direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Heisterkes Haelen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01

Toelichting

N.B.

Deze bestemmingsplantoelichting is tevens de ruimtelijke onderbouwing bij Wabo-aanvraag 2014-165 voor de realisering van een parkeerterrein in afwijking van het geldend bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1 Inleiding

Aan de Speckerweg in Haelen is het kinderdienstencentrum (KDC) de Heisterkes gesitueerd. KDC de Heisterkes is gericht op het bieden van dagbesteding aan kinderen en/of volwassenen met een matig tot ernstig / zeer ernstig verstandelijke handicap.

De locatie van de Heisterkes is bij uitstek geschikt voor wonen en dagbesteding voor mensen met een ernstige handicap (gelegen aan rand van het dorp, alle dorpse voorzieningen zijn dichtbij terwijl de omgeving wordt gekenmerkt door rust en natuur). PSW wil deze locatie dan ook behouden en benutten voor dagbesteding voor (jong)volwassenen. Voor de naastgelegen grond heeft PSW toekomstplannen in de vorm van een nieuwe woonvoorziening voor (jong)volwassenen met een (ernstig) verstandelijk handicap.

Ten behoeve van de realisatie van deze woonvoorziening is een verzoek tot medewerking bij de gemeente Leudal ingediend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0001.png"

Afbeelding 1. Ligging en omgeving KDC De Heisterkes

De naastgelegen gronden van het KDC maken onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied” van de voormalige gemeente Haelen. Volgens dit bestemmingsplan is het niet toegestaan ter plaatse de beoogde woonvoorziening te realiseren. Het college heeft in principe medewerking toegezegd en wil deze strijdigheid met het bestemmingsplan wegnemen door voor dit plandeel een bestemmingsplan op maat te maken.

Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch vast te leggen is voorliggend nieuw bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor deze locatie wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. De locatie krijgt een maatschappelijke bestemming waardoor de bouw van de woonvoorzieningen mogelijk wordt. Op basis van de nieuwe bestemming kunnen uiteindelijk de benodigde vergunningen worden aangevraagd en verleend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0002.png"  

Afbeelding 2. Indicatie begrenzing plangebied

Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding.

De toelichting heeft géén bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het project en ook bij de uitleg van de nieuwe bestemming en regels.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van de op te richten bouwwerken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemming. Op de verbeelding wordt de bestemming weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

De plangrens is afgebeeld op afbeelding 2. Het als zodanig afgebakende gebied zal in het verdere vervolg van dit rapport als “het plangebied” worden aangeduid. Bij het bepalen van de planbegrenzing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • er is een eenduidige en herkenbare plangrens getrokken;
  • de bestaande perceels- en eigendomsgrenzen zijn zoveel mogelijk gerespecteerd.

De toelichting is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader beschreven. In hoofdstuk 3 komen de bestaande situatie aan bod gevolgd door de toekomstige situatie. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek, dat ten behoeve van de planrealisatie verricht is, belicht. Ten slotte komen in de hoofdstukken 5, 6 en 7 de planstukken, overleg en procedure aan de orde.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Het Rijksbeleid zal worden besproken aan de hand van het overkoepelend beleidsstuk; de Nota Ruimte. Voor het provinciaal beleid wordt gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), eveneens een overkoepelend beleidsstuk en diverse andere / aanvullende beleidsstukken. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ingegaan op het kaderplan en de gemeentelijke structuurvisie.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Nota Ruimte

De Nota Ruimte is een nota van het Rijk, waarin de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn vastgelegd. In de Nota Ruimte gaat het daarbij om inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020, met een doorkijk naar 2030. In de nota worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij de ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland (RHS) een belangrijke rol speelt.

De Nota Ruimte bevat niet alleen de ruimtelijke uitspraken zoals die eerder in de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening waren opgenomen, maar ook die uit het Tweede Structuurschema Groene Ruimte (SGR2) en uit het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP). Daarnaast zijn in de Nota Ruimte ook de Gebiedsgerichte Economische Perspectieven (GEP) opgenomen. De Nota Ruimte is derhalve een integraal product.

In de Nota Ruimte wordt gekozen voor een dynamisch, op ontwikkeling gericht ruimtelijk beleid. 'Toelatingsplanologie' maakt plaats voor 'ontwikkelingsplanologie', doordat niet langer alleen beperkingen worden gezien, maar juist ontwikkelingen worden gestimuleerd. Het Rijk stelt alleen nog maar beperkingen aan ruimtelijke ontwikkelingen, wanneer een nationaal belang in het geding is.

Ontwikkelingsplanologie werkt vanuit een gebiedsgerichte aanpak, met als doel de ruimtelijke kwaliteit van het gebied vanuit verschillende deelbelangen te verbeteren. Er liggen op een gebied vaak meerdere “ruimteclaims”, die ieder hun eigen doelstellingen hebben. Alleen door een synergie op gang te brengen tussen de verschillende deelbelangen, kan er gebiedsgericht maatwerk geleverd worden en kunnen er meervoudige doelen worden bereikt.

Bundelingsbeleid

Wat betreft de leefbaarheid van dorpen en steden wordt in de Nota Ruimte opgemerkt dat bundeling van verstedelijking en economische activiteiten gewenst is. Dat betekent dat nieuwe functies of bebouwing grotendeels geconcentreerd tot stand moeten komen: in bestaand bebouwd gebied, aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in nieuwe clusters daarbuiten. De ruimte die in het bestaande stedelijke gebied aanwezig is, moet door verdichting optimaal gebruikt worden. De openheid van het landelijke gebied dient namelijk zo veel mogelijk behouden te blijven.

Bouwen in het buitengebied

In de Nota Ruimte is ten aanzien van bebouwing in het buitengebied aangegeven dat de mogelijkheden voor hergebruik en nieuwbouw in het buitengebied verruimd worden. Doel hiermee is het economisch draagvlak en de vitaliteit van de meer landelijke gebieden te vergroten. De kwaliteit van het landschap dient een volwaardige plaats bij ruimtelijke afwegingen te krijgen. Het gaat daarbij om algemene landschappelijke, natuurlijke, culturele en cultuurhistorische waarden.

Economisch (locatie-) beleid

Met betrekking tot het economisch locatiebeleid van het Rijk wordt in de Nota Ruimte opgemerkt dat elke regio vestigingsmogelijkheden dient te bieden voor bedrijven en voorzieningen, zodat een optimale bijdrage wordt geleverd aan de versterking van steden en dorpen. Daarbij moet voor ieder bedrijf een goede plaats worden geboden. Het Rijk beperkt zich tot het aanreiken van een aantal regels die betrekking hebben op de gewenste basiskwaliteit. Zo hecht het kabinet waarde aan het zoveel mogelijk mengen van wonen en werken. Ook moet gezorgd worden voor plekken waar bedrijven en voorzieningen zich kunnen vestigen die om redenen van veiligheid of hinder niet in centra of wijken passen. Verder moet aan bedrijven en voorzieningen met omvangrijke vervoersstromen ruimte worden geboden op plekken met een goede aansluiting op verschillende soorten vervoer.

Conclusie

Het plangebied bevindt zich aan de rand van de kern Haelen, in het buitengebied.

Met de woonvoorzieningen wordt bijgedragen aan de vergroting van het economisch draagvlak en de vitaliteit van het landelijk gebied.

Woonvoorzieningen voor ernstig gehandicapten moeten enerzijds gericht zijn op de samenleving en anderzijds een omgeving van rust en natuur bieden. Een dergelijke voorziening past dan ook niet in een centrum of wijk, maar veel beter aan de rand van een kern, zoals in dit geval.

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling past in het gestelde van de Nota Ruimte.

2.1.2 Realisatieparagraaf nationaal ruimtelijk beleid

Op grond van de Invoeringswet Wro, artikel 9.1.2 lid 1 Overgangsrecht WRO, is bepaald dat een planologische kernbeslissing (zoals de Nota Ruimte) gelijkgesteld wordt met een structuurvisie. Het recht van de planologische kernbeslissing zoals gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro blijft van toepassing. In het kader van de Wro dienen echter niet alleen de verantwoordelijkheden en belangen benoemd te worden, maar zal ook inzichtelijk moeten worden gemaakt hoe deze belangen zullen worden verwezenlijkt. Het Rijk heeft derhalve de nationale ruimtelijke belangen geïdentificeerd in de Realisatieparagraaf nationaal ruimtelijk beleid. Ook deze Realisatieparagraaf heeft de status van structuurvisie.

Er zijn 33 nationale ruimtelijke belangen onderscheiden op basis van de Nota Ruimte. Dat is ook gedaan voor de andere bestaande Pkb's (ook van andere departementen). De nationale belangen zijn zaken waarvoor de Rijksoverheid verantwoordelijkheid neemt en ze geven aan waar het Rijk voor staat. De nationale belangen omvatten globaal genomen:

  • nationale planologische principes zoals gebundelde verstedelijking en versterking van de kwaliteiten van het landschap;
  • de ontwikkeling van de Randstad, de mainports en een aantal grote bouwlocaties;
  • de bescherming en ontwikkeling van een aantal groene en blauwe gebiedscategorieën;
  • ruimtelijke garanties voor de nationale grondstoffen- en energieproductie.

