direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Landgoed Leudal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Aan de Roggelseweg even buiten Haelen is Camping Leudal gelegen. De camping is begin 2011 door HG Beheer BV verworven met als doel om deze locatie om te vormen naar Landgoed Leudal. Landgoed Leudal wordt een groen bedrijf dat kwaliteitsverblijfsaccommodaties biedt ten behoeve van groepsverblijf, outdoor activiteiten en (zakelijke) trainingen. Het concept heeft qua aanbod en prijs een positie in de markt tussen de traditionele groepsaccommodaties en conferentiecentra.

Op Landgoed Leudal wordt gewerkt rondom het begrip 'groepsprivacy'. De interacties beperken zich tot de mensen van de groep waarmee men op vakantie is of in een training zit. De gezamenlijke activiteiten vinden plaats in groepsverband, maar er zijn ook mogelijkheden om zich als individu terug te trekken in de eigen kamer of recreatiewoning.

De transformatie van camping naar Landgoed Leudal voltrekt zich gefaseerd. In fase 0 is het aangezicht vanaf de Euldersweg, de huidige entree naar de locatie aangepakt. Een vijftigtal oude caravans is gesloopt (in fase 0 en 1A) en het rondslingerende afval is opgeruimd. In fase 1A zijn 21 units ontwikkeld (12 vrijstaande chalets en 4 groepschalets). In fase 1B is het concept van fase 1A gekopieerd, nu met 15 vrijstaande chalets en 3 groepsverblijven. Tevens zijn in deze fase wederom een vijftigtal caravans verwijderd. Met de realisatie van fase 1B is het gehele westelijke deel getransformeerd van camping naar Landgoed Leudal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1. Ligging en omgeving Landgoed Leudal  


Vanwege de fasering van de transformatie van Landgoed Leudal is de uitwerking voor de overige fasen (richting de oostelijke grens van het terrein) nog globaal. Gedacht wordt aan de realisatie van recreatiewoningen en groepschalets. Ook blijft in ieder geval voorlopig de mogelijkheid tot kamperen bestaan.

Fase 1 is met afzonderlijke procedures mogelijk gemaakt. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het totale Landgoed Leudal, dus zowel op fase 1 als op de vervolgfasen op het gehele overige terrein.

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

De hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het plangebied en de gewenste ontwikkeling zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangegeven. In hoofdstuk 7 is de procedure ten slotte weergegeven.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Het rijksbeleid zal worden besproken aan de hand van het overkoepelend beleidsstuk; de Nota Ruimte. Voor het provinciaal beleid wordt gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), eveneens een overkoepelend beleidsstuk en diverse andere / aanvullende beleidsstukken. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ingegaan op het kaderplan en de gemeentelijke structuurvisie.

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In deze structuurvisie worden ambities voor Nederland gesteld voor de periode tot in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.

Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

De Structuurvisie gaat in grote mate uit van decentralisatie van verantwoordelijkheden. In vergelijking tot de 33 nationale belangen uit de bij de Nota Ruimte behorende Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid is het aantal Rijksbelangen sterk in omvang teruggebracht. Het Rijk legt hiermee op het vlak van de ruimtelijke ordening meer verantwoordelijkheid bij de provincies en gemeenten.

Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Deze doelen betreffen nadere uitwerkingen van een aantal Rijksbelangen uit de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk beleid.

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Hier onder vallen onderwerpen als het bereiken van een excellent vestigingsklimaat in de (stedelijke) regio's, ruimte maken voor duurzame energievoorziening en ruimte maken voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. Bij een excellent vestigingsklimaat gaat het niet alleen om kwalitatief hoogwaardige ruimte voor werken, verplaatsen en wonen (waaronder differentiatie in woonmilieus, het belang van openbaar vervoer voor de stedelijke regio en multimodaliteit ten behoeve van logistiek), maar ook om voldoende aanbod van onderwijs en training, cultuur, toegankelijk groen en recreatiemogelijkheden. Dit wordt ook wel de 'quality of life' genoemd.
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Hier onder vallen onderwerpen als verbeteren van het hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen en een betere benutting van de capaciteit daarvan.
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Hiertoe dient onder andere de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) te worden verbeterd, dienen mensen tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's te worden beschermd. Ook is ruimte nodig voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling.

Conclusie

Het onderhavige plan behelst de omvorming van een camping tot verblijfsrecreatieterrein met de nadruk op recreatiewoningen. Deze upgrading is in lijn met het gestelde in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte met betrekking tot het creëren van een hoogwaardige leefomgeving.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen.

