het gebied dat bij hoogwater onder water kan lopen. Het Maasdal kent een overwegend agrarisch gebruik met grondgebonden landbouw. De winning van grind, klei en zand heeft ervoor gezorgd dat het een waterrijk gebied is geworden met in Midden-Limburg plassen als nieuwe landschapselementen. De Maas zelf fungeert als de as van riviergebonden natuur in een rivierdal met karakteristieke landschappelijke waarden. Samen met de kanalen vormt de Maas een belangrijke route voor goederentransport en toeristische toervaart.

De ambitie is om de rivier op de langere termijn zo veerkrachtig te maken dat deze in staat is het water op te vangen en af te voeren. Dit vergt een samenhangende aanpak voor het gehele stroomgebied, die vanuit de EU en de Maasoeverstaten wordt ondersteund. De uitwerking hiervan biedt goede kansen voor natuurontwikkeling en ecologisch herstel van de Maas. Zodat er een robuuste aaneenschakeling ontstaat van natte natuurgebieden langs een natuurlijke, deels meanderende (Grens-)Maas.

Economische functies blijven belangrijk en zullen onder voorwaarden worden toegelaten. De nieuwe Beleidslijn grote rivieren zal een belangrijk sturend kader bij mogelijke ontwikkelingen in het Maasdal zijn. Deze beleidslijn doet geen concessies aan het belang van veiligheid en maakt onderscheid in een stroomvoerend en waterbergend regime. In het bergend deel van het rivierbed en in bepaalde situaties ook in het stroomvoerend rivierbed zijn er ook voor niet-riviergebonden activiteiten ontwikkelingen mogelijk.

Tot de limitatieve reeks van riviergebonden activiteiten behoren onder meer de realisatie van natuur, bestaande steenfabrieken, winning van delfstoffen en overslagfaciliteiten. Ook voor functieveranderingen binnen bestaande gebouwen of voor activiteiten die met rivierverruiming per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren is toestemming mogelijk.

De aanwijzing van de Maasplassen en de daarbij behorende oevers van plassen en Maas binnen de grens stedelijke dynamiek als perspectief 3 mag niet leiden tot het blokkeren van met respect voor het watersysteem ontworpen stedelijke ontwikkelingen.

Perspectieven

In de gebiedsgerichte aanpak uit het POL2006 worden voor het Limburgs grondgebied negen perspectieven, met uiteenlopende visies op ontwikkelingsmogelijkheden onderscheiden.

Het plangebied behoort grotendeels tot perspectief 6a 'Plattelandskern Noord- en Midden-Limburg'. De plattelandskernen zijn overwegend kleinschalig van karakter. De vitaliteit van deze dorpen en stadjes moet behouden blijven. Met het oog daarop wordt ruimte geboden voor de opvang van de woningbehoefte van de eigen bevolking. En voor de groei van lokaal, in een enkel geval ook regionaal georiënteerde bedrijvigheid. Het instandhouden van winkels en publieksvoorzieningen in plattelandskernen vraagt de nodige aandacht, net als de bereikbaarheid per openbaar vervoer zodat sociaal-culturele voorzieningen (ook in de stadsregio's) goed bereikbaar zijn.

De woningen die door middel van de uitwerkingsplicht kunnen worden gerealiseerd passen binnen het provinciaal beleid om deze binnen het bestaand bebouwd gebied te realiseren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0006.png"  
Afbeelding 4. Uitsnede POL-kaart 'Perspectieven' voor het plangebied en omgeving.  

Veel kleinere delen van het plangebied zijn aangeduid als perspectief 2 'Provinciale ontwikkelingszone groen (POG)', perspectief 3 'Ruimte voor veerkrachtige watersystemen' en perspectief 4 'Vitaal landelijk gebied'.

Het beleid in perspectief 2 is gericht op het versterken en ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden. De aanwezige waarden zijn richtinggevend voor ontwikkelingen op andere terreinen. Daarnaast ligt de nadruk op het in stand houden van een goede toeristisch-recreatieve structuur en een op het landschap georiënteerde landbouw.

Perspectief 3 heeft betrekking op de meer open delen van beekdalen, winterbed van de Maas en steilere hellingen, voor zover deze geen deel uitmaken van EHS of POG. De betreffende gebieden hebben een relatief open karakter en zijn ingericht voor gebruik door vooral grondgebonden landbouw.

De ontwikkeling van functies in deze gebieden is mogelijk mits dit aansluit op het bieden van ruimte aan een voldoende veerkrachtig watersysteem voor de opvang van hoge waterafvoeren, het bestrijden van watertekort en verdroging en het voorkomen van erosie. De veerkrachtige watersystemen vormen een belangrijke continuïteit in het landschap zowel visueel-ruimtelijk als cultuurhistorisch, en bieden een goed houvast voor investeringen in landschapsontwikkeling.

Binnen de algemene randvoorwaarden zijn er nog steeds mogelijkheden voor ontwikkeling van vooral de grondgebonden landbouw en recreatie, alsmede goed gelegen niet-grondgebonden land- en tuinbouw. De verwevenheid van functies, kenmerkend voor deze gebieden, wordt zo behouden en versterkt.

De inrichting van perspectief 4 wordt in belangrijke mate bepaald door de landbouw met een van gebied tot gebied verschillende aard en dichtheid aan omgevingskwaliteiten. Er zijn ook ontwikkelingsmogelijkheden voor de toeristische sector en (onder voorwaarden), voor kleinschalige vormen van bedrijvigheid, verbrede landbouw en kleinschalige dienstverlenende bedrijven. In dit gebied geldt de versterking van de landschappelijke kwaliteit als randvoorwaarde bij verder kwaliteitsontwikkeling van landbouw, toerisme en recreatie. Belangrijkste doel hierbij is het behouden van de landschappelijke kwaliteit en identiteit ter plaatse. Economische ontwikkelingen van landbouw, recreatie en toerisme worden als kans en voorwaarde gezien voor het behoud en de versteviging van (met name) de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in een grote variëteit aan landbouwgebieden.

POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering

Op 18 december 2009 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering vastgesteld. Op 12 januari 2010 is daarnaast door Gedeputeerde Staten de Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. Deze is in 2012 aangepast.

De POL-aanvulling is een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening en richt zich op een partiële herziening van het POL2006 op de volgende punten:

  • provinciale belangen en rol m.b.t. verstedelijking (wonen, werken, infrastructuur, voorzieningen, landbouw, toerisme);
  • actualisatie van teksten (op provinciale belangen) per POL-perspectief en POLbeleidsregio (Parkstad, Maasdal, Nationaal Landschap e.d.);
  • nieuwbouwprojecten (wonen en werken) in en bij steden/stadsregio's alleen in samenhang met herstructurering van het bestaand stedelijke gebied;
  • afgebakende speelruimte voor woningbouw als onderdeel van integrale gebiedsontwikkelingen in Noord- en Midden-Limburg, binnen randvoorwaarden van onder meer de regionale woningbouwprogramma's;
  • apart kwaliteitsmenu voor uitleggebieden bij plattelandskernen in Noord- en Midden-Limburg.

In Limburg (met name Zuid-Limburg) is sprake van een toekomstige bevolkingsafname (mede door de vergrijzing). De provincie geeft in deze POL-aanvulling haar beleid op dit gegeven. De focus wordt gericht op de kwalitatieve woningvoorraadontwikkeling bij een krimpende bevolkingsomvang. De indicatieve ramingen van de verwachte ontwikkeling van de regionale woningvoorraden worden opgenomen in de geactualiseerde tekst van paragraaf 6.3 van het POL2006.

In Noord- en Midden-Limburg is in veel gemeenten inmiddels ook sprake van (een beginnende) bevolkingsdaling, maar is er tot circa 2025 nog een groei in het aantal huishoudens.

De demografische ontwikkelingen maken, dat (puur kwantitatief bekeken) per saldo de woningvoorraad in Noord- en Midden-Limburg nog moet doorgroeien met respectievelijk circa 6.000 en circa 8.000 woningen in de periode 2010-2020. In de periode 2020-2030, heeft Midden-Limburg te maken met een reductie met circa 1.000 woningen, terwijl in Noord-Limburg nog een groei van circa 1.000 woningen aan de orde is.

In de POL-aanvulling wordt aangegeven dat mede door vergrijzing de bevolkingsaantallen zullen afnemen in Limburg. Er moet daarom voorzichtig worden omgegaan met nieuwe woningen. Toch wordt opgemerkt dat nieuwe woningen niet per definitie worden uitgesloten. Zodra bouwinitiatieven plaatsvinden in bebouwd gebied, zijn herontwikkelingen toch goed mogelijk.

Over nieuwe activiteiten in het landelijk gebied, wordt in de POL-aanvulling aangegeven dat deze zoveel mogelijk geconcentreerd dienen te worden binnen de bestaande bebouwing van plattelandskernen. De plattelandskernen zijn daartoe voorzien van contouren. Als dat niet mogelijk of wenselijk is, gaat de voorkeur uit naar ontwikkeling aansluitend aan de plattelandskernen. In Noord- en Midden- Limburg wordt ruimte aanwezig geacht voor uitbreidingslocaties direct buiten, maar grenzend aan de contour.

De in dit bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsplicht voor 37 woningen ligt binnen de contour van Neer en past daarmee binnen de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering. Het LKM2012 is op deze ontwikkeling niet van toepassing.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

Het Limburgs Kwaliteitsmenu 2012 (LKM 2012) is een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregel LKM 2012 regelt de 'extra' condities en voorwaarden waaronder bepaalde ontwikkelingen in het landelijk gebied buiten de plattelandskernen dan wel in het stedelijk gebied in de perspectieven P2, P3 en P8 mogelijk zijn. Het LKM 2012 vormt geen nieuw ruimtelijk beleid maar is een uitwerking van het kwaliteitsdeel uit het POL2006 en de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering. Via het LKM wordt dan ook geen nieuwe of extra ruimte geboden voor ontwikkelingen buiten de contour.