Op basis van de Realisatieparagraaf nationaal ruimtelijk beleid zijn een aantal nationale belangen in het plangebied van toepassing. Deze nationale belangen zijn allen afkomstig uit de Nota Ruimte:

  • Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten: nieuwe functies of bebouwing dienen grotendeels geconcentreerd tot stand te komen: in bestaand bebouwd gebied, aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in nieuwe clusters daarbuiten. De ruimte die in het bestaande stedelijke gebied aanwezig is, moet door verdichting optimaal gebruikt worden. De openheid van het landelijke gebied dient namelijk zo veel mogelijk behouden te blijven.
  • Borging van milieukwaliteit en externe veiligheid: het Rijk streeft naar een schone aantrekkelijke en veilige leefomgeving. Instrumentarium is onder meer de Wet luchtkwaliteit, Wet geluidhinder en Wet bodembescherming.
  • Het op orde houden van het regionale watersysteem: het op orde brengen en houden van het regionale watersysteem heeft als doel het land te beschermen tegen wateroverlast, zoetwatervoorraden veilig te stellen, het voorkomen van verdroging en onnodige bodemdaling, watertekorten en verzilting, de verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, een goede ecologische waterkwaliteit en de versterking van ruimtelijke kwaliteiten.
  • Bescherming en nadere ontwikkeling leefgebieden van beschermde soorten: ook buiten de EHS, VHR- en NB-wetgebieden is veel natuur gelegen die beschermd en ontwikkeld dient te worden. De Flora en faunawet en Natuurbeschermingswet zijn hier instrumenten voor.

Aan al deze aspecten wordt met dit project voldaan, de locatie is immers gelegen tegen de rand van Haelen. Voor wat betreft de milieuaspecten wordt nader ingegaan in hoofdstuk 4.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006

Op 22 september 2006 is door Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006) vastgesteld. In 2008 is het POL2006 geactualiseerd aan de nieuwe ruimtelijke wetgeving. Het POL2006 is een streekplan, het provinciaal waterhuishoudingplan, het provinciaal milieubeleidsplan en bevat de hoofdlijnen van het provinciaal verkeer- en vervoersplan. Tevens vormt het POL2006 een economisch beleidskader op hoofdlijnen, voorzover het de fysieke elementen daarvan betreft, en een welzijnsplan op hoofdlijnen, voorzover het de fysieke aspecten van zorg, cultuur en sociale ontwikkeling betreft.

Het POL2006 zelf kan eveneens beschouwd worden als de structuurvisie die op grond van de nieuwe ruimtelijke wetgeving (en mogelijk ook op grond van nieuwe milieu- en waterwetgeving) door provincies opgesteld moet worden. Hiertoe is de POL-aanvulling Nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgesteld. De POL-aanvulling heeft de juridische status van structuurvisie en vormt tevens de uitvoeringsparagraaf van het POL2006, zoals bedoeld in Wro. De laatste actualisatie van het POL2006 heeft in 2011 plaatsgevonden.

Verstedelijking en steeds intensiever ruimtegebruik leggen een toenemend beslag op de open ruimte in het landelijk gebied en verminderen de diversiteit van landschap en groen. De provincie houdt daarom vast aan het zo compact mogelijk houden van de steden en een minstens gelijk blijvend aandeel van de stadsregio's in het totaal van woningen, werklocaties en arbeidsplaatsen. Over het algemeen wordt dus ingezet op het bundelen van de verstedelijking en economische activiteiten in of aansluitend aan bestaande bebouwde gebieden.

Contour

In Limburg is dat vertaald in de stadsregio's en de plattelandskernen. De stadsregio's vormen binnen Limburg de vertaling van de bundelingsgebieden zoals het Rijk die hanteert in de Nota Ruimte. Iedere stadsregio is voorzien van een zogenaamde grens stedelijke dynamiek. De plattelandskernen zijn voorzien van contouren. Paarse contouren om de stadsregio's bepalen de grens voor de stedelijke dynamiek

De contouren vormen tegelijk de overgang naar een platteland met een heel andere dynamiek. Deze grenzen zijn vastgelegd op basis van de natuurlijke waarden in het omliggende gebied en een goede functionele en stedelijke samenhang, rekening houdend met de verwachte groei, zoveel mogelijk samenvallend met bestaande elementen zoals wegen. Deze begrenzing laat onverlet dat er sprake is van een sterke wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden. Voor veel voorzieningen is men vanuit het landelijk gebied aangewezen op de steden. Omgekeerd is de kwaliteit van het landelijk gebied mede bepalend voor de aantrekkelijkheid van de stedelijke gebieden als vestigingsgebied. Woningbouw en uitbreiding van bedrijvigheid vinden bij voorkeur plaats binnen de contouren. Initiatieven buiten de contouren zijn mogelijk indien ze inpasbaar zijn in het landschap en de landbouwstructuur en gepaard gaan met de realisatie van extra natuur, landschap of milieukwaliteit. Voor landbouw (en toerisme) wordt zoveel mogelijk ontwikkelingsruimte geboden, mits de gebiedskwaliteit er als geheel op vooruit gaat.

Het projectgebied grenst aan de contour van Haelen, maar ligt er geheel buiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0003.png"  
Afbeelding 3. Uitsnede POL-kaart 'Perspectieven'  

Perspectieven

Aan het grondgebied van de provincie Limburg worden in het POL2006 verschillende perspectieven toegekend. Deze perspectieven karakteriseren een bepaald type gebied en geven de gewenste ontwikkelingsrichting van dergelijke gebieden aan. Het plangebied behoort tot perspectief 4 'Vitaal landelijk gebied'.

De inrichting van gebieden die deel uitmaken van dit perspectief, wordt in belangrijke mate bepaald door de landbouw met een van gebied tot gebied verschillende aard en dichtheid aan omgevingskwaliteiten. Er zijn ook ontwikkelingsmogelijkheden voor de toeristische sector en kleinschalige vormen van bedrijvigheid, verbrede landbouw en kleinschalige dienstverlenende bedrijven. In dit gebied geldt de versterking van de landschappelijke kwaliteit als randvoorwaarde bij verder kwaliteitsontwikkeling van landbouw, toerisme en recreatie. Belangrijkste doel hierbij is het behouden van de landschappelijke kwaliteit en identiteit ter plaatse. Economische ontwikkelingen van landbouw, recreatie en toerisme worden als kans en voorwaarde gezien voor het behoud en de versteviging van (met name) de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in een grote variëteit aan landbouwgebieden.

Wonen

Ten aanzien van wonen wordt verder in het POL2006 opgemerkt dat meer variatie in woonmilieus moet worden aangeboden. Doelgroepen die niet op eigen kracht kunnen voorzien in hun woonbehoefte moeten adequaat worden gehuisvest. Het gaat hierbij om starters op de woningmarkt, asielzoekers, statushouders, verslaafden en mensen met een verstandelijke en lichamelijke handicap.

Conclusie

Volgens het provinciale beleid, zoals verwoord in het POL2006, is geen sprake van een locatie die primair is bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen. Het plangebied bevindt zich namelijk buiten de contour van Haelen en is gelegen in perspectief 4, een perspectief waar het bieden van agrarische ontwikkelingsmogelijkheden voorop staat.

De locatie voldoet echter aan de noodzakelijke eisen (rust en natuur) voor woonvoorzieningen voor ernstig gehandicapten. Het beoogde doel – dagopvang en begeleid wonen gehandicapte (jong-)volwassenen - staat de ontwikkeling en realisatie van de (agrarische) doelen, zoals bedoeld in perspectief 4, niet in de weg. Ook al ligt de planlocatie weliswaar buiten de contour, de ontwikkeling vindt niet plaats in het “vrije veld”. De locatie is namelijk gelegen tegen de contour van Haelen aan. Daarnaast bevindt het bestaande gebouw van “De Heisterkes” zich ook buiten de contour. De uitbreiding vindt zelfs plaats tussen het bestaande gebouw en de contour en reikt daarom niet verder het buitengebied in, maar vult een open plek tussen gebouw en contour gedeeltelijk op.

Op basis van deze afweging wordt de uitbreiding van “De Heisterkes” ter plaatse passend bevonden in ruimtelijke zin.

2.2.2 POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering

Op 18 december 2009 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering vastgesteld. Op 12 januari 2010 is daarnaast door Gedeputeerde Staten de Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld.

POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering

De POL-aanvulling is een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening en richt zich op een partiële herziening van het POL2006 op de volgende punten:

  • provinciale belangen en rol m.b.t. verstedelijking (wonen, werken, infrastructuur, voorzieningen, landbouw, toerisme);
  • actualisatie van teksten (op provinciale belangen) per POL-perspectief en POLbeleidsregio (Parkstad, Maasdal, Nationaal Landschap e.d.);
  • nieuwbouwprojecten (wonen en werken) in en bij steden/stadsregio's alleen in samenhang met herstructurering van het bestaand stedelijke gebied;
  • afgebakende speelruimte voor woningbouw als onderdeel van integrale gebiedsontwikkelingen in Noord- en Midden-Limburg, binnen randvoorwaarden van onder meer de regionale woningbouwprogramma's;
  • Apart kwaliteitsmenu voor uitleggebieden bij plattelandskernen in Noord- en Midden-Limburg.

In Limburg (met name Zuid-Limburg) is sprake van een toekomstige bevolkingsafname (mede door de vergrijzing). De provincie geeft in deze POL-aanvulling haar beleid op dit gegeven. De focus wordt gericht op de kwalitatieve woningvoorraadontwikkeling bij een krimpende bevolkingsomvang.