De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor (1) de ruimtevraag, (2) de beschikbare ruimte en (3) de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

Afweging Ladder voor duurzame verstedelijking

De transformatie van Landgoed Leudal is geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro. Dit betekent dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is en een nadere afweging niet noodzakelijk is.

2.2 Provinciaal beleid

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006

Op 22 september 2006 is door Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006) vastgesteld. In 2008 is het POL2006 geactualiseerd en aangepast aan de nieuwe ruimtelijke wetgeving. Het POL2006 is een streekplan, het provinciaal waterhuishoudingplan, het provinciaal milieubeleidsplan en bevat de hoofdlijnen van het provinciaal verkeer- en vervoersplan. Tevens vormt het POL2006 een economisch beleidskader op hoofdlijnen, voor zover het de fysieke elementen daarvan betreft, en een welzijnsplan op hoofdlijnen, voorzover het de fysieke aspecten van zorg, cultuur en sociale ontwikkeling betreft.

Het POL2006 zelf kan eveneens beschouwd worden als de structuurvisie die op grond van de nieuwe ruimtelijke wetgeving (en mogelijk ook op grond van nieuwe milieu- en waterwetgeving) door provincies opgesteld moet worden. Hiertoe is de POL-aanvulling Nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgesteld. De POL-aanvulling heeft de juridische status van structuurvisie en vormt tevens de uitvoeringsparagraaf van het POL2006, zoals bedoeld in de Wro. De laatste actualisatie van het POL2006 heeft in 2011 plaatsgevonden. Thans is een algehele herziening, het POL2014 in voorbereiding.

Verstedelijking en steeds intensiever ruimtegebruik leggen een toenemend beslag op de open ruimte in het landelijk gebied en verminderen de diversiteit van landschap en groen. De provincie houdt daarom vast aan het zo compact mogelijk houden van de steden en een minstens gelijk blijvend aandeel van de stadsregio's in het totaal van woningen, werklocaties en arbeidsplaatsen. Over het algemeen wordt dus ingezet op het bundelen van de verstedelijking en economische activiteiten in of aansluitend aan bestaande bebouwde gebieden.

Contour

In Limburg is dat vertaald in de stadsregio's en de plattelandskernen. De stadsregio's vormen binnen Limburg de vertaling van de bundelingsgebieden zoals het Rijk die hanteert in de Nota Ruimte. Iedere stadsregio is voorzien van een zogenaamde grens stedelijke dynamiek. De plattelandskernen zijn voorzien van contouren. Paarse contouren om de stadsregio's bepalen de grens voor de stedelijke dynamiek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2. Uitsnede POL-kaart 'Perspectieven'  

De contouren vormen tegelijk de overgang naar een platteland met een heel andere dynamiek. Deze grenzen zijn vastgelegd op basis van de natuurlijke waarden in het omliggende gebied en een goede functionele en stedelijke samenhang, rekening houdend met de verwachte groei, zoveel mogelijk samenvallend met bestaande elementen zoals wegen. Deze begrenzing laat onverlet dat er sprake is van een sterke wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden. Voor veel voorzieningen is men vanuit het landelijk gebied aangewezen op de steden. Omgekeerd is de kwaliteit van het landelijk gebied mede bepalend voor de aantrekkelijkheid van de stedelijke gebieden als vestigingsgebied. Woningbouw en uitbreiding van bedrijvigheid vinden bij voorkeur plaats binnen de contouren. Initiatieven buiten de contouren zijn mogelijk indien ze inpasbaar zijn in het landschap en de landbouwstructuur en gepaard gaan met de realisatie van extra natuur, landschap of milieukwaliteit. Voor landbouw en toerisme wordt zoveel mogelijk ontwikkelingsruimte geboden, mits de gebiedskwaliteit er als geheel op vooruit gaat. Het plangebied ligt buiten de contour van Haelen.

Perspectieven

Aan het grondgebied van de provincie Limburg worden in het POL2006 verschillende perspectieven toegekend. Deze perspectieven karakteriseren een bepaald type gebied en geven de gewenste ontwikkelingsrichting van dergelijke gebieden aan. Het plangebied behoort tot perspectief 4 'Vitaal landelijk gebied'.