Het Limburgs kwaliteitsmenu is door Gedeputeerde Staten op 12 januari 2010 vastgesteld. In 2012 is deze geactualiseerd tot het LKM2012. De provincie Limburg heeft de Limburgse gemeenten verzocht om het LKM 2012 over te nemen en uit te werken in het eigen gemeentelijke ruimtelijk beleid.

Het plangebied ligt gedeeltelijk buiten de rode contour van Neer. De plangrens met de contour is afgebeeld op afbeelding 2. Zodra een ontwikkeling plaatsvindt buiten de contour is het Limburgs Kwaliteitsmenu van toepassing, dat verankerd is in de gemeentelijke structuurvisie.

De in dit bestemmingsplan opgenomen uitwerkingslocatie valt binnen de rode contour van Neer. Op deze ontwikkeling is het LKM2012 dan ook niet van toepassing.

Provinciale woonvisie 2011-2015

Op 1 februari 2011 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg de Provinciale Woonvisie 2011-2015 vastgesteld. Hierin staat beschreven hoe de woningvoorraadontwikkeling de komende jaren vormgegeven zou kunnen worden, welke rollen en taken de provincie daarbij kan en wil vervullen en hoe de provincie deze ambities tracht te realiseren.

Een belangrijke aanleiding om het woonbeleid te actualiseren vormen de demografische ontwikkelingen in de provincie. Onder andere hierdoor ontstaat noodzaak tot herstructurering en een andere kwalitatieve samenstelling van de woningvoorraad. Uit de demografische ontwikkelingen komen belangrijke opgaven voort gericht op het veranderen van het aanbod aan woonruimte, voorzieningen en de inrichting van de woon- en leefomgeving.

Lange termijn visie

De provincie is ervan overtuigd dat een omslag van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte woningmarkt noodzakelijk is. Het gaat er om een goed functionerende woningmarkt en leefomgeving te scheppen en in stand te houden, waarin alle betrokkenen in hun behoeften kunnen voorzien, en waarin dat ook in de toekomst voor de toekomstig betrokkenen mogelijk zal zijn.

Korte termijn visie

Op de kortere termijn wordt gestreefd naar een kwalitatief goede en passende woningvoorraad met voldoende betaalbare woningen die voor de betreffende doelgroepen in voldoende mate beschikbaar zijn. De provincie constateert dat de bestaande woningvoorraad mede gezien de demografische ontwikkelingen voor een deel niet meer voldoet aan de huidige en toekomstige woningbehoefte. De provincie ziet hier voor Limburg zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve opgave.

Regio Noord- en Midden Limburg

In de regio Noord- en Midden-Limburg heeft het inwonertal zijn piek bereikt en gaat regiobreed afnemen van ca. 280.000 inwoners in 2010, naar ca. 275.000 in 2030. Na 2030 komt de krimp in een versnelling. Anticiperend op de afnemende bevolkingsomvang en wijzigende samenstelling van huishoudens, mede door de vergrijzing dient de nog resterende groei maximaal te worden ingezet op een tijdige aanpassing van de samenstelling van de woningvoorraad. Waar mogelijkheden zijn voor de regio Midden-Limburg wordt ervan uitgegaan dat tussen 2010 en 2030 de woningvoorraad nog met circa 8.000 woningen zal toenemen. Binnen de stadsregio's dienen de nieuwe activiteiten zoveel mogelijk geconcentreerd te worden in de bestaande stedelijke bebouwing. Bij plattelandskernen zijn nog mogelijkheden voor uitleglocaties buiten, maar wel aangrenzend aan de contour. Ook hier blijft overigens de voorkeur bestaan voor inbreiding. De nog te realiseren nieuwe locaties in / bij dorpen buiten de stadsregio's komen ook in dienst te staan van de transformatieopgave van de plattelandskernen. Voor nieuwe op zichzelf staande clusters van bebouwing buiten de contour geldt een 'nee, tenzij'-benadering.

Omgevingsverordening Limburg

Per 1 januari 2011 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. De Omgevingsverordening Limburg heeft de Provinciale Milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening vervangen, die met de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingetrokken. Bij het opstellen van de verordening zijn diverse normstellingen geactualiseerd, zijn waar mogelijk regels vervallen en zijn zoveel mogelijk administratieve verplichtingen vereenvoudigd.

De Omgevingsverordening bevat regels over de volgende onderwerpen:

  • De aanwijzing van milieubeschermingsgebieden: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de boringvrije zones Roerdalslenk en Venloschol, het bodembeschermingsgebied Mergelland en de stiltegebieden.
  • Regels met betrekking tot regionale wateren, zoals veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen, normen voor wateroverlast en regels voor het door de waterschappen te voeren waterbeheer.
  • Een aanvullende regeling op de Ontgrondingenwet, waarin wordt bepaald voor welke handelingen een vrijstelling geldt van bepaalde verboden uit de Ontgrondingenwet.
  • Regels met betrekking tot het gebruik van wegen die in beheer bij de provincie zijn, zoals een verbod om het noodzakelijke uitzicht op de weg te belemmeren door spandoeken of borden boven of langs de weg te plaatsen.
  • Regels over de manier waarop ontheffingen kunnen worden aangevraagd, of meldingen kunnen worden gedaan.
  • Regels over de gemeentelijke rioleringsverplichting, het gebruik van gesloten stortplaatsen, de aanwijzing van industrieterreinen van regionaal belang en een schadevergoedingsregeling.

De Omgevingsverordening Limburg is onafhankelijk van de beheersverordening van toepassing. De milieubeschermingsgebieden die in de Omgevingsverordening Limburg zijn aangewezen, zijn voor het besluitgebied in de waterparagraaf aangegeven.

2.3 Regionaal beleid

Regiovisie 2008 – 2028: Het oog van Midden-Limburg

In de regiovisie “Het oog van Midden-Limburg” van juni 2008 is de gebiedsvisie uitgewerkt in een achttal beleidsthema's. Dit zijn: Toerisme en Recreatie, Maasplassen, Natuurontwikkeling, Landschap en Ecologie, Landbouw, Bedrijvigheid, Wonen, Zorg en Mobiliteit. Vervolgens zijn deze thema's in het najaar van 2008 verdiept en verder uitgewerkt in de programmalijnen: Maasplassen, Ontwikkelingsas N280 Weert-Roermond, Wonen, Natuur en Recreatie.

Over de gemeente Leudal is het volgende opgenomen: “De gemeente Leudal vormt het hart van Midden-Limburg. Het bestaat uit zestien dorpen en een groot buitengebied dat wordt geroemd om z'n ruimte, kwaliteit en woonklimaat. Heythuysen vormt een subregionale kern met een sterke centrumfunctie voor een groot verzorgingsgebied. Het is van belang dat deze centrumfunctie wordt versterkt en het voorzieningenniveau op peil blijft. Daarnaast heeft Leudal diverse dorpskernen waar de voorzieningen onder druk staan. Een actief kleine kernenbeleid is noodzakelijk waarin aandacht gegeven wordt aan de leefbaarheid en een adequate woningvoorraad.

De centrale ligging van Leudal maakt dat het profiteert van bijna alle ontwikkelingen die worden voorgesteld in deze regiovisie. Gelegen aan de Maasplassen liggen er volop kansen om recreatieve en toeristische activiteiten te ontwikkelen en deze te verbinden met het natuurgebied Leudal en het te ontwikkelen regiopark.”

Regionale Woonvisie 2010 - 2014

De regionale woonvisie Midden-Limburg Oost 2010-2014 is door de gemeenteraad vastgesteld op 21 december 2010. Deze visie is gebaseerd op de beleidsneutrale Etil prognose 2009. De prognoses en ambities zijn het kwantitatieve kader waarbinnen woningbouw dient plaats te vinden.

Medio 2008 hebben de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Roerdalen en Roermond gezamenlijk een onderzoek laten uitvoeren naar de woonwensen van hun inwoners. In het door Companen uitgevoerde onderzoek werd gevraagd naar onder meer de huidige woonsituatie, eventuele verhuisplannen en kenmerken van de gewenste woning.

De resultaten van het onderzoek zijn ondergebracht in vier lokale rapportages en daarnaast is er een regiorapport opgesteld voor Midden-Limburg Oost. Bij toekomstige woningbouwplannen zal zo veel mogelijk worden afgestemd op gesignaleerde behoeften en ontwikkelingen. Daarnaast hebben de uitkomsten van het onderzoek de basis gevormd voor het opstellen van de nieuwe regionale woonvisie voor de periode 2010-2014.

In het regionale rapport wordt aangegeven dat met name in de doelgroepen starters, kleine huishoudens in de leeftijd van 55-74 jaar en kleine huishoudens in de leeftijd van 75 jaar en ouder, nog groei te verwachten is. Het algemene advies voor de gemeente luidt dat het raadzaam is nieuwbouw op maat te ontwikkelen in dialoog met de kern. Tevens dient aandacht te worden besteed aan de fasering in tijd, door het meer gedoseerd op de markt brengen van plannen.

In de gemeentelijke uitwerking van het woningmarktonderzoek is per kern specifiek aangegeven wat de speerpunten zijn voor het woningbouwbeleid. Voor Neer geldt dat er behoefte is aan een beperkt aantal voor ouderen geschikte woningen in de huursector en aan een flink aantal middeldure en dure grondgebonden nultredenwoningen in de koopsector.

Ten tijde van uitwerking van het bestemmingsplan voor het deel van het plangebied met een uit te werken woonbestemming, zal nader worden bepaald hoe veel en welk type woningen zal worden gerealiseerd. Dit zal in lijn zijn met de behoefte in de kern.

2.4 Gemeentelijk beleid

Kaderplan bestemmingsplannen kernen Leudal

Vooruitlopend op de daadwerkelijke actualisering van de bestemmingsplannen voor de kernen van de gemeente Leudal, is het 'Kaderplan bestemmingsplannen kernen Leudal' opgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten voor de bestemmingsplannen voor de kernen weergegeven. Een korte analyse van de kernen en het ruimtelijk beleid heeft een aantal vraagpunten opgeleverd, welke concreet geformuleerd zijn in het plan. Deze vraagpunten hebben geleid tot concrete voorstellen met betrekking tot aspecten als wonen, werken, voorzieningen, duurzaamheid, cultuurhistorie etc. De gemaakte keuzes in het kaderplan werken door in de bestemmingsplannen voor de afzonderlijke kernen. In beknopte vorm komen de gemaakte beleidskeuzes in hoofdstuk drie van deze toelichting terug.