Over nieuwe activiteiten in het landelijk gebied, wordt in de POL-aanvulling aangegeven dat deze zoveel mogelijk geconcentreerd dienen te worden binnen de bestaande bebouwing van plattelandskernen. De plattelandskernen zijn daartoe voorzien van contouren. Als dat niet mogelijk of wenselijk is, gaat de voorkeur uit naar ontwikkeling aansluitend aan de plattelandskernen. In Noord- en Midden- Limburg wordt ruimte aanwezig geacht voor uitbreidingslocaties direct buiten, maar grenzend aan de contour.

Het plangebied grenst aan de contour van Haelen, maar ligt er zelf geheel buiten. Indien maatschappelijke ontwikkelingen buiten de contour plaatsvinden stelt de POL-aanvulling de volgende voorwaarden:

a) liggend in een bebouwingsconcentratie of –lint;

b) grenzend aan de contour.

Aan de laatste voorwaarde wordt in dit geval voldaan. Door de ligging van het plangebied buiten de contour is wel het Limburgs Kwaliteitsmenu aan de orde.

2.2.3 Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM)

Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. Doel van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is om de provincie, maar ook de gemeenten, een instrumentarium in handen te geven om noodzakelijke of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering van datzelfde buitengebied. Het LKM is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het (nieuwe) functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Het LKM komt voor uit de vroegere kwaliteitsverbeterende instrumenten zoals Ruimte voor Ruimte, BOM+ en VORm.

Essentie is dat de beoogde ontwikkelingen gepaard moeten gaan met een verbetering van de kwaliteit van de omgeving. Verbetering van de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische of ruimtelijke kwaliteit. Dit ter compensatie van het door de ontwikkeling optredende verlies aan omgevingskwaliteit.

Zoals aangegeven is op onderhavige ontwikkeling het kwaliteitsmenu van toepassing. In het kwaliteitsmenu zijn de verschillende soorten ontwikkelingen uitgewerkt in modules. De module uit het kwaliteitsmenu die van toepassing is op de uitbreiding van “De Heisterkes”, is de module 'overige (gebouwde) functies'.

Naast de meer algemeen voorkomende ontwikkelingen zijn er nog minder algemeen voorkomende ontwikkelingen die op een kwalitatieve wijze dienen te worden benaderd. Hierbij wordt het onderscheid gemaakt tussen enerzijds niet-commerciële maatschappelijke voorzieningen, waarbij de vestiging buiten de contour functioneel of ruimtelijk noodzakelijk is en anderzijds in commerciële voorzieningen die uit oogpunt van rust, ruimte of andere motieven een locatie zoeken buiten de contour.

Voor de ontwikkeling van de woongebouwen ten behoeve van gehandicapten is sprake van een niet-commerciële maatschappelijke voorziening. PSW biedt immers haar cliënten, die niet (langer) in een thuissituatie kunnen wonen, “zorg met verblijf”.

Er is geen sprake van 'wonen' in reguliere zin.

Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de uitbreiding van “De Heisterkes” buiten de contour aanvaardbaar is. Naast een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing ter plaatse, dient de uitbreiding per saldo bij te dragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is een kwaliteitsbijdrage verplicht die in dit geval gebaseerd is op de module voor “Overige (gebouwde) functies”.

Per 1 januari 2012 wordt het LKM uitgevoerd door de gemeente (provincie heeft adviserende rol). Derhalve is in de paragraaf “Gemeentelijk beleid” beschreven op welke wijze het LKM voor 'De Heisterkes' wordt toegepast.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal'

In de Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkeling in de komende jaren.

De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de (nieuwe) gemeente en samenwerking in de regio.

De Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en dient de komende jaren het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten.

De strategische overallvisie gaat in op de volgende aspecten:

  • Een weergave van de huidige situatie in Leudal wat betreft onderwerpen als werkgelegenheid, leefklimaat, arbeidspotentieel, etc.;
  • De belangrijkste maatschappelijke trends en ontwikkelingen, met relevantie voor Leudal;
  • Missie, ambities en doelen van Leudal voor de komende jaren;
  • De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de ambities en doelen met het oppakken en faciliteren van een select aantal strategische projecten;
  • De consequenties van deze ambities voor de organisatie en uitvoering van het beleid door de gemeente.

In de Strategische Overallvisie zijn geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking op de kern Haelen of deze maatschappelijke ontwikkeling. Wel wordt opgemerkt dat de gemeente Leudal al uitermate sterk vertegenwoordigd is in de zorgsector. Onderhavige ontwikkeling versterkt deze functie.

2.3.2 Structuurvisie Leudal - regie op de toekomst

Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.

De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen?

In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.

Leudal is niet alleen een woongemeente, maar ook zeker een agrarische gemeente. De agrarische achtergrond is ook in de kernen nog terug te vinden. Leudal bestaat uit 16 kernen in een fraai buitengebied. De 16 kernen zijn in drie verschillende typen onder te verdelen. De centrumkern is Heythuysen. In Heythuysen zijn de meeste voorzieningen gelegen. Daarnaast zijn een aantal autonome woonkernen aanwezig: Haelen, Horn, Roggel, Neer en Ittervoort. De overige kernen zijn woondorpen.

De autonome woonkernen hebben zowel qua bevolkingsomvang als voorzieningenniveau niet de omvang van centrumkern Heythuysen. De omvang van de kernen is echter dusdanig, dat er wel een basisvoorzieningenniveau aanwezig is. Voor de dagelijkse voorzieningen hoeven de inwoners de dorpen niet uit. Incidenteel zijn er in de dorpen grotere voorzieningen gelegen, maar in de volle breedte missen de dorpen de grotere (commerciële) voorzieningen zoals deze wel in de centrumkern gelegen zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0004.png"  
Afbeelding 4. Uitsnede Structuurvisiekaart, met de ligging van het plangebied omcirkeld  

Ouderen en gehandicapten willen graag zo lang mogelijk in hun eigen omgeving blijven wonen. Daarnaast is er een proces van extramuralisering gaande bij zorginstellingen. Door de vergrijzing zal de vraag naar aanpassingen in de directe woonomgeving in de toekomst toenemen.

Leudal wil een gemeente zijn die in evenwicht is, met een eigen verantwoordelijkheid van burgers en een samenleving met een grote sociale cohesie. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk burgers zelfstandig kunnen functioneren en meedoen in de samenleving. Een goede gezondheid is daar een wezenlijk onderdeel van, voor zowel kinderen en jongeren als volwassenen. De gemeente Leudal wil de gezondheid bevorderen door het faciliteren van een goed netwerk van zorgaccommodaties. Uitgangspunten daarvoor zijn:

  • Zoveel mogelijk zorgvoorzieningen aanbieden in iedere kern
  • Specifieke aandacht voor kwetsbare groepen (jongeren, ouderen)
  • Bereikbaar maken van zorgvoorzieningen
  • De mogelijkheid bieden om mensen zo lang mogelijk in de eigen kern te laten wonen
  • Ondersteuning van de mantelzorg

Om aan de beleidsuitgangspunten invulling te geven, en zodoende een duurzaam voorzieningenpatroon te realiseren, zal de gemeente Leudal optimaal anticiperen op de ruimtelijke mechanismen. Dit heeft de volgende ingrepen tot gevolg:

  • Eerstelijns zorgvoorzieningen clusteren in multifunctionele accommodaties
  • Woonzorgzones creëren in de grootste kernen (toegankelijke, veilige en bruikbare openbare ruimtes)
  • Een goede aansluiting van openbaar vervoerdiensten naar zorgvoorzieningen realiseren

Het initiatief voor de woonvoorziening past in de visie van de gemeente. Ten eerste wordt een waardevolle woonzorgvoorziening aan een bestaande zorgaanbieder toegevoegd, waarmee passende zorg kan worden verleend voor de eigen regionale bevolking. Ten tweede wordt een woonzorgzone gecreëerd bij de grotere kern van Haelen.

2.3.3 Nota kwaliteit / Kwaliteitsmenu
2.3.3.1 Nota kwaliteit

In de structuurvisie is opgenomen dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied alleen mogelijk zijn wanneer deze een bijdrage leveren aan kwaliteitsverbetering van het buitengebied onder meer door het optredende verlies aan omgevingskwaliteit te compenseren. De uitwerking van dit onderdeel van de structuurvisie is vastgelegd in de bij de visie behorende “Nota kwaliteit”.

2.3.3.2 Kwaliteitsmenu

Voor de realisering van de woonvoorziening en parkeerplaats verkoopt de gemeente 5355 m² grond aan PSW. Zoals in de paragraaf “Provinciaal beleid” vermeld, is op de uitbreiding van “De Heisterkes” het LKM van toepassing. De “Nota kwaliteit” is bij de berekening van de kwaliteitsbijdrage in acht genomen. Inmiddels voert Leudal het LKM uit en hanteert hiervoor de term 'Kwaliteitsmenu'.

2.3.3.3 Berekening kwaliteitsbijdrage

Het plangebied is een perceel ter grootte van 5355 m2.

Van de over te dragen grond zal een oppervlakte van 2500 m² voorzien worden van een bouwvlak met een bebouwingspercentage van maximaal 50%.
Voor wonen/gebouwen voor zorgverlening geldt een kwaliteitsbijdrage van € 25,- per m2, terwijl voor het onbebouwbaar deel van het bouwvlak een bijdrage geldt van € 5,- per m2.

Van de overige 2855 m² krijgt 2000 m2 een maatschappelijke bestemming ten behoeve van parkeren en/of tuin, waarvoor een kwaliteitsbijdrage geldt van € 5,- per m².

De dan resterende grond met een oppervlakte van 855 m² (een zone ten noorden en oosten van het plangebied van 5 m' breed) wordt concreet bestemd tot “Groen” ten behoeve van het borgen van de noodzakelijke landschappelijke inpassing. Voor dit deel geldt géén kwaliteitsbijdrage.