De inrichting van gebieden die deel uitmaken van dit perspectief, wordt in belangrijke mate bepaald door de landbouw met een van gebied tot gebied verschillende aard en dichtheid aan omgevingskwaliteiten. Er zijn ook ontwikkelingsmogelijkheden voor de toeristische sector en kleinschalige vormen van bedrijvigheid, verbrede landbouw en kleinschalige dienstverlenende bedrijven. In dit gebied geldt de versterking van de landschappelijke kwaliteit als randvoorwaarde bij verdere kwaliteitsontwikkeling van landbouw, toerisme en recreatie. Belangrijkste doel hierbij is het behouden van de landschappelijke kwaliteit en identiteit ter plaatse. Economische ontwikkelingen van landbouw, recreatie en toerisme worden als kans en voorwaarde gezien voor het behoud en de versteviging van (met name) de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in een grote variëteit aan landbouwgebieden.

Conclusie

Onderhavig project voorziet in economische ontwikkelingen zoals nagestreefd wordt in het POL. Daarnaast zijn de ontwikkelingen landschappelijk ingepast. De bestaande groensingel rond het recreatieterrein blijft gehandhaafd, waardoor het terrein is afgeschermd van de openbare weg. De bestaande structuren worden niet aangetast waardoor er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering

Op 18 december 2009 hebben Provinciale Staten de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering vastgesteld. De POL-aanvulling is een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening en richt zich op een partiële herziening van het POL2006 op de volgende punten:

  • Provinciale regie en sturing op woningvoorraadontwikkeling;
  • Provinciale regie en sturing op ontwikkeling werklocaties;
  • Selectieve provinciale sturing op verstedelijkingsprocessen;
  • Ruimte voor nieuwe clusters van bebouwing in landelijk gebied (nee, tenzij);
  • Het verbinden van nieuwbouw of uitleglocaties met revitalisering en/of herstructurering (woongebieden, werklocaties, glastuinbouw);
  • Selectieve provinciale sturing op gebiedsontwikkelingen;
  • Verankeren van het Limburgs Kwaliteitsmenu

Voor de onderhavige ontwikkeling is de verankering van het Limburgs Kwaliteitsmenu relevant.

Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu

Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld.

In het Limburgs Kwaliteitsmenu zijn de bestaande provinciale instrumenten als VORm, Rood voor Groen, Ruimte voor Ruimte en BOM+, geïntegreerd en aangevuld met een aantal nieuwe instrumenten. Een belangrijke verandering hierbij is dat de verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu waar mogelijk in handen van de gemeenten wordt gelegd.

De contouren blijven, ook met de introductie van het Limburgs Kwaliteitsmenu, van kracht. Binnen de grenzen van het stedelijk gebied is het kwaliteitsmenu van toepassing in de perspectieven P2 en P3.

Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het (nieuwe) functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied.

Ook bij nieuwe recreatieve ontwikkelingen is het kwaliteitsmenu van toepassing. Het gaat hierbij expliciet om nieuwe ontwikkelingen en nieuw ruimtebeslag. In het onderhavige plan is weliswaar sprake van een nieuwe ontwikkeling (de omvorming van Camping Leudal naar Landgoed Leudal met de realisatie van onder andere recreatiewoningen), maar er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. De recreatiewoningen worden immers gerealiseerd op een locatie die al een recreatiefunctie heeft en al bebouwd was. Omdat deze functie verder niet wordt uitgebreid, zijn er geen verplichtingen in het kader van het Limburgs Kwaliteitsmenu.

De grondruil met Roggelsesweg 52 (zie hoofdstuk 3), heeft geen significante toename van het oppervlak van het plangebied tot gevolg, maar leidt enkel tot een betere plancontour en begrenzing met het perceel Roggelseweg 52. Derhalve is ook hiervoor het Limburgs Kwaliteitsmenu niet van toepassing.

Conclusie

Het Limburgs Kwaliteitsmenu stelt voor de voorgenomen ontwikkeling geen aanvullende eisen of beperkingen.

2.3 Gemeentelijk beleid

Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal'

In de Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkeling in de komende jaren.

De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de (nieuwe) gemeente en samenwerking in de regio.

De Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en dient de komende jaren het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten.

De strategische overallvisie gaat in op de volgende aspecten:

  • Een weergave van de huidige situatie in Leudal wat betreft onderwerpen als werkgelegenheid, leefklimaat, arbeidspotentieel, etc.;
  • De belangrijkste maatschappelijke trends en ontwikkelingen, met relevantie voor Leudal;
  • Missie, ambities en doelen van Leudal voor de komende jaren;
  • De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de ambities en doelen met het oppakken en faciliteren van een select aantal strategische projecten;
  • De consequenties van deze ambities voor de organisatie en uitvoering van het beleid door de gemeente.