Het kaderplan voor de kernen heeft een separaat (inspraak)traject doorlopen en is door de gemeenteraad van Leudal op 19 april 2011 vastgesteld.

Handboek Ruimtelijke Plannen

Omwille van onder meer uniforme planregels en –opzet heeft de gemeente Leudal een Handboek Ruimtelijke Plannen opgesteld. Het bestemmingsplan voor de kern Neer is daarop zo veel mogelijk afgestemd.

Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal'

In de Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkeling in de komende jaren.

De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de (nieuwe) gemeente en samenwerking in de regio.

De Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en dient de komende jaren het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten.

De Strategische Overallvisie gaat in op de volgende aspecten:

  • 1. Een weergave van de huidige situatie in Leudal wat betreft onderwerpen als werkgelegenheid, leefklimaat, arbeidspotentieel, etc.;
  • 2. De belangrijkste maatschappelijke trends en ontwikkelingen, met relevantie voor Leudal;
  • 3. Missie, ambities en doelen van Leudal voor de komende jaren;
  • 4. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de ambities en doelen met het oppakken en faciliteren van een select aantal strategische projecten;
  • 5. De consequenties van deze ambities voor de organisatie en uitvoering van het beleid door de gemeente.

In de Strategische Overallvisie zijn geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot de kern Neer.

Structuurvisie Leudal - regie op de toekomst

Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.

De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen?

In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.

Leudal is niet alleen een woongemeente, maar ook zeker een agrarische gemeente. De agrarische achtergrond is ook in de kernen nog terug te vinden. Leudal bestaat uit 16 kernen in een fraai buitengebied. De 16 kernen zijn in drie verschillende typen onder te verdelen. De centrumkern is Heythuysen. In Heythuysen zijn de meeste voorzieningen gelegen. Daarnaast zijn een aantal autonome woonkernen aanwezig: Haelen, Horn, Roggel, Neer en Ittervoort. De overige kernen zijn woondorpen.

De autonome woonkernen hebben zowel qua bevolkingsomvang als voorzieningenniveau niet de omvang van centrumkern Heythuysen. De omvang van de kernen is echter dusdanig, dat er wel een basisvoorzieningenniveau aanwezig is. Voor de dagelijkse voorzieningen hoeven de inwoners de dorpen niet uit. Incidenteel zijn er in de dorpen grotere voorzieningen gelegen maar in de volle breedte missen de dorpen de grotere (commerciele) voorzieningen zoals deze wel in de centrumkern gelegen zijn.

De realisatie van nieuwe woningen in Neer door middel van de uitwerkingsplicht past binnen het karakter als autonome woonkern. Ten tijde van uitwerking van het bestemmingsplan zal nader worden bepaald hoe veel en van type woningen zal worden gerealiseerd. Dit zal in lijn zijn met de behoefte in de kern.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0007.png"  
Afbeelding 6. Uitsnede Structuurvisiekaart van Neer e.o.  

Nota Kwaliteit

Op 2 februari 2010 is de Structuurvisie Leudal met de daarin opgenomen Nota Kwaliteit vastgesteld door de gemeenteraad. De laatste actualisatie van de Nota Kwaliteit dateert van 3 september 2013.

De Nota Kwaliteit bevat beleid over het kwaliteitsmenu en het groenfonds. Deze nota bevat een aanpassing van dit beleid met betrekking tot:

  • Verruiming van de criteria van het groenfonds. Hierdoor vallen meer projecten onder de reikwijdte van het groenfonds. Dit betreft bijvoorbeeld flora en fauna voorzieningen, zichtbaar maken van archeologie en cultuurhistorie, recreatieve voorzieningen bij bestaande natuurgebieden.
  • Aanpassing van de kwaliteitsbijdrage van solitaire bedrijfsuitbreidingen naar € 35,- per meter.
  • Tekstuele aanvullingen en verbeteringen

Daarnaast is de projectenlijst van het groenfonds aangevuld.

Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt nadat een planologische afweging is gemaakt of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie een kwaliteitsbijdrage in beeld. Deze is noodzakelijk om negatieve ruimtelijke effecten van het plan te compenseren. Het kwaliteitsmenu van de provincie (uitgewerkt in verschillende modules) geldt hierbij als een minimumvereiste.

Indien compensatie op basis van een van toepassing zijnde module nodig is, draagt de initiatiefnemer eerst zelf plannen aan ter verbetering van de kwaliteit in de (directe) omgeving van het plan. Uit de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is dat de initiatiefnemer zelf een kwaliteitsverbetering kan realiseren. In deze gevallen moet een bijdrage aan het groenfonds van de gemeente Leudal worden gedaan. Landschappelijke inpassing van de locatie van het initiatief vormt altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds. Landschappelijke inpassing betreft het aanbrengen van streekeigen en inheemse erfbeplanting zoals het aanbrengen van bomen, grote struiken en hagen op of rondom het erf van het initiatief. Dit past in de strategische visie van Leudal en de Structuurvisie Leudal die inzet op een versterking van de groene en ruimtelijke kwaliteiten in de gemeente.

Prioritering woningbouwplannen Leudal 2011

Door de gemeenteraad is op 1 november 2011 de “Prioritering woningbouwplannen Leudal 2011” vastgesteld. Deze prioritering is een nadere uitwerking van de uitgangspunten zoals beschreven in de regionale woonvisie.

Hoofdstuk 3 Beschrijving plangebied

3.1 Gebiedsbeschrijving

Neer is een kerkdorp gelegen in Midden-Limburg. Het maakt sinds 1 januari 2007 deel uit van de gemeente Leudal. Sinds 1991 behoorde Neer tot de gemeente Roggel en Neer. Deze voormalige gemeente maakt thans ook deel van Leudal. Tot 1991 was Neer een zelfstandige gemeente. De kern Neer heeft per januari 2012 3.448 inwoners.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0008.png"  
Afbeelding 7. Luchtfoto kern Neer en omgeving.  

Het dorp Neer kan gezien worden als een klassiek Maasdorp. Rond 1840 bestond Neer uit een bebouwingsconcentratie rondom de kruising van de Neerbeek, de Wijnbeek en de Kwir. Vanuit deze concentratie liepen enkele bebouwingslinten parallel aan de beken het buitengebied in. De Napoleonsweg was toen ook al een belangrijk element in het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0009.png"  
Afbeelding 8. Uitsnede historische kaart Neer.  

De ontwikkeling van Neer is gebonden aan de Maas en de Napoleonsweg. Neer is uitgewaaierd in linten, welke door de ligging van de Napoleonsweg niet verder zijn uitgegroeid en nog echt als zodanig aanwezig zijn. Vanwege de ligging van de Neerbeek en de Napoleonsweg is Neer zich in oostelijke richting gaan uitbreiden. Met de uitbreiding van het dorp is ook de Maas een harde grens geworden. Hierbij neemt Hanssum een bijzondere positie in als solitaire bebouwingsconcentratie ten zuidoosten van het dorp Neer.

3.2 Ruimtelijke structuur

3.2.1 Bebouwingsstructuur

De stedenbouwkundige structuur van de kern Neer hangt in belangrijke mate samen met het historisch patroon van wegen en lintbebouwing, met als belangrijkste richtinggevende elementen de Steeg, Engelmanstraat, Bergerstraat, Vilgert en Hanssum. Hier vindt men veelal historische en oudere bebouwing, bestaande uit relatief gesloten straat wanden en smalle wegprofielen met kleinschalige bebouwing. De historische kleinschalige structuur is gelegen op een zandrug langs de Maas. Karakteristiek als Maasdorp is de situering van de kerk aan de pleinruimte met groot hoogteverschil. Het gebied Kerkplein vormt een waardevol en karakteristiek ensemble. Opvallend zijn verder de vele decenniuminvullingen etagewoningen met voorzieningen die een contrast vormen met de basisstructuur (Steeg, Engelmanstraat en rond Spuitjes).

Beeldbepalend zijn het dal naast het kerkhof, de Neerbeekzone deels achter de gesloten straatwand Engelmanstraat en het open gebied tussen Goot en Veurtje. Noordelijk van het gebied liggen de Napoleonsweg en een decenniumwoonbuurt. De woonbuurt wordt gekenmerkt door relatief grootschalige decenniumuitbreidingen noordoostelijk van de oudere kern (Napoleonsweg en Baand) en aan uitwaaiernde linten Heldenseweg en Kappert.

Het historisch patroon van het gebied Hansum wordt gekenmerkt door veel decenniumbebouwing en bedrijfsgebouwen aan de Maaskade Schoor. De ruimtelijke kwaliteit wordt sterk bepaald door de belevingswaarde van de hoogteverschillen en de markante uitzichten over het landschap. De markante Maaskade en (grootschalige) bedrijfsbebouwing Soerendonck (Hanssum) hebben een eigen korrel en vormgeving. Karakteristiek zijn daarnaast de bungalows aan Schoor met markant uitzicht op de Maas.

Aan alle straten hebben decenniumuitbreidingen plaatsgevonden in relatief kleinschalig basisstructuur en decenniumvormgeving. De inrichting van het openbare gebied is relatief hoogwaardig maar ondersteunt de karakteristieke beeldwerking niet optimaal.

De Napoleonsweg vormt een barrière: ruimtelijk qua profiel en functioneel qua verkeersfunctie en bedrijvigheid.

3.2.2 Groenstructuur

Neer ligt ingeklemd in het buitengebied van Leudal. De relatie met en ervaarbaarheid van het buitengebied is niet voor het gehele plangebied optimaal. Het plangebied is nauw verbonden met de aanwezige beken die door Neer stromen, te weten de Wijnbeek, de Neerbeek en de Keizersloop.

In Neer wordt het groen voornamelijk gevormd door groen in combinatie met speelvoorzieningen en structurerend stedelijk groen (bermen, plantsoenen).