De hoogte van de kwaliteitsbijdrage is daarmee bepaald op:

Bouwblok bebouwbaar: 2500 m² x 50% x € 25,00 = € 31.250,00

Bouwblok onbebouwbaar 2500 m² x 50% x € 5,00 = € 6.250,00

Parkeren/tuin 2000 m² x 50% x € 5,00 = € 10.000,00

Totaal: € 47.500,00

2.3.4 Landschappelijke inpassing

Het project 'De Heisterkes' zal in 3 fases worden gerealiseerd.

  • 1. De eerste fase, de verbouwing van het Kinderdienstencentrum tot dagbestedingsruimte, is vergund en in uitvoering. Oplevering daarvan is voorzien medio 2014.
  • 2. De 2e fase betreft de realisering van een parkeervoorziening voor zowel de dagbestedingsfunctie als voor de toekomstige woonzorgvoorzieningen (zie ook paragraaf 4.11.2 Parkeren)
  • 3. De 3e en laatste fase is de uiteindelijke realisering van een woonzorgvoorziening.

De ingebruikname van de dagbesteding-accommodatie is voorzien na de zomervakantie 2014. Hiervoor is het noodzakelijk te beschikken over voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Gebruikers van deze accommodatie moeten enerzijds veilig naar en van 'De Heisterkes' en anderzijds moeten auto's niet op de openbare weg geparkeerd worden. De verantwoorde realisering van een parkeerplaats is onderbouwd in deze toelichting.

De afronding van een bestemmingsplanprocedure neemt evenwel 6 maanden of meer in beslag. Vandaar dat ervoor gekozen is separaat daarvan een procedure te volgen, waarbij vooruitlopend op de nieuwe situatie de parkeerplaats mag worden opgericht (Wabo-vergunning waarbij mag worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan). Deze plantoelichting doet om pragmatische redenen tevens dienst als ruimtelijke onderbouwing voor de in procedure te brengen Wabo-vergunning.


afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0005.png"  
Afbeelding 5. Indicatieve inrichting plangebied naast bestaand complex De Heisterkes  

De realisering van de parkeerplaats zal plaatsvinden overeenkomstig de uitgangspunten van deze toelichting met inachtneming van de bijbehorende onderzoeksresultaten, waarbij met name de archeologische onderzoeksrapporten (zie paragraaf 4.7 Archeologie) een sleutelrol spelen.

Op basis van het proefsleuvenonderzoek staat immers vast dat de bebouwing van de woonvoorziening binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak dient plaats te vinden. Dat vlak is archeologisch 'vrijgegeven'. De parkeerplaats is gesitueerd op gronden waaronder nog archeologische waarden aanwezig zijn. Verstoring van die gronden dieper dan 40 cm is gelet daarop niet toegestaan.

Hiermee zal bij de uiteindelijke realisering van de parkeervoorziening terdege rekening worden gehouden, hetgeen ook blijkt uit het door de Kwaliteitscommissie op 29 april 2014 geaccordeerde inpassingsplan (zie bijlage 10). Borging van de archeologische waarden vindt plaats door gebruik te maken van zogenaamde graskeien.

Hoofdstuk 3 Beschrijving plan

3.1 Gebiedsbeschrijving

Beschrijving omgeving

Het dorp Haelen is één van de grootste kerkdorpen van de gemeente Leudal. Het dorp telt ongeveer 4.400 inwoners en is gelegen tussen de Maas en natuurgebied het Leudal.

 
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0006.png" AfAfbeelding 6. Luchtfoto Haelen met omcirkeld de ligging van het plangebied  

De omgeving van Haelen wordt al vanaf de steentijd bewoond. Het dorp is uiteindelijk gesticht op de hoge(re) zandgronden langs de Maas. De oostelijke grens van het dorp wordt gevormd door de N273 (Napoleonsweg). In het zuiden vormt de spoorlijn Roermond – Weert de uiterste grens van het dorp. Ten noorden van Haelen ligt de kleine kern van Nunhem en de westelijke grens wordt gevormd door het natuurgebied het Leudal.

In deze middelgrote kern bevinden zich een klein centrumgebied met enkele winkels en horeca gelegen. Rondom het centrumgebied liggen voornamelijk woningen. Ten zuiden van de spoorlijn bevindt zich het plaatselijke bedrijventerrein.

Beschrijving plangebied

Het plangebied bevindt zich ten noordwesten van de kern van Haelen, aan de rand van het natuurgebied het Leudal. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 5.450 m².

De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door bossen, akkerbouwgebieden en weidegronden. In de omgeving van het plangebied zijn enkele incidentele woningen te vinden. In het noordelijk gelegen bosgebied bevindt zich een klein cluster van recreatiewoningen. Ten zuiden ligt een trapveldje wat tevens voor evenementen gebruikt kan worden. Tussen het trapveldje en het plangebied staat een opgaande beukenhaag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0007.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0008.png"  
Afbeelding 7. Impressie Speckerweg   Afbeelding 8. Trapveldje ten zuiden plangebied  

Het plangebied ligt tegen het gebouw van KDC de Heisterkes aan. Dit gebouw ligt verscholen in het groen en bestaat uit één bouwlaag. Rondom het gebouw bevindt zich een verruigd stuk grond wat normaliter als moestuin in gebruik is. Dit stuk grond betreft het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0009.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0010.png"  
Afbeelding 9. Gebouw KDC de Heisterkes   Afbeelding 10. Huidige situatie plangebied  

Het plangebied wordt ontsloten door de Speckerweg welke een aansluiting heeft op de doorgaande Roggelseweg, de directe verbinding tussen Roggel / Heythuysen en het centrum van Haelen. Door de wegbeplanting evenwijdig aan de Speckerweg en de Roggelseweg, door de ligging tegen het natuurgebied het Leudal en door het uitzicht op glooiende akkerbouwgebieden heeft de locatie een natuurlijke, landelijke en rustieke uitstraling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0011.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0012.png"  
Afbeelding 11. Uitzicht op akkerbouwgebied   Afbeelding 12. Ligging KDC tegen bosrand  

3.2 Aanvankelijke planologische situatie

Op het plangebied was bij het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure aanvankelijk de 'Beheersverordening Buitengebied', vastgesteld bij raadsbesluit van 25 juni 2013, van toepassing. Deze verordening bepaalde dat voor de betreffende gronden het bestemmingsplan “Buitengebied” van de voormalige gemeente Haelen (vastgesteld d.d. 15 december 1997 en goedgekeurd d.d. 21 juli 1998) bleef gelden. In dat plan hadden de gronden de bestemming 'Volkstuinen'. De oostelijke punt van het bestemmingsvlak was aangeduid met een “e”. Het huidige KDC was daarin al voorzien van een passende maatschappelijke bestemming.

De als 'Volkstuinen' aangewezen gronden waren bestemd voor particuliere volkstuinen, met dien verstande dat voorzover de gronden nader waren aangeduid met een “e” deze uitsluitend bestemd waren voor evenemententerrein.

Bebouwing ten dienste van de toegelaten doeleinden diende te voldoen aan de navolgende regels:

  • per 100 m² oppervlakte gronden van het bestemmingsvlak mag maximaal één gebouw, geen woning zijnde, worden opgericht;
  • de afstand van de gebouwen tot de bestemmingsgrens aan de zijde van de weg bedraagt ten minste 10 meter en voor het overige ten minste 3 meter;
  • de maximale goothoogte van een gebouw bedraagt niet meer dan 2,5 meter en de maximale oppervlakte bedraagt niet meer dan 6 m²;
  • de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 4 meter.
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0013.png"  
Afbeelding 13. Uitsnede plankaart bestemmingsplan Buitengebied Haelen 1999  

Onder strijdig gebruik werd in ieder geval verstaan:

  • de gronden als staanplaats voor onderkomens;
  • de gronden voor kampeer- en caravanterrein;
  • ambachtelijke en / of industriële doeleinden;
  • detailhandel en groothandel;
  • horecadoeleinden.

De beoogde woonvoorzieningen waren op basis van het bestemmingsplan niet toegestaan. Er is sprake van een maatschappelijke functie vanwege de zorgcomponent. Een maatschappelijke functie was niet toegestaan ter plaatse. Tevens voldeden de gestelde bouwregels niet aan de beoogde bebouwing.

3.3 Vigerende planologische situatie

Door de raad van Leudal is bij besluit van 25 februari 2014 het nieuwe, digitale bestemmingsplan voor het buitengebied van Leudal vastgesteld. De tervisielegging van het vaststellingsbesluit met bijhorende planstukken (digitaal en analoog) heeft plaatsgehad van 24 april 2014 tot en met 4 juni 2014. Tegen het vaststellingsbesluit zijn meerdere beroepsschriften bij de Raad van State ingediend (zaaknummer: 201404338/1/R1). Tevens is voorlopige voorziening/schorsing gevraagd (zaaknummer: 201404338/2/R1). Inmiddels heeft de Raad van State dd.12 augustus 2014 uitspraak gedaan. Het verzoek om voorlopige voorziening/schorsing is afgewezen hetgeen met zich brengt dat het bestemmingsplan 'Buitengebied Leudal' met ingang van 12 augustus 2014 geheel in werking is getreden.

In het nieuwe bestemmingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de planactualisering de voorheen geldende planologische rechte zo veel als mogelijk overgenomen. Wel zijn de regels aangepast aan de gemeentelijke standaarden.