In de Strategische Overallvisie zijn geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot de kern Haelen of deze toeristisch-recreatieve ontwikkeling. Wel is de ontwikkeling van de vrijetijdssector een van de speerpunten van beleid. Vanuit dat oogpunt is de onderhavige ontwikkeling passend binnen de Strategische Overallvisie 2020.

Structuurvisie Leudal - regie op de toekomst

Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren, wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0004.png"  
Afbeelding 3. Uitsnede Structuurvisiekaart, met de ligging van het plangebied omcirkeld  

De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen?

In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.

Toerisme en recreatie

De gemeente Leudal is gelegen in een afwisselend gebied met veel natuur. In het buitengebied vind je ongerepte natuur en fiets- en wandelgebieden, zoals het Leudal. Ook de Maas vormt een fraaie landschappelijke ader met veel toeristisch-recreatieve potentie. Samen met het cultuurhistorische karakter van de dorpen vormt de gemeente Leudal een aantrekkelijke omgeving voor de toerist en de recreant. De ambitie van de gemeente Leudal is om de toeristisch-recreatieve sector te versterken.

De vestiging van een toeristische trekker die voor spin-off zorgt, is hierbij een optie, maar de gemeente wil ook kleinschalige toeristisch-recreatieve initiatieven ondersteunen. Toeristische ontwikkeling dient gezoneerd plaats te vinden, met name in de Maaszone, rond het Leudal en bij de Leistert, het recreatieve cluster.

Landgoed Leudal is gelegen tegen het Leudal aan, waardoor de ontwikkeling uitstekend past binnen het gestelde in de structuurvisie.

Hoofdstuk 3 Beschrijving plan

3.1 Gebiedsbeschrijving

Beschrijving omgeving

Het plangebied is gelegen ten noorden van de kern Haelen. Haelen is één van de grootste kerkdorpen van de gemeente Leudal. Het dorp telt ongeveer 4.400 inwoners en is gelegen tussen de Maas en natuurgebied het Leudal.

 
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0005.png" Afbeelding 4. Oude Luchtfoto van plangebied en omgeving  

De omgeving van Haelen wordt al vanaf de steentijd bewoond. Het dorp is uiteindelijk gesticht op de hoge(re) zandgronden langs de Maas. De oostelijke grens van het dorp wordt gevormd door de N273 (Napoleonsweg). In het zuiden vormt de spoorlijn Roermond – Weert de uiterste grens van het dorp. Ten noorden van Haelen ligt de kleine kern van Nunhem en de westelijke grens wordt gevormd door het natuurgebied het Leudal.

Het plangebied betreft Camping Leudal, aan de noordkant van de kern en wordt ingeklemd door het natuurgebied 'Het Leudal' aan de noordrand, de Roggelseweg aan de westkant, het agrarisch buitengebied aan de oostkant en de sportvelden van Haelen aan de zuidzijde.

Beschrijving plangebied

Het plangebied omvat het volledige terrein van Camping Leudal en is thans deels in gebruik als kampeerterrein. De incourante opstallen (zoals vervallen caravans) zijn verwijderd en hebben plaats gemaakt voor kwalitatief hoogwaardige groepsaccommodatie. Camping Leudal heeft in totaal een oppervlakte van circa 7,5 hectare. De gehele camping heeft vergunning voor 280 plaatsen. In verband met de transformatie van camping naar Landgoed Leudal wordt dit aantal aanzienlijk teruggebracht.

In de onderstaande afbeelding is de planlocatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0006.png"  
Afbeelding 5. Camping Leudal in vogelvlucht in vroeger jaren  

3.2 Beoogde situatie

De beoogde situatie voor het westelijk deel is concreet, zoals in de onderstaande afbeelding te zien is. Dit westelijke deel is binnen het geldende bestemmingsplan en door middel van een afwijkingsbesluit mogelijk gemaakt. In dit deel is ruimte voor diverse recreatiewoningen, een bedrijfswoning, parkeervoorzieningen en centrale accommodaties.

Voor het oostelijke deel zijn de plannen minder ver uitgewerkt. Uitgangspunt is dan ook dat het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit biedt, om het concept voor Landgoed Leudal duurzaam en kwalitatief te kunnen invullen, waarbij kan worden ingespeeld op veranderende wensen en eisen uit de markt.