3.2.3 Verkeersstructuur

De belangrijkste wegen in de verkeersstructuur van de kern Neer zijn de Napoleonsweg (N273), de Steeg de Engelmanstraat en de Maasweg. De N273 verbindt de kern Neer met Roermond, Venlo en Weert. De Leudalweg vormt de belangrijkste verbinding met de ten westen van Neer gelegen kern Roggel.

De meeste wegen binnen de kern zijn erftoegangswegen met een snelheidsregime van 30 km per uur.

Neer is voor wat betreft het openbaar vervoer bereikbaar per bus, met halteplaatsen aan de Napoleonsweg (N273).

3.3 Functionele structuur

3.3.1 Wonen

De belangrijkste functie in de kern Neer is de woonfunctie. In de kern wonen per januari 2013 3.650 inwoners. In de kern bevinden zich 1.427 woningen (2012). Dit betekent een gemiddelde bezettingsgraad van 2,56 inwoners per woning.

Voor een groot deel bestaan de woningen uit twee bouwlagen met een kap. Het overheersende woningtype is de halfvrijstaande woning. Daarnaast zijn er op grote schaal vrijstaande en geschakelde woningen aanwezig. Er is daarnaast ook sprake van bijvoorbeeld hoogbouw bestaande uit 3 à 4 bouwlagen rond Kwir en Spruitjes, met commerciële ruimtes op de begane grond en woningen op de verdiepingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0010.png"  
Afbeeldingen 9 en 10. Woningen in Neer.  

3.3.2 Bedrijvigheid

Bedrijvigheid wordt hier opgevat in de meest brede zin van het woord. Bedoeld wordt niet alleen ambachtelijke en industriële bedrijvigheid en inrichtingen maar ook bijvoorbeeld agrarische bedrijvigheid, dienstverlenende bedrijvigheid en bedrijf en beroep aan huis.

De bedrijven in het plangebied liggen redelijk verspreid over het plangebied, met een concentratiegebied aan de zuidoostzijde van de kern (bedrijventerrein Soerendonck) en een kleine concentratie aan de zuidwestzijde van de kern aan de Engelmanstraat. Het betreft bedrijven van een verschillend pluimage, waaronder ook nog enkele agrarische bedrijven. Met uitzondering van enkele bedrijven binnen de genoemde concentratiegebieden, kan over het algemeen kan gesteld worden dat het bedrijven zijn die binnen een woonomgeving (redelijk) aanvaardbaar zijn.

Bedrijven en beroepen aan huis komen verspreid over het woongebied voor. Horecavoorzieningen zijn voornamelijk gelegen aan de Napoleonsweg (N273). Detailhandel en dienstverlening zijn voornamelijk gesitueerd aan de westzijde van de kern Neer, aan de westzijde van De Steeg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0011.png"  
Afbeeldingen 11 en 12. Detailhandel (links) en een bierbrouwerij (rechts) in Neer.  

3.3.3 Maatschappelijke voorzieningen

Voor de meeste voorzieningen zijn de inwoners van Neer aangewezen op Heythuysen en Roermond. Toch zijn ook in de kern diverse maatschappelijke en medische voorzieningen aanwezig, zoals huisartsen, een bibliotheek, een kerk (de Sint-Martinuskerk) aan het Kerkplein 4 en een basisschool (De Kwir) aan het Kloosterpad 14.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0012.png"  
Afbeeldingen 13 en 14. Sint Martinuskerk (links) en basisschool De Kwir (rechts).  

3.3.4 Sportvoorzieningen

Binnen het plangebied liggen diverse sportvoorzieningen. Zo liggen aan de Maasweg aan de oostzijde van de kern de sportvelden van RKSVN, bestaande uit onder meer voetbalvelden, tennisbanen, een zwembad en een sporthal . Langs de Maas ligt de haven van Watersportvereniging Hanssum.

In Neer liggen verder twee schutterijen, te weten St. Sebastianus (Oude Schutten) en de Bussen Schutte.

3.4 Cultuurhistorische en archeologische waarden

3.4.1 Cultuurhistorische waarden en monumenten

In de kern van Neer is een aantal monumentale gebouwen / bouwwerken gelegen:

De Rijksmonumenten zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0013.png"  
Tabel 2. Rijksmonumenten in Neer.  

De gemeentelijke monumenten zijn:

M102   Gevelkruis   Bergerstraat   30  
GM104   de Hammermolen   Hammermolen   27  
GM106   voormalige klooster en school   Kloosterpad   1 t/m 12  
GM107   woonhuis   Kruisstraat   2  
GM108   kruis en plaquettes (bij kapel O.L. Vrouw in het Sant)   Leudalweg   bij 10  
GM109   woonhuis 'Geelen'   Napoleonsweg   118  
GM105   Voormalige bierbrouwerij   Hanssum   40b  
Tabel 3. Gemeentelijke monumenten in Neer  

De hiervoor genoemde monumenten worden in het bestemmingplan, daar waar mogelijk, extra beschermd.

3.4.2 Archeologische waarden

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.

De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden.

De uitgangspunten van deze wet zijn:

  • 1. Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is.
  • 2. Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers tot ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren. De invoering hiervan wordt geregeld via bestemmingsplannen en afwijkingen, de mer-plichtige activiteiten en ontgrondingen.
  • 3. Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen(principe verstoorder betaalt). De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit.

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat de gemeente bevoegd gezag is. Als gevolg van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening toetst de provincie Limburg niet langer archeologische rapporten en programma's van eisen. De provincie beperkt zich tot zaken die van provinciaal belang zijn (waaronder de aanwijzing van archeologische attentiegebieden).

De gemeente Leudal heeft een eigen archeologische advieskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. Dit RAAP rapport met nummer 1952 is genaamd “Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Leudal” en is vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 8 februari 2011.

De archeologische verwachtingskaart is bedoeld om de archeologische verwachting van een gebied weer te geven. Neer is blijkens deze kaart voorzien van verschillende archeologische waarden. De strook langs de Steeg en de Engelmanstraat, de historische kern, is aangeduid als een AMK terrein met een hoge archeologische waarde (AMK terrein is een wettelijk beschermd terrein). Langs de beken zijn enkele delen aangeduid met een middelhoge en hoge verwachting voor natte landschappen. Voor het overige deel van het plangebied geldt grotendeels een hoge verwachtingswaarde. Voor een deel van de woonbuurt aan de oostzijde van de Steeg geldt tot slot een lage archeologische verwachtingswaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0014.png"  
Afbeelding 15 Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het plangebied en omgeving.  

AMK-terrein met een hoge archeologische waarde

Oude stadskernen met een middelhoge dichtheid aan vastgestelde archeologische resten (monumenten); er is een middelgrote kans dat bodemingrepen resulteren in aantasting van archeologische resten. Kleinschalige ontwikkelingen tot een oppervlakte van 250 m² zijn daarom mogelijk.

Hoge archeologische waarde

Deze verwachting betreft voornamelijk (afgedekte) bewoning en begraving die zich veelal over relatief grote gebieden (> 1.000 m²) uitstrekt. Hoewel met kleinere ingrepen archeologische waarden verloren zullen gaan, zal de schade (t.o.v. de gehele vindplaats) beperkt zijn. De grens van 1.000 m² is gebaseerd op de zones met een hoge verwachting in provinciale aandachtsgebieden.

Middelhoge archeologische waarde

Zie hoge archeologische waarde. De grens is vanzelfsprekend hoger dan bij een hoge archeologische waarde. In de middelhoge archeologische waarde is de grens bepaald op 2.500 m².

Lage archeologische waarde

Geen restricties als gevolg van lage verwachting. Hoewel in deze gebieden in principe wel archeologische resten aanwezig kunnen zijn, zal de kans op het aantreffen en verstoren van deze resten zo laag zijn dat de schade aan archeologische waarden beperkt blijft. Aangezien er tevens de wens bestaat om tot een vermindering van de onderzoeksdruk te komen, worden deze gebieden vrijgegeven.

3.5 Ontwikkelingen

In dit bestemmingsplan worden geen grootschalige ontwikkelingen meegenomen die planologisch niet al op basis van vigerende bestemmingsplannen, vrijstellingen/ontheffingen/afwijkingen en/of projectbesluiten mogelijk zijn gemaakt.

Een klein deel van het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan een uit te werken woonbestemming. Deze wordt in dit bestemmingsplan overgenomen. Hiermee wordt de bouw van maximaal 21 nieuwe woningen indirect mogelijk gemaakt. Er mag echter alleen worden gebouwd na vaststelling van een uitwerkingsplan.

Voor een van de horecagelegenheden in het plangebied bestaat het voornemen om de realisatie van enkele appartementen mogelijk te maken. Voor deze ontwikkeling zal een ruimtelijke onderbouwing opgesteld worden. Vooralsnog is deze ontwikkeling niet in het bestemmingsplan opgenomen.

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met aspecten uit de omgeving die invloed uitoefenen op functies in het plangebied. Daarnaast kunnen ook functies binnen het plangebied invloed uitoefenen op de in de omgeving aanwezige waarden.

4.1 Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de aanwezige functies. Voor deze beoordeling beschikt Leudal over een “Bodemkwaliteitskaart 2011”.

Uitgangspunt is dat er minimaal vooronderzoek dient plaats te vinden bij nieuwe ontwikkelingen. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het vooronderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Op moment van schrijven geldt daarvoor de NEN 5740.

Bodemonderzoek geeft de kwaliteit van de bodem op een bepaald moment weer. Een bodemonderzoek heeft standaard een geldigheidsduur van 5 jaar, zolang er geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden op de locatie. Een bodemonderzoek jonger dan twee jaar is zondermeer geldig. Bij een ouderdom tussen de twee en vijf jaar, moet door middel van een historisch onderzoek worden onderzocht of er activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de bodem nadelig beïnvloed kunnen hebben. Is dit het geval, dan dient minimaal dat deel van het terrein opnieuw onderzocht te worden. Is het bodemonderzoek ouder dan vijf jaar, dan is nieuw verkennend onderzoek vereist.