In het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Leudal heeft het perceel gelegen naast de KDC-locatie de enkelbestemming 'Recreatie - Volkstuin'.

De voor 'Recreatie - Volkstuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • een volkstuinencomplex;

met daarbij behorende:

  • wegen en paden;
  • groenvoorzieningen;
  • parkeervoorzieningen;
  • voorzieningen van algemeen nut;
  • waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen.
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0014.png"  
Afbeelding 14. Uitsnede plankaart bestemmingsplan Buitengebied Leudal 2014  

Deze bestemming (en bijbehorende dubbelbestemming en aanduiding) hebben rechtskracht.
De beoogde woonvoorziening is ook op basis van de evengenoemde bestemming niet toegestaan.

3.4 Beoogde situatie

Achtergrond

KDC de Heisterkes maakt deel uit van de regionaal opererende zorginstelling Stichting Pedagogisch Sociaal Werk Midden-en Noord-Limburg (PSW). Deze stichting beheert en bezit verschillende zorgvoorzieningen in de omgeving om zorg en ondersteuning te bieden voor kinderen en volwassenen met een verstandelijk handicap bij wonen, dagbesteding (werken of onderwijs) en vrije tijd. Doelstelling is om totaalzorg aan te kunnen bieden in een natuurlijke en rustige omgeving. Dit heeft een positieve uitwerking op de gehandicapten.

Kinderdagcentrum de Heisterkes is gericht op kinderen en volwassenen met een matig tot ernstig / zeer ernstig verstandelijke handicap, waarbij voor de meeste kinderen geld dat zij in een normale onderwijsomgeving niet kunnen gedijen. Het KDC biedt deze kinderen in De Heisterkes “onderwijs in zorg”, dat wil zeggen dat het KDC in een zorgomgeving de ontwikkeling van de kinderen zo veel mogelijk stimuleert.

De locatie van de Heisterkes is evenwel ook bij uitstek geschikt voor wonen en dagbesteding voor mensen met een ernstig handicap (gelegen aan rand van het dorp, alle dorpse voorzieningen zijn dichtbij terwijl de omgeving wordt gekenmerkt door rust en natuur). PSW wil deze locatie dan ook behouden en benutten voor dagbesteding voor (jong)volwassenen.

Daartoe wordt momenteel het voormalige kinderdienstencentrum Speckerweg 5 verbouwd en gerenoveerd om vanaf medio 2014 optimale dagbesteding voor genoemde doelgroep mogelijk te maken. Voor deze verbouwing, die past binnen het vigerende bestemmingsplan, is door burgemeester en wethouders al een omgevingsvergunning verleend.

Als volgende stap wil PSW voor de cliënten met dagbesteding in Haelen, voor hen op deze locatie ook een woonvoorziening met begeleiding bieden, zodat de zij niet telkens meer van hun woonvoorziening naar de dagbesteding verplaatst hoeven te worden.

PSW wil de locatie van het huidige KDC op termijn hergebruiken voor dagbesteding voor (jong)volwassenen met een ernstig verstandelijke handicap. Op de naastgelegen grond wil PSW een nieuwe woonvoorziening realiseren voor 28 (jong)volwassenen met een ernstig verstandelijke handicap. Het initiatief behelst derhalve de realisatie van een woonvoorziening bij de Heisterkes.

Het globale programma van eisen voor de realisatie van de woonvoorziening is als volgt:

Er zijn 4 geschakelde wooneenheden voor in totaal 28 (ernstig) verstandelijk gehandicapten nodig. Elke wooneenheid voorziet in de huisvesting van een leefgroep van 7 cliënten en is voorzien van:

  • 7 zit/slaapkamers van circa 20 m2;
  • 2 ruime badkamers gesitueerd naast zit- / slaapkamers;
  • 1 gezamenlijke woonkamer van circa 50 m2;
  • 1 gezamenlijke ruime keuken (centraal gelegen, voor beide leefgroepen);
  • 1 gezamenlijke entree met toilet;
  • 1 berging;
  • 1 gezamenlijke waskeuken;
  • 1 buitenberging;
  • 1 installatieruimte.

Verder dienen 2 slaapwachtkamers met doucheruimte voor de begeleiding te worden gerealiseerd en zijn 2 kantoren/vergaderruimtes voor de teamleider/administratie benodigd.

Uitgewerkte bouwplannen zijn op dit moment nog niet aanwezig. Aan het terrein wordt een maatschappelijke bestemming toegekend, waarbinnen het bovenstaande programma gerealiseerd kan worden. Het plangebied wordt voorzien van een bouwvlak met daaraan gekoppeld een bebouwingspercentage. Nieuwe gebouwen kunnen dan in het bouwvlak gerealiseerd worden, mits het bebouwingspercentage niet overschreden wordt. Overige zaken (zoals de bouwhoogte) worden vastgelegd in de planregels. Op deze manier wordt een ruime mate van flexibiliteit voor de initiatiefnemers aangebracht, maar is het tevens onmogelijk om één grote bebouwingsmassa te realiseren (wat ter plaatse stedenbouwkundig gezien niet passend zou zijn).

Om de bouw van de woonvoorziening met bijbehorende parkeervoorziening planologisch mogelijk te maken is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0015.png"  
Afbeelding 14. Verbeelding voorontwerpbestemmingsplan Speckerweg 5  
 
 

Hoofdstuk 4 Onderzoek

Bij het toekennen van de maatschappelijke bestemming ten behoeve van de woonvoorzieningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

4.1 Economische uitvoerbaarheid

De gemeente Leudal draagt krachtens een met PSW aangegane koopovereenkomst de gronden van het plangebied gelegen ten noorden en oosten van de KDC-locatie bouwrijp over aan PSW.

De kosten voor planologische aanpassing c.a. (ook de landschappelijke inpassing) zijn voor rekening van de gemeente en worden gedekt uit de verkoopopbrengst. Voor deze planlocatie hebben burgemeester en wethouders bij besluit van 24 mei 2011 een grondexploitatie geopend.

De kosten voor aanleg/onderhoud van het parkeerterrein, infrastructuur binnen het plangebied, realisering van de woonzorgvoorziening en het onderhoud van de groenvoorzieningen zijn/komen voor rekening van PSW. Het behoud en het onderhoud van de groenvoorzieningen, die in het kader van de landschappelijke inpassing worden aangelegd/geplant, worden voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan via een zogenaamde anterieure overeenkomst tussen PSW en de gemeente Leudal geborgd.

4.2 Bodem

Achtergrond

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de aanwezige functies. Uitgangspunt is dat er minimaal historisch onderzoek dient plaats te vinden bij nieuwe ontwikkelingen. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het historisch onderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Op moment van schrijven geldt daarvoor de NEN 5740.

Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Leudal een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Speckerweg (ong.) te Haelen in de gemeente Leudal. De rapportage dd. 27 juni 2011 (rapportnummer 11050445) is als bijlage 1 in deze toelichting opgenomen. Sinds het uitbrengen van het onderzoeksrapport hebben op de locatie geen activiteiten plaatsgevonden die de kwaliteit van de bodem nadelig beïnvloed (kunnen) hebben.

Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. Er heeft geen grondwateronderzoek plaatsgevonden (GHG = 75 tot 100 cm -mv).

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Er bestaan volgens Econsultancy met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de verkoop van de onderzoekslocatie en de mogelijk toekomstige ontwikkelingen op de onderzoekslocatie.

Conclusie: de bodem is geschikt voor de beoogde functies en gebruik van het plangebied.

4.3 Wegverkeerslawaai

Achtergrond

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

Aantal rijstroken   Breedte van de geluidszone (in meters)  
  Buitenstedelijk   Stedelijk  
5 of meer   600   350  
3 of 4   400   350  
1 of 2   250   200  

Woningen, scholen en o.a. ziekenhuizen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners of gebruikers van een geluidsgevoelig object. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd.

Onderzoek

De woonvoorzieningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Middels een verkennend akoestisch onderzoek zijn de te verwachten optredende gevelbelastingen onderzocht ter plaatse.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0016.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0017.png"  
Afbeelding 16.
Akoestisch rekenmodel 1 bouwlaag   
Afbeelding 17.
Akoestisch rekenmodel 2 bouwlagen  

Uit het akoestisch onderzoek (bijlage 2 Akoestisch onderzoek) blijkt dat de 63 dB contour van de Roggelseweg zich ruim buiten het plangebied bevindt. De maximale ontheffingswaarde wordt derhalve met de ontwikkeling niet overschreden.

Indien de woonvoorzieningen in het groene gebied van afbeeldingen 16 en 17 worden geprojecteerd, dan kan gesteld worden dat de optredende gevelbelasting van dien aard is dat op grond van het bouwbesluit de vereiste geluidswering van de gevel(s) gelijk is aan de minimumeis van 20 dB.

Indien een gedeelte van de toekomstige woonvoorziening (fase 3 van het project De Heisterkes: zie ook paragraaf 2.3.4) in het gele vlak wordt gesitueerd, zal nog nader onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de te verwachten optredende gevelbelasting en dient mogelijk ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oprichten van de woonvoorziening tevens 'ontheffing hogere grenswaarde' te worden gevraagd/verleend. Afhankelijk van de resultaten van dit nader onderzoek zal verder wellicht nog een aanvullend onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de te treffen geluidwerende gevelmaatregelen, opdat kan worden voldaan aan afdeling 3.1 van het bouwbesluit.