Het bestemmingsplan voor Neer is in hoofdzaak conserverend van aard. Dit betekent dat er geen nieuwe ontwikkelingen worden toegelaten. Voor het grootste deel van het bestemmingsplan verandert de functie van de grond niet en zijn er dan ook geen bodemonderzoeken noodzakelijk. Ten tijde van het opstellen van het uitwerkingsplan voor de uit te werken woonbestemming zal bodemonderzoek plaatsvinden voor dat plandeel.

4.2 Externe veiligheid

Achtergrond

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen (deze wordt op termijn vervangen door het 'Besluit transportroutes externe veiligheid'), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

In het Bevi is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Deze verantwoordingsplicht geldt alleen bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde of bij een toename van het groepsrisico. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Knelpunt hierbij is dat er geen plafond bestaat voor de omvang en samenstelling van dit vervoer. Theoretisch kan het vervoer ongelimiteerd toenemen, met dan eveneens ongelimiteerde gevolgen voor de ruimtelijke ordening. De overheid is voornemens een zogeheten Basisnet vast te stellen met routes die worden aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het beleid achter het landelijke Basisnet is dat een plafond vastgesteld wordt voor dit vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook worden randvoorwaarden aan de ruimtelijke ordening gesteld. De wetgeving rond het Basisnet zal op 1 juli 2014 in werking treden. Het besluit tot wijziging van de circulaire risicovol transport van gevaarlijke stoffen is reeds van kracht.

(Beperkt) kwetsbare objecten

Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.

In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

Risicovolle activiteiten

Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0015.png"  
Afbeelding 16. Uitsnede risicokaart kern Neer.  

Uit de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied enkele inrichtingen met risicovolle activiteiten of objecten zijn gevestigd.

Inrichting   Adres   Risicovolle activiteit   maximale PR-contour  
Alucol BV   Soerendonck 3   Opslag (binnen) van gevaarlijke stoffen   65 meter  
LLTB Neer   Napoleonsweg 70   Opslag (binnen) van bestrijdingsmiddelen en vuurwerk   65 meter  
Cortenbach   Napoleonsweg 27   Benzineservicestation   20 meter  
Firezone   Heldenseweg 14   Benzineservicestation   20 meter  

Tabel 4. Risicovolle bedijvigheid in en nabij plangebied

Ten aanzien van de genoemde bedrijven zijn geen overschrijdingen van het groepsrisico bekend. Verder geldt dat sprake is van een conserverend bestemmingsplan, waarbij geen nieuwe ontwikkelingen binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 of het invloedsgebied van de genoemde inrichtingen mogelijk worden gemaakt. Er bestaan ten aanzien van deze inrichtingen dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

Buisleidingen

Door Neer lopen twee ondergrondse aardgastransportleidingen. Het betreft de leidingen Z-513-01-KR-022 en A-520-01-KR-013.

De A-520-01 heeft een 1% letaliteitgrens van 170 meter en 100% letaliteitsgrens van 80 meter. Voor de Z-513-01 zijn deze 100 en 50 meter.

De A520-1 heeft een belemmeringenzone van 5 meter aan weerszijden van de leiding en de Z-513 heeft een belemmeringenzone van 4 meter aan weerszijden van de leiding.

Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Ook voor een conserverend bestemmingsplan als het onderhavige bestemmingsplan, dient verantwoording afgelegd te worden ten aanzien van het aspect 'groepsrisico' indien dat in het invloedsgebied van een aardgastransportleiding is gelegen. Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de genoemde aardgastrasportleidingen. Er dient dan ook een verantwoording van het groepsrisico te worden afgelegd. In dat kader wordt vermeld dat de buisleiding reeds jaren in de kern aanwezig zijn. Voorts worden er in het plangebied geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een significante invloed kunnen hebben op de hoogte van het groepsrisico. Een verdere invulling van de verantwoordingsplicht wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Risicovol transport over de weg

In het Basisnet weg, dat op 1 juli 2014 in werking zal treden, wordt aangegeven dat binnen 200 meter van een weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden het groepsrisico betrokken moet worden. Voor wat betreft het groepsrisico wordt aangegeven dat berekeningen uitwijzen dat er slechts verwaarloosbare invloed op het groepsrisico wordt uitgeoefend op afstanden van een route groter dan 200 meter.

Volgens de provinciale Risicokaart vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over N273 die door het plangebied loopt. De zone van 200 meter reikt dus tot over het plangebied. Gezien het feit dat in het kader van dit bestemmingplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, wordt er geen invloed uitgeoefend op de hoogte van het groepsrisico. Er zijn dus geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan in relatie tot de ligging ten opzichte van deze weg.

Voor de goede orde wordt nog vermeld dat de gemeente Leudal geen routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen heeft en de wegen niet meegenomen worden in het telprogramma voor het basisnet, waaruit al kan worden afgeleid dat er slechts in zeer geringe mate transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt ter plaatste van het plangebied.

Tevens wordt vermeld dat de provincie Limburg bezig is met het opstellen van een basisnet vervoer gevaarlijke stoffen voor Limburg. Dit betekent dat bepaald moet worden of het verkrijgen van inzicht in deze gegevens noodzakelijk is voor het opstellen van het basisnet. Enkel wegen waarover bulktransport gevaarlijke stoffen plaatsvindt welke bij een ongeval een levensbedreigend effect kunnen hebben op grote afstand worden opgenomen in het basisnet. Uit de eerste gegevens blijkt dat het in kaart brengen van het vervoer gevaarlijke stoffen over deze weg niet noodzakelijk is voor het verzekeren van de veiligheid van kwetsbare objecten. Het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg is namelijk te gering.

Risicovol transport over het water

In de nabijheid van Neer ligt een vaarweg waarover transport plaatsvindt. Het betreft de Maas.

De Maas is in het Basisnet Water gedefinieerd als hoofdroute en als een zwarte route - 'binnenvaartverbinding chemische clusters en achterlandverbindingen met toetsafstand'. Bij zwarte vaarwegen zijn risicocontouren vastgesteld die vrijwel overeen komen met de rand van de vaarweg. Deze gelden als risicolijn waar het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over die vaarweg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Tussen deze risicolijnen is bebouwing in beginsel niet toegestaan.

Daarnaast geldt er een plasbrandaandachtsgebied van 25 meter in de uiterwaarden. Binnen dit gebied moet worden afgewogen of er wel of niet gebouwd kan worden en of er wel of niet specifieke maatregelen noodzakelijk zijn. Een groepsrisicoverantwoording is alleen bij uitzonderlijk hoge bevolkingsdichtheden (>1.500 personen per hectare) noodzakelijk. Het plasbrandaandachtsgebied ligt tot in het plangebied aangezien deze grenst aan de Maas.

Voor veel locaties langs vaarwegen is het onwaarschijnlijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in de toekomst dusdanig zal groeien dat het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar daadwerkelijk de risicolijn zal bereiken. Daarnaast gaat dit bestemmingsplan niet uit van nieuwe ontwikkelingen binnen de ter plaatste geldende risicolijnen, waardoor er vanuit dit oogpunt geen knelpunten bestaan.

Ontwikkelingen

In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk gemaakt. Wel geldt een uitwerkingsplicht voor maximaal 37 woningen. Aangezien het aantal mensen dat hiermee aan de kern wordt toegevoegd beperkt is, er veel mensen rond het uit te werken gebied wonen en de afstanden tot risicobronnen groot is, zullen de effecten op het groepsrisico niet significant zijn.

4.3 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet.

Natuurbeschermingswet

De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura-2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.

Flora- en Faunawet

De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' van de Flora- en faunawet, en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een goedgekeurde gedragscode.

Sinds 22 februari 2005 is een AMvB in werking getreden die voorziet in een wijziging van het 'Besluit beschermde dier- en plantensoorten'. Deze AMvB betekent dat het ontheffingsregime is aangepast. Met de inwerkingtreding van dit besluit is sprake van een drietal categorieën beschermingsniveaus:

  • 1. niveau 1: een algemene ontheffing van in Nederland algemeen voorkomende soorten. Voor deze soorten is geen ontheffing van de artikelen 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet meer nodig;
  • 2. niveau 2: een algemene ontheffing met gedragscode voor een aantal beschermde soorten genoemd in tabel 2 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, zoals b.v. Eekhoorn, Steenmarter en alle in het wild voorkomende vogelsoorten. In een op te stellen gedragscode moet worden aangegeven hoe bij nieuwe plannen en projecten omgegaan dient te worden met beschermde soorten. Onder deze voorwaarden, vooraf goedgekeurd door de minister van LNV, kan gebruik worden gemaakt van deze ontheffing;
  • 3. niveau 3: streng beschermde soorten. Dit zijn de soorten genoemd in bijlage 1 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en alle soorten die zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Voor deze soorten kan geen algemene vrijstelling worden gegeven en is voor ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten wordt getoetst aan drie criteria: 1) er is sprake van dwingende redenen van openbaar belang, 2) er zijn geen alternatieven voorhanden en 3) de ruimtelijke ingreep doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Voor een ontheffingsaanvraag moet aan alle drie de criteria worden voldaan.

Met betrekking tot beschermingsniveau 2 geldt het volgende: Op dit moment bestaat er nog geen, door het ministerie van LNV goedgekeurde, gedragscode voor een werkwijze bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierdoor kan nog geen gebruik gemaakt worden van de mogelijke ontheffing voor dier- en plantensoorten welke vallen onder beschermingsniveau 2. Dit houdt in dat op dit moment (tot op het moment dat de hiervoor benoemde gedragscode door de sector is opgesteld en goedgekeurd door het ministerie van LNV) nog altijd ontheffing moet worden aangevraagd voor:

  • Planten en dieren welke zijn opgenomen in tabel 2. Hiervoor moet de zogenaamde 'lichte toets' worden gehanteerd. Dit houdt in dat de ruimtelijke ingreep geen afbreuk mag doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.
  • Alle in Nederland voorkomende broedvogels. Hiervoor moet de zogenoemde "uitgebreide" toets worden gehanteerd, zoals hierboven beschreven bij beschermingsniveau 3.

Relatie flora en fauna en bestemmingsplan

Tegen deze achtergrond moet nagegaan worden of nieuwe ontwikkelingen nadelige gevolgen hebben voor beschermde gebieden en / of beschermde planten en dieren in relatie tot hun natuurlijke leefomgeving.

Het plangebied is niet opgenomen in de lijst van gebieden waarop de gebiedsbescherming van toepassing is. Wel ligt het plangebied in het invloedsgebied van het Natura2000 gebied Leudal. In het conserverende deel van het plangebied vinden geen rechtstreekse ontwikkelingen plaats. Er behoeft dan ook in het kader van dit deel van het bestemmingsplan niet onderzocht te worden of er wettelijk beschermde soorten zijn, die negatieve effecten kunnen ondervinden als gevolg van het vaststellen van dit bestemmingsplan. Negatieve effecten op het Natura2000 gebied Leudal of op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna als gevolg van dit bestemmingsplan binnen het plangebied zijn uit te sluiten.

Onderzoeken

Het gebied met een uit te werken woonbestemming ligt te midden van de reeds bebouwde omgeving van Neer. Toch kan (bijvoorbeeld in de bestaande bebouwing) beschermde flora en/of fauna aanwezig zijn. Deel van de uitwerkingsplicht is daarom het uitvoeren van een flora en fauna onderzoek. Dit zal ten tijde van het uitwerken van het bestemmingsplan worden uitgevoerd. Hiermee wordt voldaan aan de flora- en faunawet.

4.4 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Voor woningen en kantoren gelden de volgende getalsmatige grenzen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0016.png"  
Tabel 5. Bovengrenzen NIBM ontwikkelingen  

De NIBM-grens houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorruimte beneden het criterium van 3% gebleven wordt. Zodra ontwikkelingen plaatsvinden die deze grens overschrijden dienen de effecten op de luchtkwaliteit onderzocht te worden.

Achtergrondwaarden

Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse 22-26 µg/m³, en is de concentratie NO2 ter plaatse gelegen tussen de 15 en 25 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting nog verder verbeteren.

Ontwikkelingen

In het plangebied geldt een uitwerkingsplicht voor de bouw van maximaal 21 woningen. Dit aantal blijft ruim onder het aantal van 1.500 woningen. Dit bestemmingsplan heeft dan ook een niet in betekenende mate bijdrage (NIBM) aan de luchtkwaliteit.

 

4.5 Water

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheersplan van waterschap Peel en Maasvallei, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), de Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.

Nationaal Waterplan 2009-2015

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006)

Het waterbeleid in het POL2006 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Na-tionaal Bestuursakkoord Water. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen:

  • herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden;
  • herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;
  • schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;
  • duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is;
  • een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

Ter bescherming van de (grond)waterkwaliteit ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening heeft de provincie Limburg op grond van haar bevoegdheid vanuit de Wet Milieubeheer beschermingsgebieden (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zone) aangewezen. De bescherming is erop gericht dat de kwaliteit van het grondwater zodanig is en blijft dat het middels eenvoudige zuivering geschikt is voor de openbare drinkwatervoorziening. De exacte begrenzing van deze beschermingsgebieden alsook de regels zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg.

In bepaalde gebieden is het grondwater van nature beschermd tegen verontreinigingen vanaf maaiveld. Deze zogeheten geologische bescherming, waarbij het diep gelegen watervoerende pakket wordt afgedekt met slecht doorlatende kleilagen, komt voor in de Venloschol, de Roerdalslenk en delen van Zuid-Limburg. Deze grondwatervoorraden heeft de provincie 'gereserveerd' voor menselijke consumptie. Het diepe grondwater onder het plangebied maakt, zoals vastgelegd in de POL-kaart 'Kristallen waarden' onderdeel uit van de Roerdalslenk.

De Roerdalslenk is als boringsvrije zone aangewezen, aangezien diepe boringen de natuurlijke geologische bescherming kunnen aantasten. In de Roerdalslenk worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening (en deels met een meldingsplicht) toegestaan. Dit is geborgd in de Provinciale Omgevingsverordening.

Waterschap Peel en Maasvallei

Het Integraal Waterbeheersplan 'Orde in water' van Waterschap Peel en Maasvallei (IWBP) beschrijft de uitwerking van het provinciale (oppervlakte)waterbeleid door het waterschap, zoals is vastgelegd in het POL2006. Het plan is richtinggevend voor het te voeren beleid en beheer van het waterschap. Het waterbeheer wordt in al zijn samenhangen bekeken met als belangrijke uitgangspunten de watersysteembenadering en de waterketenbenadering. Bij de integrale afwegingen zijn een viertal leidende principes: veiligheid, duurzaamheid, water als medeordenend principe en niet afwentelen op anderen. In de afweging gelden een drietal toetsingscriteria: doelrealisatie, kosteneffectiviteit en maatschappelijk draagvlak. Extra inspanningen worden geleverd op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer waaronder het nadrukkelijk beïnvloeden van de ruimtelijke ordening vanuit waterhuishoudkundige principes in samenwerking met de gemeentes. Ook het samenwerken in de waterketen met de gemeentes en de verdere sanering van schadelijke rioolwateroverstorten staat hoog op de agenda. Bij nieuwbouwlocaties wordt gestreefd naar 100% afkoppeling van het afkoppelbaar verhard oppervlak van het riool.

Keur waterschap Peel en Maasvallei

Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Peel en Maasvallei van toepassing. In de worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Door het plangebied lopen enkele primaire watergangen, te weten de Wijnbeek, de Neerbeek en de Keizersloop. Bebouwing binnen 5 meter vanaf de insteek van deze watergangen is niet toegelaten zonder watervergunning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0017.png"  
Afbeelding 17. Kaart 'legger van oppervlaktewateren' waterschap Peel en Maasvallei.  

Ter bescherming tegen hoogwater van de Maas zijn aan de oost- en zuidzijde van Neer waterkeringen gelegen, die in het beheer zijn van Waterschap Peel en Maasvallei. De waterkeringen zijn weergegeven op de kaart 'legger waterkeringen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0018.png"  
Afbeelding 18. Kaart 'legger van waterkeringen' waterschap Peel en Maasvallei.  

Grondwater

Grondwaterstanden en -stroming in Neer worden sterk beïnvloed door de Maas. Voor het plangebied en de directe omgeving zijn de grondwatertrappen III (gebied langs de Neerbeek), VII en VIII van toepassing.

Grondwatertrap (cm-mv)   I   II   III   IV   V   VI   VII   VIII  
Gemiddeld hoogste grondwaterstand in cm. beneden maaiveld   < 40   < 40   < 40   > 40   < 40   40 – 80   80 - 140   > 140  
Gemiddeld laagste grondwaterstand in cm. beneden maaiveld   < 50   50 – 80   80 – 120   80 – 120   > 120   > 120   > 120   > 160  

Tabel 6: Grondwatertrappen

De bebouwing en verharding in het plangebied leiden tot vermindering van aanvoer van regenwater naar het grondwater. Wat de invloed daarvan in het plangebied is op het grondwaterregiem kan moeilijk worden gekwantificeerd. Pas de laatste jaren is er meer aandacht binnen het stedelijk gebied voor die problematiek. Wanneer in de toekomst werkzaamheden aan de infrastructuur of vervanging van de riolering noodzakelijk zijn, kunnen de mogelijkheden voor het infiltreren van regenwater worden onderzocht.

In of rond het plangebied bevinden zich geen grondwaterbeschermingsgebieden.

Volgens de 'Kristallen Waarden'- kaart ligt het plangebied in Roerdalslenk zone III. Op grond van de Omgevingsverordening Limburg worden beperkingen gesteld aan activiteiten die invloed kunnen hebben op diepe grondwatervoorraden. Tevens is het niet toegestaan bodemroerende activiteiten te ontplooien, of bodemenergiesystemen te hebben beneden 80 m - mv. Zie voor een verdere beschrijving van de Provinciale Omgevingsverordening ook de paragraaf 'provinciaal beleid'. De Omgevingsverordening is afzonderlijk van het bestemmingsplan van toepassing. In dit bestemmingsplan zijn dan ook geen regels gesteld ten aanzien van de ligging in de Roerdalslenk zone III.

Oppervlaktewater

In de kern van Neer is sprake van oppervlaktewater in de vorm van de bovengenoemde waterlopen en de jachthaven van watersportvereniging Hanssum. Ten oosten van het plangebied stroomt de Maas.

Regen- en afvalwater

Bij de nieuwe woningen of andere ontwikkelingen dient het afval- en hemelwater gescheiden te worden afgevoerd. Wat betreft de afvoer van hemelwater sluit de gemeente Leudal aan bij de beleidsuitgangspunten van het waterschap.

Ontwikkelingen

De woningen die in het plangebied te zijner tijd worden gerealiseerd door middel van een uitwerkingsplan zullen voldoen aan de bovenstaande uitgangspunten voor het scheiden van regen- en afvalwater en infiltratie ter plaatse.

4.6 Wet geluidhinder

Op 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen, maar ook als gevolg van industrielawaai.

Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0019.png"  
Tabel 7. Breedte geluidszones wegen.  

Ontwikkelingen

Aangezien sprake is van een conserverend bestemmingsplan waarbinnen geen nieuwe ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt, is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Ten tijde van het opstellen van een uitwerkingsplan voor het uit te werken plandeel, zal beoordeeld worden of het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk is.

4.7 Wet milieubeheer

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is het noodzakelijk een zekere afstand te behouden tussen (agrarische) bedrijven en woonbebouwing. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving.

In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de relevante bedrijven en instellingen binnen en buiten de kern met bijbehorende milieuzonering conform de (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering” (2009), uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Hierbij zijn enkel de bedrijven met een milieucategorie van 3 en hoger meegenomen, aangezien bedrijven met milieucategorie 1 en 2 passen binnen de bebouwde omgeving, en daardoor direct toegestaan zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0020.png"  
Tabel 8. Bedrijven en instellingen en milieuzonering.  