4.4 Luchtkwaliteit

Achtergrond

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Voor woningen en kantoren gelden de volgende getalsmatige grenzen:

  minimaal 1 ontsluitingsweg   minimaal 2 ontsluitingswegen  
  3%-norm   3%-norm  
Woningen (maximaal)   1.500   3.000  
Kantoren (maximaal)   100.000 m2 bvo   200.000 m2 bvo  

Achtergrondwaarden

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen.

Toetsing

De NIBM-grens voor kantoor- en woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² aan kantoren, beneden het criterium van 3 % gebleven wordt. Een maatschappelijke functie wordt niet expliciet genoemd. Vergeleken met 1.500 woningen of 100.000 m² kantoor neemt het verkeer op de locatie in veel mindere mate toe. Een plan met 1.500 woningen heeft minimaal 1.500 * 2 = 3.000 extra motorvoertuigbewegingen tot gevolg. Met deze ontwikkeling wordt derhalve ruim onder het 3% criterium gebleven (zie voor meer informatie paragraaf 4.7).

Het project draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging, zodat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt.

Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de concentratie PM10 ter plaatse 25,5 µg/m³, en is de concentratie NO2 ter plaatse 20,1 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.

Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de woonvoorzieningen. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting nog verder verbeteren.

4.5 Externe veiligheid

Achtergrond

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans op overleven. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Toetsing

Risicokaart

Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.

In de omgeving van het plangebied komt één object voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een camping (Roggelseweg 54) waar een bovengrondse tank propaan of ander brandbaar gas aanwezig is met een capaciteit van 5.000 liter. Doordat de capaciteit kleiner is dan 13.000 liter valt de propaantank niet onder het Bevi. De afstand van het plangebied tot aan dit risicovol object bedraagt daarnaast ruim 200 meter. De bovengrondse tank heeft een maximale plaatsgebonden risicocontour van 20 meter. Het plangebied valt daar ruim buiten.

Gezien de grote onderlinge afstand van het risicovolle object tot het plangebied, kan worden aangenomen dat de woonvoorzieningen geen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico.

Buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

In de omgeving van het plangebied zijn op basis van vigerende bestemmingsplannen en overige leidinggegevens geen buisleidingen gelegen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

In de 'Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen' wordt aangegeven dat binnen 200 meter van een weg het groepsrisico betrokken moet worden. In de omgeving van de betreffende locatie is de N273 gelegen. Deze weg ligt op een afstand van circa 1.250 m van het plangebied, waardoor het groepsrisico niet betrokken hoeft te worden.

De aandachtspunten voor het plaatsgebonden risico inzake wegverkeer betreffen de wegvakken waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. Volgens de Risicoatlas wegtransport gevaarlijke stoffen 2003, vormt het plaatsgebonden risico op 53 wegvakken een aandachtspunt. Omliggende wegen nabij het plangebied worden niet nader genoemd bij de opsomming van deze wegvakken

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Het plangebied is gelegen op meer dan 1.000 meter van de spoorlijn Weert - Roermond. Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt echter ruim 1.700 m. Dit betekent dat het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied. Gezien de afstand kan geen sprake zijn van een significante toename van het groepsrisico. Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor vormt dan ook geen belemmering.

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een bedrijf of een transportroute van gevaarlijke stoffen (via de weg of buisleiding) vanwege groepsrisico. Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de woonvoorzieningen.

4.6 Milieuzonering

Achtergrond

Er dient bekeken te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project (in al haar activiteiten) of waarvan het project juist hinder ondervindt.

De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' ;
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;
  • bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.

Toetsing

Aan de overzijde van de Speckerweg bevindt zich een woning. De afstand tot deze woning bedraagt circa 22 meter. Aan de overzijde van de Roggelseweg bevinden zich meerdere woningen. Aan de overzijde van de Roggelseweg bevindt zich het plaatselijke zwembad. De afstand van het zwembad tot het plangebied bedraagt circa 50 meter.

Effecten uit de omgeving

In en in de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bedrijven of functies die eventueel in hun activiteiten worden belemmerd door de bouw van de woonvoorzieningen, dichterbij zijn namelijk bestaande woningen gelegen, waardoor de werkzaamheden van die bedrijven reeds zijn afgestemd op de dichtstbij gelegen woning. Deze bedrijven hebben dan ook geen negatief effect op de woonvoorzieningen.

Effecten op omgeving

De uit te breiden maatschappelijke functie vormt een functie die volgens de VNG-lijst gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies (woningen) in de omgeving.

De woonzorgvoorziening (in de VNG-lijst geschaard onder 'verpleeghuizen') betreft een functie uit milieucategorie 2, gebaseerd op de VNG-lijst. Dit betekent dat als uitgangspunt een afstand van 30 meter tot milieugevoelige objecten moet worden aangehouden (op basis van geluid).

Functiemenging

Geluid wordt door de woonvoorziening voornamelijk geproduceerd door het verkeer (parkeren en wegrijden). In de woonvoorziening zelf worden geen activiteiten uitgevoerd die extra geluidhinder op de omgeving zouden kunnen veroorzaken. In de woonvoorziening wordt gewoond, er is geen sprake van speciale activiteiten, zoals luide muziek of iets dergelijks.

De richtafstand van 30 m voor wat betreft geluid is een richtafstand. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Bij gemengde gebieden kan gedacht worden aan:

  • Stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;
  • Zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen;
  • (delen van) woongebieden met kleinschalige cq. ambachtelijke bedrijvigheid.

In onderhavig geval is sprake van een gemengd gebied, het ligt namelijk aan de toegangsweg van Haelen. In de directe omgeving bevinden zich onder andere het plaatselijke zwembad en een camping. De richtafstand van 30 m is dan niet toepasbaar.

Indien sprake is van een gemengd gebied is sprake van drie verschillende categorieën, waarbinnen bepaalde activiteiten mogelijk zijn:

Categorie A

Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

Categorie B

Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanig milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

Categorie C

De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Voor verzorgingshuizen geldt dat deze vallen in categorie C. Voor de woonvoorziening geldt derhalve deze categorie. De woonvoorziening kan daarmee in gemengd gebied worden uitgevoerd, mits de ontsluiting op hoofdinfrastructuur is aangesloten. Daarvan is hier sprake (aan de Roggelseweg). De verkeersaantrekkende werking wordt hoofdzakelijk verwerkt door deze weg, zoals in de huidige situatie.

Hieruit wordt opgemaakt dat de nieuwe woonvoorzieningen geen extra milieuhinder op de omgeving veroorzaken.

Conclusie

Ten opzichte van de huidige functie betekent de nieuwe functie een verzwaring van de milieucategorie. Het plangebied bevindt zich in een gemengd gebied, waardoor kan worden afgeweken van de richtafstanden.

Derhalve wordt geconcludeerd dat ook de nieuwe situatie met een woonvoorzieningen geen milieuhygiënische belemmering oplevert voor de woningen in de omgeving en het project geen hinder ondervindt van andere bedrijven. Het project is in het kader van milieuzonering dan ook zonder belemmering mogelijk.

4.7 Archeologie

Achtergrond

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.

De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden.

De uitgangspunten van deze wet zijn:

  • Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is.
  • Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers tot ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren. De invoering hiervan wordt geregeld via bestemmingsplannen en vrijstellingen, de mer-plichtige activiteiten en ontgrondingen.
  • Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen(principe verstoorder betaalt). De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit.

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat de gemeente bevoegd gezag is. Als gevolg van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening toetst de provincie Limburg niet langer archeologische rapporten en programma's van eisen. De provincie beperkt zich tot zaken die van provinciaal belang zijn (waaronder de aanwijzing van archeologische attentiegebieden).

De gemeente Leudal heeft een eigen archeologische advieskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP.

Dit RAAP rapport met nummer 1952 is genaamd “Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Leudal” en is vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 8 februari 2011.

Onderzoek

4.7.1 Bureau- en verkennend onderzoek

Door Econsultancy BV is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek verricht. De onderzoeksresultaten zijn verwoord in haar rapportage van 18 augustus 2011 (Rapportnummer 11060536 : zie bijlage 5).

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek is een selectieadvies gedaan. Geadviseerd is om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Behoud van de archeologische vindplaats bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten.

4.7.2 Selectiebesluit

Gezien de inhoud van het rapport is door de gemeente op 1 november besloten het selectieadvies over te nemen (zie bijlage 6: 'Selectiebesluit') en een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren, zulks na het opstellen en goedkeuren van een Programma van Eisen.

4.7.3 Programma van eisen archeologisch vervolgonderzoek

Door Econsultancy is bij rapport van 28 oktober 2011 een Programma van Eisen aangeleverd (Rapportnummer 11100768: zie bijlage 7), welk rapport door de gemeente is geaccordeerd.

4.7.4 Proefsleuvenonderzoek

Vervolgens is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het evaluatieverslag daarvan dd. 9 januari 2012 (zie en het eindrapport dd. 4 mei 2012 zijn als bijlagen toegevoegd (bijlagen 8 en 9).

De hoge waardering voor de Late Bronstijd - Vroege Ijzertijd vindplaats heeft geleid tot een selectieadvies: behoudenswaardig.

Het selectieadvies is daarom dan ook om de vindplaats in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is moet de vindplaats door middel van een opgraving ex situ worden veilig gesteld. De vindplaats en dus het op te graven gebied strekt zich uit over het noordelijke deel van het plangebied ter plaatse van proefsleuf 1, 2 en 3. Het overige deel van het plangebied, waarbinnen de woonvoorziening is gepland (proefsleuven 4,5 en 6), is archeologisch vrijgegeven.

Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988. Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: ARCHIS-meldpunt, telefoon 033-4227682), de gemeente Leudal of de Provincie Limburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnSpeckerweg5-ON01_0018.png"

Afbeelding 18: Proefsleuvenoverzicht

4.8 Natuur en landschap

4.8.1 Huidige landschappelijke waarden

Het plangebied wordt door natuurlijke opgaande begroeiingen afgescheiden van de KDC. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrenst door open grasvelden, met aan de oostzijde een haagbeukhaag en aan de noordzijde de Roggelseweg met opgaande bomen. De westzijde van het plangebied wordt begrensd door het natuurgebied het Leudal, wat deel uit maakt van de EHS en POG (zie hierna). Evenwijdig aan de Speckerweg is een wegbeplanting aanwezig, bestaande uit bomen met onderbegroeiing.

Het plangebied bestaat verder uit een onbebouwd terrein, waarop een verruigd grasveld en een verwilderde moestuin aanwezig zijn. Er zijn op het terrein geen opgaande begroeiingen aanwezig, enkel rondom langs de randen staan verscheidene bomen en struiken.

4.8.2 Landschappelijk inpassingsplan

Verwezen wordt naar het beschrevene onder paragraaf 2.3.4, Landschappelijke inpassing, naar bijlage 10, alsmede naar het positief advies van de Kwaliteitscommissie dd. 29 april 2014 (bijlage 11).

4.8.3 Planologisch beschermde natuurwaarden

De EHS en de provinciale groenstructuur zijn ruimtelijk in de Structuurvisie en Verordening vastgelegd. De EHS is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook de beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de EHS. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het plangebied valt buiten de door de provincie Limburg aangewezen natuurgebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar grenst aan de westzijde wel direct aan een gebied dat als EHS is aangewezen. Mogelijk verstorende effecten van bouwplannen zijn: versnippering, verandering van de waterhuishouding, verstoring door licht, geluid, trillingen en menselijke activiteit etc. Voor de ontwikkeling van een woonvoorziening zijn de verstoring van tijdelijke aard (alleen tijdens de bouw). De menselijke activiteit in het plangebied wordt wel vergroot, maar zal zich naar verwachting niet uitbreiden naar het westelijk gelegen EHS gebied. Vanuit provinciaal beleid hoeft daarom geen rekening te houden met planologische bescherming van natuurwaarden.

4.9 Flora & fauna

Achtergrond

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in de Structuurvisie en Verordening is vastgelegd.

Natuurbeschermingswet

De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er n.a.v. projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd Natuurmonument) zijn vergunningsplichtig.

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Dat betekent dat o.a. opzettelijke verstoring niet is toegestaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2', de bijlage 1 soorten van het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (tezamen tabel 3) en met alle vogels. Van deze laatste groep is een lijst opgesteld met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en een lijst met vogels waarbij inventarisatie gewenst is. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen. Met passende maatregelen kan de aanvraagprocedure voor een ontheffing voorkomen worden. Voor soorten van 'tabel 2' geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Als passende maatregelen niet mogelijk zijn dan dient er een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een belang behorende bij het beschermingsregime waaronder de soort beschermd wordt.

Onderzoek

Om een beeld te verkrijgen van de natuurwaarden op de locatie is op 29 juni 2011 een verkennend veldbezoek gebracht aan de planlocatie. Het doel van dit verkennende terreinbezoek was een beeld te krijgen van de gebiedskenmerken, het grondgebruik en de mogelijke natuurwaarden binnen het plangebied. Mogelijke verblijfplaatsen en sporen van dieren zijn onderzocht.

Naast een veldbezoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare gegevensbronnen, zoals de provinciale natuurgegevens en algemene verspreidingsatlassen. Er zijn geen gegevens aangekocht bij Natuurloket omdat door het veldbezoek en de vrij beschikbare gegevens reeds een duidelijk beeld is verkregen van de aanwezige natuurwaarden.

Deze werkwijze vloeit voort uit de 'Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van LNV van september 2009.

Resultaten natuuronderzoek

Natuurbeschermingswet: De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. In een straal van 3 kilometer rondom het plangebied komt het Natura 2000-gebied 'Leudal' voor. Dit gebied ligt op ongeveer 500 meter afstand van het plangebied. Vanuit het plan hoeft daarom geen rekening gehouden te worden met wettelijke gebiedsbescherming.

Flora: In het plangebied komen redelijk wat verstorings- en verruigingssoorten voor. Het gaat om soorten als Grote brandnetel, grassen, distels, Theunisbloem, Smalle weegbree, Knopkruid, Canadese fijnstraal, Stinkend gouwe, Klaproos en Gewone braam. Bijzondere soorten als Gewoon biggenkruid, Jacobskruiskruid, Schapezuring en Sint-Janskruid kunnen volgende de literatuurgegevens in het plangebied voorkomen. In het gebied zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen. Op basis van deze gegevens en de resultaten uit het veldbezoek is het voorkomen van beschermde of bedreigde soorten in het plangebied redelijkerwijs uit te sluiten.

Zoogdieren: In het plangebied zijn meerdere (sporen van) zoogdieren waargenomen, het gaat hier om Konijn en Mol. Dit zijn algemeen beschermde diersoorten van beschermingsniveau 1, voor deze soorten geldt een algemene ontheffing van de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van streng beschermde diersoorten waargenomen. Er zijn tevens geen potentiële holen in de bomen op en nabij het terrein waargenomen waar mogelijk als verblijfplaats voor vleermuizen van gebruikt gemaakt kan worden. Het plangebied is verder gezien de beperkte omvang verwaarloosbaar als significant onderdeel van een foerageergebied voor vleermuizen. Ook vormt het gebied geen lijnstructuur waar als vliegroute van gebuikt gemaakt kan worden door vleermuizen. Op basis van algemene verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur is het voorkomen van strenger beschermde zoogdiersoorten op deze locatie daarom redelijkerwijs uit te sluiten.

Vogels: In en rondom het plangebied zijn verder geen soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen volgens de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' van het Ministerie van LNV (2009) aangetroffen. Wel zijn enkele oude vogelnesten in de bomen rondom het terrein waargenomen, waarschijnlijk van Houtduif en Merel. Deze en andere algemene soorten kunnen tot broeden komen in de bomen en opgaande begroeiing rondom het terrein. De vogelnesten waar het om gaat zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode. Het is in de praktijk niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van deze nesten in deze periode. Het is aan te bevelen om de begroeiingen op het terrein weg te halen in de periode dat de kans op broedende vogels het kleinst is. Dit is het geval in de periode van september tot maart. Indien dit niet mogelijk is, is het nodig om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te laten controleren op aanwezige broedvogels. Wanneer dan geen vogels op of direct rondom het terrein nestelen, kan alsnog begonnen worden met de ingreep. Een ontheffing voor vogels is in dit geval niet nodig.

Vissen, amfibieën en reptielen: Het voorkomen van vissen in het plangebied is uit te sluiten vanwege het ontbreken van water. Als landbiotoop voor amfibieën heeft het plangebied door de vochtigere omstandigheden enige functie, voor reptielen heeft het plangebied slechts een marginale functie. Negatieve effecten op deze soortgroepen zijn derhalve redelijkerwijs uit te sluiten.

Overige diersoorten: Voor beschermde ongewervelde soorten heeft het plangebied weinig waarde vanwege het ontbreken van geschikte biotopen en waardplanten. Negatieve effecten op deze soortgroepen zijn derhalve redelijkerwijs uit te sluiten.

Conclusie

Door de ontwikkeling zullen geen belangrijke natuurwaarden verloren gaan. Op basis van het verkennende veldonderzoek en de geraadpleegde bronnen kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen op het gebied van natuurwetgeving en -beleid zijn. Er is geen aanleiding tot het doen van aanvullend (veld)onderzoek. Op basis van het voorgaande kan het ruimtelijk plan, wat betreft het onderdeel natuur, in de huidige vorm doorgang vinden.

Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing is verleend.

Het is aan te bevelen om de beplanting weg te halen in de periode dat de kans op broedende vogels het kleinst is. Dit is het geval in de periode van september tot maart. Indien dit niet mogelijk is, is het nodig om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te laten controleren op aanwezige broedvogels. Wanneer dan geen vogels op of direct rondom het terrein nestelen, kan alsnog begonnen worden met de ingreep. Een ontheffing voor vogels is in dit geval niet nodig.

4.10 Kabels en leidingen

Volgens het vigerende bestemmingsplan of de kaarten van de Gasunie en Waterschapsbedrijf Limburg komen op, of in de directe omgeving van, het plangebied geen leidingen of kabels voor, met een dusdanige beschermingszone dat zij de ontwikkeling van de woonvoorzieningen belemmeren.

4.11 Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeersaantrekkende werking

Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van een ruimtelijke ontwikkeling, dient te worden uitgegaan van de ASVV normen van het CROW. De ASVV normen gaan bij het bepalen van het aantal verkeersbewegingen een woonvoorziening genereert, uit van het aantal wooneenheden. Op basis van de ASVV normen, zorgt deze ontwikkeling voor circa 23 motorvoertuigbewegingen extra per werkdag (norm is afgeleid van norm voor penitentiaire inrichting (qua verkeersaantrekkende werking vergelijkbaar met woonzorgvoorzieningen) met 24 eenheden, gelegen in landelijk gebied). De omliggende wegen kunnen deze toename goed verwerken. Er zullen dan ook geen belemmeringen ontstaan van verkeerskundige aard.