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planonderdelen

Het bestemmingsplan voor de kern Neer is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Een belangrijke stap in het actualiseringstraject van onder andere het bestemmingsplan 'Kern Neer' (en alle andere kernen van de gemeente Leudal) is het opstellen van een kaderplan. Het kaderplan vormt de beleidsmatige ruimtelijke 'denkrichting' voor de afzonderlijke bestemmingsplannen voor de kernen. Een degelijke visie, zowel ruimtelijk als functioneel, is essentieel als basis voor de planologisch-juridische regeling in een bestemmingsplan. De ruimtelijke denkrichting is vastgelegd in het kaderplan dat geldt voor de te actualiseren bestemmingsplannen voor de kernen van de gemeente Leudal. Op deze wijze wordt de uniformiteit tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de kernen optimaal gewaarborgd.

Gebaseerd op het kaderplan is het gemeentelijk Handboek Bestemmingsplannen opgesteld, waarin is opgenomen op welke wijze de verbeelding en planregels dienen te worden opgesteld.

Het nieuwe bestemmingsplan voor de kern Neer is opgesteld conform het kaderplan, het gemeentelijk Handboek, de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Opzet planregels

5.2.1 Inleidende regels

Begrippen (art. 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen.

In de begrippen is ook een definitie voor 'peil' weergegeven. Dit is in de volgende afbeelding gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0021.png"  
Afbeelding 21. Visualisatie van de verschillende definities van Peil  

Wijze van meten (art. 2)

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

In de onderstaande afbeelding is aangegeven hoe de goothoogte en bouwhoogte bij woningen met en zonder kap gemeten dienen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0022.png"  
Afbeelding 22. Goot- en bouwhoogte bij woningen met en zonder kap  

5.2.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid;

Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

In dit bestemmingsplan is voor diverse bestemmingen een nadere eisenregeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen, binnen de reeds aangegeven begrenzingen van het bestemmingsplan (gebruiks- en bouwregels), nadere eisen stellen aan plaats en afmeting van gebouwen indien dit noodzakelijk is voor de aspecten:

  • gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • verkeersveiligheid;
  • sociale veiligheid;
  • brandveiligheid en rampenbestrijding;
  • externe veiligheid;
  • benodigde parkeervoorzieningen;
  • benodigde waterberging.

Hier onder worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Agrarisch

De gronden in het plangebied die agrarisch in gebruik zijn, zijn als zodanig bestemd en bedoeld voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering, met daaraan ondergeschikt extensief recreatief medegebruik. Intensieve veehouderij is niet toegelaten.

Op deze gronden is uitsluitend ten behoeve van het agrarisch gebruik het bouwen van bouwwerken toegestaan. Binnen de aangegeven bouwvlakken zijn deze gebouwen toegestaan (inclusief bedrijfswoningen). De maximale hoogtes zijn overeenkomstig de maximale hoogtes ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Voor de bedrijfswoning(en) geldt dat aangesloten wordt bij de regeling zoals die voor de woonbestemming geldt.

Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee (voormalige) agrarische bedrijfswoningen kunnen worden omgezet in een burgerwoning.

Bedrijf

Binnen deze bestemming worden de aanwezige bedrijven geregeld.

In principe zijn alleen bedrijven toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2 (VNG 2009), welke passen binnen een woonomgeving. Uitzondering wordt gemaakt voor bestaande bedrijven die in een hogere categorie vallen. Deze zijn dan ook specifiek aangegeven op de verbeelding.

Beperkte uitbreiding is enkel mogelijk na een integrale afweging en binnen de geldende milieuregelgeving. Dit betekent dat binnen de kernen enkel bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 en gelegen op een duurzame locatie (na een integrale afweging) beperkte uitbreidingmogelijkheden kunnen hebben. Nieuwe bedrijven in de kernen zijn vanwege de milieubeperkingen niet rechtstreeks mogelijk. Op de verbeelding zijn de bedrijven daarom voorzien van een bouwvlak met daaraan gekoppeld een bebouwingspercentage, gebaseerd op de huidige bebouwing. De maximale hoogtes zijn overeenkomstig de maximale hoogtes ten tijde van de terinzagelegging van het vastgestelde plan.

Aan huis verbonden bedrijvigheid, als ondergeschikte functie bij de woonfunctie is binnen het gehele plangebied middels een omgevingsvergunning toegestaan. Aan de omgevingsvergunning zijn voorwaarden verbonden ter bescherming van de omgeving (milieuhinder, parkeren e.d). Kleine aan huis verbonden bedrijfjes en al dan niet aan huis verbonden beroepen (vallend onder VNG-categorie 1) worden rechtstreeks toegelaten, met een maximum van 30 m2.

In het plangebied aanwezige nutsvoorzieningen zijn overeenkomstig de RO Standaarden 2012 bestemd tot 'Bedrijf' en voorzien van de aanduiding 'nutsvoorziening'.

Bedrijventerrein

Voor bedrijventerrein Soerendonck is in overeenstemming met het Kaderplan voor de bestemmingsplannen voor de kernen de bedrijventerreinbestemming opgenomen. Hierbinnen zijn bedrijven in milieucategorie 2 en 3 standaard toegelaten. Tevens wordt hier meer ruimte voor ontwikkeling geboden dan binnen de reguliere bedrijfsbestemming. Bedrijfswoningen zijn enkel toegelaten indien deze reeds aanwezig zijn ten tijde van vaststelling van het plan.

Centrum

In het centrum van Neer is gekozen voor een centrumbestemming, waarbinnen een veelheid van functies onderling kan worden uitgewisseld.

Detailhandel is op alle gronden met de centrumbestemming toegestaan, met uitzondering van supermarkten. Deze zijn specifiek aangeduid op de verbeelding en zijn alleen toegestaan op die locaties.

Lichte horeca (horeca van categorie 1) is overal binnen de centrumbestemming toegestaan. Dit zijn horecabedrijven die in beginsel alleen overdag en 's avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Hierbij kan worden gedacht aan aan de detailhandel verwante horeca, zoals een broodjeszaak, cafetaria, croissanterie en koffiebar, maar ook aan overige lichte horeca zoals een bistro, restaurant (al dan niet met bezorg- en/of afhaalservice) en een hotel.

Middelzware horeca is uitsluitend toegestaan daar waar deze op de verbeelding is aangeduid als horeca van categorie 2. In Neer komt deze vorm van horeca niet voor. Het betreft horecabedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken, zoals een biljartcentrum; café; shoarma/grillroom en zalenverhuur.

Zware horeca is in het centrum van Neer niet toegestaan. Dit zijn horecabedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kunnen brengen. Hierbij kan gedacht worden aan een dancing, discotheek en een nachtclub.

Kantoren, dienstverlening en bedrijven die gericht zijn op cultuur en ontspanning (zoals een sauna, wellness, casino) zijn door de geringe milieubelasting op de omgeving overal in het centrumgebied toegestaan.

In het centrumgebied van Neer komt naast de voorzieningenfunctie ook de woonfunctie voor. Wonen is alleen toegestaan, daar waar op de verbeelding de aanduiding ´wonen´, en ´wonen op verdieping´ is opgenomen.

Het uitoefenen van beroepen en bedrijven aan huis is onder voorwaarden toegestaan, daar waar op de verbeelding een woonfunctie wordt toegestaan. Voor een beroep aan huis wordt een maximum aantal m² aangehouden van 80 m² en voor een bedrijf aan huis (wat een wat zwaardere milieubelasting veroorzaakt dan een beroep aan huis) maximaal 30 m².

Rijksmonumenten zijn specifiek aangeduid op de verbeelding met de aanduidingen 'specifieke vorm van waarde – monument Rijk'.

Bebouwing ten behoeve van de hierboven genoemde functies mag overal binnen het bestemmingsvlak (tevens bouwvlak) worden opgericht. Het bouwperceel mag geheel worden bebouwd, behalve als op de verbeelding een maximum bebouwingspercentage is aangegeven. In die gevallen mag het bouwvlak tot maximaal het aangegeven percentage worden bebouwd. Er mogen geen nieuwe woningen worden gerealiseerd. De diepte van bedrijfsgebouwen mag vanaf de eerste verdieping niet meer bedragen dan 15 meter. De goothoogte en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte ten tijde van de ter inzage legging van het vastgestelde bestemmingsplan. Bijbehorende bouwwerken c.q. overkappingen zijn uitsluitend toegelaten binnen het bouwvlak. De maximale oppervlakte bedraagt 100 m2 en de maximale goothoogte bedraagt 3,5 meter. De maximale bouwhoogte bedraagt 5,5 meter. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 meter. De hoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De bouwhoogte daarvan mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Detailhandel

Deze bestemming is opgenomen als planologisch-juridische regeling voor de detailhandelsvestigingen (winkels). Op de verbeelding zijn de detailhandelsvestigingen voorzien van een bouwvlak met daaraan gekoppeld een bebouwingspercentage. De maximale hoogtes zijn overeenkomstig de maximale hoogtes ten tijde van de terinzagelegging van het vastgestelde plan.

Dienstverlening

De dienstverlenende locatie in het plangebied is bestemd met de bestemming 'Dienstverlening'. Op de verbeelding zijn is deze functie voorzien van een bouwvlak met daaraan gekoppeld een bebouwingspercentage. De maximale hoogtes zijn overeenkomstig de maximale hoogtes ten tijde van de terinzagelegging van het vastgestelde plan.

Groen

Binnen deze bestemmingen zijn groenvoorzieningen toegestaan, alsmede speelvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen en evenementen. De gronden mogen worden bebouwd ten behoeve van gebouwen van algemeen nut.

Horeca

De horeca binnen het plangebied, voor zover niet gelegen in het centrumgebied, is specifiek bestemd met de bestemming 'Horeca'. Horecavestigingen met de horecacategorieën 1 (doorgaans overdag geopend en toegespitst op eten bijv. restaurant) zijn rechtstreeks toegestaan. Horeca van categorie 2 (toegespitst op het nuttigen van alcoholische dranken bijv. café) is alleen toegestaan, daar waar op de verbeelding aangegeven. Een zwaardere horecacategorie dan 2 is niet toegestaan. Coffeeshops en erotisch getinte horeca zijn niet toegelaten.

Op de verbeelding zijn de horeca functies voorzien van een bouwvlak met daaraan gekoppeld een bebouwingspercentage. De maximale hoogtes zijn overeenkomstig de maximale hoogtes ten tijde van de terinzagelegging van het vastgestelde plan.

Kantoor

De kantoorlocatie in het plangebied is bestemd met de bestemming 'Kantoor'. Wonen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen'. Op de verbeelding zijn de kantoorfuncties voorzien van een bouwvlak met daaraan gekoppeld een bebouwingspercentage. De maximale hoogtes zijn overeenkomstig de maximale hoogtes ten tijde van de terinzagelegging van het vastgestelde plan.

Maatschappelijk

Binnen deze bestemming zijn onderwijsdoeleinden, sociaal-medische doeleinden, sociaal-culturele doeleinden, levensbeschouwelijke doeleinden en religieuze doeleinden toegestaan, zoals onder andere de begraafplaats.

Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Op de verbeelding zijn het maximale bebouwingspercentage en de maximale goothoogtes per bebouwingsvlak aangegeven. In de bouwregels is verder aangegeven aan welke maatvoering hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken moeten voldoen.

Recreatie

De jachthaven heeft de bestemming 'Recreatie', met een nadere aanduiding voor de jachthaven. Onder andere een botenlift en botenhelling zijn toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Op de verbeelding zijn het maximale bebouwingspercentage en de maximale goothoogtes per bebouwingsvlak aangegeven. In de bouwregels is verder aangegeven aan welke maatvoering hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken moeten voldoen.

Sport

Deze bestemming is gelegd op de sportvelden en sporthallen van Neer, daar waar deze niet in het centrumgebied liggen. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven ruime bouwvlak. Op de verbeelding en in de planregels is aangegeven aan welke maatvoering de gebouwen moeten voldoen en voor welk percentage het bouwvlak mag worden bebouwd. Een schutterij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding daarvoor op de verbeelding.

Verkeer

Binnen deze bestemming zijn onder andere verkeersdoeleinden (wegen, paden, parkeervoorzieningen) alsook groenvoorzieningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperstandplaatsen' zijn camperstandplaatsen toegestaan.

Water

Het water van de beken en van de jachthaven heeft de bestemming 'Water' gekregen. Hier mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Bestaande aanlegsteigers zijn toegestaan.

Wonen

In de geldende bestemmingsplannen werden ten behoeve van woondoeleinden verschillende bestemmingscategorieën opgenomen voor diverse woningtypen. Ook voor- en achtertuin werden afzonderlijk bestemd. In het nieuwe plan wordt deze regeling, gelet op het algemeen uitgangspunt (flexibilisering), verlaten.

In plaats van een gedetailleerde bestemmingsregeling wordt voor woondoeleinden nu slechts één bestemming opgenomen, namelijk 'Wonen'. Hierin worden tevens voor- en achtertuin geregeld. Deze bestemming is opgenomen voor alle bestaande woningen. Woningen die deel uit maken van een bedrijf worden geregeld middels een bestemming waarin ook het bedrijf geregeld is. De regeling is zeer flexibel gehouden, met als gevolg dat er bij het bouwen, verbouwen of veranderen van een woning aan maar weinig voorwaarden voldaan hoeft te worden.

In de geldende plannen werden ten behoeve van woondoeleinden verschillende bestemmingscategorieën opgenomen voor diverse woningtypen. Ook voor- en achtertuin werden afzonderlijk bestemd. In het nieuwe plan wordt deze regeling, gelet op het uitgangspunt van flexibilisering, verlaten. Wel is een aparte aanduiding opgenomen voor de woonwagenstandplaatsen in nabij de sportvelden.

Binnen de woonbestemming is het toegestaan aan huis verbonden beroepen uit te oefenen. Volgens jurisprudentie kan het gebruik van ruimten in woningen voor de uitoefening van een ambt, beroep of praktijk niet afhankelijk worden gesteld van een omgevingsvergunning. Daarom is in de gebruiksregels opgenomen dat een aan huis verbonden beroep rechtstreeks is toegestaan maar dat de woonfunctie de hoofdfunctie dient te blijven.

Er gelden een aantal specifieke bouwregels binnen de woonbestemming. Het hoofdgebouw mag enkel binnen het hoofdbebouwingsvlak worden gebouwd. Dit is een denkbeeldig vlak dat wordt begrensd door de voorgevelrooilijn en een denkbeeldige lijn op 15 meter evenwijdig aan de voorgevelrooilijn. Bijbehorende bouwwerken mogen ook daarachter, op het achtererf worden opgericht.

Hoofdgebouwen mogen enkel op de begane grond worden uitgebreid. Uitbreiding op de verdieping is mogelijk met een afwijking van het bestemmingsplan.

Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Door middel van een afwijking door middel van een omgevingsvergunning is het onder voorwaarden mogelijk buiten het bouwvlak te bouwen. Het betreft de realisatie van:

  • Erkers (maximaal 6m2)
  • Een carport, deels voor de voorgevelrooilijn
  • Een aanbouw of overkapping bij hoekwoningen (maximaal 25 m2)

De systematiek van het hoofdbebouwingsvlak is op de navolgende weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14KernNeer-VG01_0023.png"  
Afbeelding 23. Systematiek hoofdbebouwingsvlak en hoekwoningen  

Wonen - Uit te werken

Op een deel van het plangebied ligt een uit te werken woonbestemming voor maximaal 21 woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van 7 en 10 meter. Zowel vrijstaande, twee-aaneengebouwde, aaneengebouwde als gestapelde woningen zijn toegestaan. Er mag alleen worden gebouwd in overeenstemming met een door het College vastgesteld uitwerkingsplan.

Leiding - Gas

Ter plaatse van de dubbelbestemming Leiding- Gas ligt een aardgastransportleiding en de daarbij behorende beschermingszone. Hier geldt een bouwverbod voor bouwwerken die niet ten dienste staan van de gasleiding. Er is een omgevingsvergunning nodig voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden.

Leiding - Hoogspanningsverbinding

Ter plaatse van de dubbelbestemming Leiding- Hoogspanningsverbinding ligt een hoogspanningsverbinding en de daarbij behorende beschermingszone. Hier geldt een bouwverbod voor bouwwerken die niet ten dienste staan van de hoogspanningsleiding. Er is een omgevingsvergunning nodig voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden.

Waarde – Archeologie 4 en 5

Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen is het gemeentelijk archeologisch beleid van toepassing met verschillende ondergrenzen voor de noodzakelijkheid van archeologisch onderzoek.

Waterstaat - Beschermingszone watergang

Ten behoeve van de bescherming en het doelmatig beheer en onderhoud van de watergang is een dubbelbestemming opgenomen. Hier mag alleen worden gebouwd ten behoeve van het beheer en onderhoud van de waterkering.

Waterstaat - Beschermingszone waterkering

Ten behoeve van de bescherming en het doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering is een dubbelbestemming opgenomen. Hier mag alleen worden gebouwd ten behoeve van het beheer en onderhoud van de watergang.

Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed

Gronden aan de uiterste oostzijde van de kern liggen in het stroomvoerend regime van de Maas. Bouwplannen in dit gebied worden aan een nadere toets aan de rivierkundige voorwaarden en aan de vereiste van riviergebonden activiteiten onderworpen. Tevens dient Rijkswaterstaat om advies te worden gevraagd.

Waterstaat – Waterbergend rivierbed

Het oostelijk deel van de kern ligt in het bergend regime van de Maas, dit met uitzondering van de bestaande bebouwing, die is aangemerkt als gebied waarop paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is. Bouwplannen in dit gebied worden aan een nadere toets aan de rivierkundige voorwaarden onderworpen. Tevens dient Rijkswaterstaat om advies te worden gevraagd.

Waterstaat – Waterkering

De waterkering aan de oostzijde van de kern is beschermd door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering'. Op deze gronden is de Keur van het Waterschap van toepassing en er geldt een omgevingsvergunningvereiste voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en voor werkzaamheden.

5.2.3 Algemene regels

De Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten.

In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden.

In de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

In de algemene aanduidingsregels zijn regels opgenomen ten behoeve van de veiligheidszone van het scheepvaartverkeer over de Maas en ten aanzien van het plasbrandaandachtsgebied in het plangebied,

In de navolgende regel zijn de Algemene procedureregels opgenomen.

In het artikel Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht. Zo is een bepaling opgenomen ter bescherming van monumentale bomen.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant.

De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro:

  • de bouw van een of meerdere woningen;
  • de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²;
  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².

Dit bestemmingsplan betreft in hoofdzaak een beheerplan, er worden geen ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk gemaakt. Er is zodoende over het algemeen geen sprake van een bouwplan met een afdwingbaar kostenverhaal. Ten tijde van uitwerking van het bestemmingsplan zal kostenverhaal plaatsvinden voor het uit te werken plandeel.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van de voor dit plan vastgelegde inspraakprocedure zijn ingezetenen en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun mening(en) inzake het onderhavige bestemmingsplan kenbaar te maken. De planstukken hebben daartoe van 6 maart 2014 tot en met 2 april 2014, zowel digitaal als analoog, voor een ieder ter inzage gelegen. De publicatie daarvan heeeft plaatsgevonden in het digitale gemeenteblad van woensdag 5 maart 2014. In bijlage 1 van deze toelichting is het eindverslag van het vooroverleg en de inspraak opgenomen.

6.3 Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.

De procedure ziet er als volgt uit:

  • Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;
  • Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
  • Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
  • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad na 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;
  • Algemene bekendmaking van het vastgestelde bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling;
  • Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
  • Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden.

In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld. Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien.

In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen.

Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging.

Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 8 Communicatie

De communicatie met betrekking tot het voorontwerp bestemmingsplan heeft via de geijkte kanalen plaatsgevonden. Publicatie heeft plaatsgevonden op de gemeentelijke website, www.ruimtelijkeplannen.nl en via het plaatselijke weekblad “Leudal Nieuws” (voorheen genaamd “de Streekbode”. Bovendien is een informatieavond gehouden voor het voorontwerpbestemmingsplan. De resultaten van de inspraak zijn opgenomen in bijlage 1.