4.11.2 Parkeren

Parkeren wordt gerealiseerd op het terrein van het bestaande kinderdienstencentrum (5 parkeerplaatsen t.b.v. busjes) en binnen de grenzen van het plangebied.

Volgens het CROW (versie september 2008) zijn voor 28 zorg eenheden in totaal 6 tot 16 parkeerplaatsen benodigd (28 eenheden: 0,2 tot 0,6 parkeerplaatsen per eenheid = 5,6 tot 16,8 parkeerplaats)

Het inrichtingsplan (zie bijlage 10) voorziet in de realisering van een parkeerterrein in grastegels voor 26 auto's, ruim voldoende derhalve voor parkeren door personeel, bezoekers en gebruikers. Daarbij wordt nog opgemerkt, dat de toekomstige bewoners van de woonvoorzieningen geen auto kunnen/mogen rijden.
Zij zullen vervoerd worden met taxi's. De taxi's zullen over het algemeen niet langparkeren, maar kortparkeren op de eigen oprit (dit om onveilige situaties op de openbare weg te voorkomen).

4.12 Duurzaamheid

Bij de ontwikkeling wordt aandacht besteed aan het duurzaamheidsaspect. Hierbij kan gedacht worden aan energiezuinigheid en het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Tevens wordt bij de bouw niet-uitlogende materialen gebruikt en vindt infiltratie van het hemelwater plaats (zie navolgende paragraaf).

4.13 Waterhuishoudkundige aspecten

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

Beleidskader

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheersplan van waterschap Peel en Maasvallei, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), de Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.

Nationaal Waterplan 2009-2015

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006)

Het waterbeleid in het POL2006 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen:

  • herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden;
  • herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;
  • schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;
  • duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is;
  • een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

Waterschap Peel en Maasvallei

Het Integraal Waterbeheersplan 'Orde in water' van Waterschap Peel en Maasvallei (IWBP) beschrijft de uitwerking van het provinciale (oppervlakte)waterbeleid door het waterschap, zoals is vastgelegd in het POL2006. Het plan is richtinggevend voor het te voeren beleid en beheer van het waterschap. Het waterbeheer wordt in al zijn samenhangen bekeken met als belangrijke uitgangspunten de watersysteembenadering en de waterketenbenadering. Bij de integrale afwegingen zijn een viertal leidende principes: veiligheid, duurzaamheid, water als medeordenend principe en niet afwentelen op anderen. In de afweging gelden een drietal toetsingscriteria: doelrealisatie, kosteneffectiviteit en maatschappelijk draagvlak. Extra inspanningen worden geleverd op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer waaronder het nadrukkelijk beïnvloeden van de ruimtelijke ordening vanuit waterhuishoudkundige principes in samenwerking met de gemeentes. Ook het samenwerken in de waterketen met de gemeentes en de verdere sanering van schadelijke rioolwateroverstorten staat hoog op de agenda. Bij nieuwbouwlocaties wordt gestreefd naar 100% afkoppeling van het afkoppelbaar verhard oppervlak van het riool.

Kenmerken van het watersysteem

De kenmerken van het watersysteem, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodemopbouw en grondwater, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater.

Bodemopbouw en grondwater

De bovengrond van de planlocatie wordt volgens de Bodemkaart van Nederland, gerekend tot de Dikke eerdgronden, voornamelijk bestaand uit lemig fijn zand.

Het gebied valt binnen de grondwatertrap VII. Bij grondwatertrap VII bevindt het grondwater zich op grote diepte: de gemiddelde hoogste grondwaterstand bevindt zich dieper dan 80 cm-mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand bevindt zich dieper dan 1,2 m-mv.

Er liggen geen pompstations in de buurt van het plangebied die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse. De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en / of grondwaterwingebied.

Blijkens de 'Kristallen Waarden'- kaart ligt het plangebied in Roerdalslenk zone III. Blijkens de 'Blauwe Waarden'- kaart van het POL2006 zijn er voor het plangebied geen verdere aanduidingen opgenomen.

Oppervlaktewater

In of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen waarmee rekening gehouden dient te worden.

Afvalwater

Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Hemelwater

De afvoer van hemelwater zal plaatsvinden (conform het beleid) door middel van infiltratie in de ondergrond. De exacte wijze van infiltratie is vastgelegd in een separate waterparagraaf, waarvan hieronder een samenvatting is opgenomen.

Beschikbare hydrogeologische informatie geven aan dat de bovenlaag van de bodem ter plaatse bestaat uit zand, matig tot zeer fijn, zwak siltig. Deze vertoont een matige doorlatendheid van ongeveer 0,45 meter per dag, waardoor neerslag enigszins traag infiltreert richting freatisch grondwater.

Uit waterparagraaf blijkt dat de realisatie van plan geen belemmering opwerpt voor wat betreft de waterhuishoudkundige aspecten.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het “schone” hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige bebouwing. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Omdat het nieuwbouwplan relatief kleinschalig is, wordt hergebruik van hemelwater niet wenselijk geacht.

Afkoppeling van daken en overige verharde oppervlakken binnen het plangebied is goed mogelijk. Binnen het plangebied worden bergings- en infiltratievoorzieningen aangelegd.

Alle afgekoppelde neerslag, afkomstig van zowel daken als overige verhardingen zal binnen het plangebied infiltreren via een nieuw aan te leggen bovengrondse bergings- en infiltratievoorziening, een wadi

Alle niet of zeer gering verontreinigde neerslag afkomstig van de daken en overige verhardingen kan zonder beperkingen rechtstreeks via mol- of lijngoten of ander afvoermateriaal, voorzien van de nodige bladafscheiders en zandvangers op de binnen het plangebied aan te leggen wadi worden geloosd. De wadi moet minimaal een bergingsvolume hebben van (bui T=100) 105 m³.

De afmetingen en de vorm van de wadi zijn niet zo relevant als de minimale benodigde berging maar wordt gerealiseerd. Het ontwerp wordt mede bepaald door de landschappelijke inpassing binnen het plangebied en de veiligheid van de bewoners/gebruikers van het complex. Het kan in dit verband ook efficiënt zijn om bijvoorbeeld twee of meerder kleinere wadi's te realiseren als het totaal te bergen volume maar minimaal 105 m³ bedraagt.

Het is goed mogelijk een combinatie van meerdere soorten infiltratievoorzieningen aan te leggen aan de hand van de aan te leggen afvoerstelsels én lokale wensen of voorkeuren én uit een kostenberekening etc., kan een beslissing hierover worden genomen. Ook de landschappelijke invulling en veiligheid blijven een belangrijke rol bekleden.

Conclusie

Een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil of de waterhuishouding is, gezien het bovenstaande, niet te verwachten. De conclusie luidt dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planonderdelen

Dit bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en regels.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemming. Op de verbeelding wordt de bestemming weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.

In het kader van het actualiseringstraject van de bestemmingsplannen voor de kernen van de gemeente Leudal is een kaderplan opgesteld. Het kaderplan vormt de beleidsmatige ruimtelijke 'denkrichting' voor de afzonderlijke bestemmingsplannen voor de kernen. Een degelijke visie, zowel ruimtelijk als functioneel, is essentieel als basis voor de planologisch-juridische regeling in een bestemmingsplan. De ruimtelijke denkrichting is vastgelegd in het kaderplan dat geldt voor de te actualiseren bestemmingsplannen voor de kernen van de gemeente Leudal. Op deze wijze wordt de uniformiteit tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de kernen optimaal gewaarborgd.

Gebaseerd op het kaderplan is het gemeentelijk Handboek Ruimtelijke Plannen opgesteld, waarin is opgenomen op welke wijze de verbeelding en planregels dienen te worden opgesteld.

Dit bestemmingsplan, weliswaar gelegen in het buitengebied, is opgesteld conform het kaderplan, het gemeentelijk Handboek, de landelijke richtlijnen voor bestemmingsplannen (RO Standaarden 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Opzet planregels

De regels zijn opgesteld conform de wettelijke systematiek voor bestemmingsplannen en de aanvullende gemeentelijke systematiek, zoals vervat in het Handboek Ruimtelijke Plannen. Hieronder worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Er wordt tevens een toelichting gegeven op welke wijze de regels zijn ingedeeld en de inhoud van de regels wordt verkort weergegeven.

De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, hiermee wordt de op de verbeelding opgenomen bestemming geregeld;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels;
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
5.2.1 Inleidende regels

Begrippen (art. 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen.

Wijze van meten (art. 2)

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

5.2.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving
  • Bouwregels
  • Specifieke gebruiksregels

In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Maatschappelijk

Binnen deze bestemming zijn onderwijsdoeleinden, sociaal-medische doeleinden, sociaal-culturele doeleinden, levensbeschouwelijke doeleinden en religieuze doeleinden toegestaan. Een specifieke aanduiding is opgenomen zodat wonen in het kader van zorgverlening ter plaatse is toegestaan.

Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak, op de verbeelding is het maximale aangegeven. In de bouwregels is verder aangegeven aan welke maatvoering de gebouwen moeten voldoen.

5.2.3 Algemene regels

In de Anti-dubbeltelbepaling wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten.

In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden.

In de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

In de navolgende regel zijn de Algemene procedureregels opgenomen.

In het artikel Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Inspraak en overleg

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp-bestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

6.1 Vooroverlegreacties

P.M.

6.2 Zienswijzen

P.M.

Hoofdstuk 7 Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals die geldt vanaf 1 juli 2008, bepaalt dat de wettelijke procedure formeel start op het moment van ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan.

De procedure ziet er als volgt uit:

  • Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;
  • Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
  • Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
  • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;
  • Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling;
  • Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
  • Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.