Om richting te kunnen geven aan de kaders die het bestemmingsplan moet stellen, is een Masterplan opgesteld voor Landgoed Leudal. Te zien valt dat in fase 1a en 1b de recreatiewoningen en centrale accommodaties grotendeels gerealiseerd zijn. De vervolgfasen zijn de realisatie van verdere centrale accommodaties, centrale parkeervoorzieningen en recreatiewoningen. Voor het gehele terrein geldt een bebouwingspercentage van maximaal 40%. Ten opzichte van de feitelijke situatie is dit een vermindering met circa 20% (zie bijlage 1)

De aanwezige landschappelijke inpassing van het terrein blijft gehandhaafd en wordt waar mogelijk versterkt.

 
afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0007.png" Afbeelding 6. Masterplan  

Aan de westelijke rand van het plangebied heeft ten opzichte van het oorspronkelijke terrein een grenswijziging als gevolg van grondruil plaatsgevonden. Dit is te zien in de onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0008.png"  
Afbeelding 7. Grondruil westzijde plangebied (links oude, rechts nieuwe situatie)  

In de beoogde situatie van het plangebied ligt de focus op de realisatie van recreatiewoningen en voorzieningen voor groepsverblijven, outdooractiviteiten en (zakelijke) trainingen. Deze functies worden geflankeerd door:

  • a. horeca
  • b. sportvoorzieningen
  • c. ondergeschikte detailhandel
  • d. symposiumruimtes
  • e. huisvesting van arbeidsmigranten in fase 1a & fase 1b.

3.3 Toets aan het geldende bestemmingsplan

De vigerende planologische regeling voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Leudal' dat is vastgesteld op 25 februari 2014. De gronden hebben hierop de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. De bestemmingsregeling is afgestemd op het oude bestemmingsplan 'Buitengebied' van de voormalige gemeente Haelen, waar de gronden de bestemming 'Kampeerterrein' hadden.

Dit betekent ondermeer dat het geldende bebouwingspercentage is vastgesteld op 3%. Dit lage percentage is opgenomen omdat het terrein van oorsprong een kampeerterrein is. Dit rechtvaardigt het lage bebouwingspercentage, immers kampeermiddelen zijn geen gebouwen, waardoor deze niet onder het bebouwingspercentage vallen.

Qua gebruik zijn de gronden bestemd voor ondermeer het uitoefenen van activiteiten gericht op verblijfsrecreatie. De beoogde trainingsfaciliteiten worden niet expliciet genoemd en mogelijk gemaakt. Tevens is op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied Leudal' het vergunde gebruik met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten planologisch-juridisch niet mogelijk gemaakt.

Qua bebouwing zijn bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning, bouwwerken geen bebouwing zijnde en bijbehorende voorzieningen mogelijk.

Bebouwing ten dienste van de toegelaten doeleinden dient onder andere te voldoen aan de navolgende regels:

  • a. Het bebouwd oppervlak mag niet meer bedragen dan 3%.
  • b. De maximale goot- en bouwhoogte van gebouwen (niet zijnde woningen) mag niet meer bedragen dat de bestaande hoogten
  • c. de afstand van de gebouwen tot de bestemmingsgrens aan de zijde van de weg bedraagt ten minste 10 meter en voor het overige ten minste 3 meter.

De beoogde planinvulling past niet binnen het geldende plan omdat de bouwregels worden overschreden. De vervanging van de vele oude stacaravans en dergelijke door recreatiewoningen leidt namelijk tot een overschrijding van het maximale bebouwingspercentage. Kampeermiddelen (zoals stacaravans) worden namelijk niet tot het bebouwingspercentage gerekend, recreatiewoningen wel. Daarnaast past de functieverbreding niet geheel binnen de geldende bestemmingsomschrijving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0009.png"  
Afbeelding 8. Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied Leudal”  

3.4 Ruimtelijke effecten

Met de realisatie van de recreatiewoningen verandert het aanzicht van het recreatieterrein ten goede. Het kampeerterrein met veel vervallen caravans wordt getransformeerd in een kwalitatief hoogwaardig terrein met recreatiewoningen en groepsaccommodaties. De situering van de recreatiewoningen op het terrein is speels, maar met een duidelijke structuur. De landschappelijke invulling op het terrein ondersteunt dit concept.

Er wordt aangesloten bij de in de omgeving aanwezige waarden. De bestaande groene afscheiding wordt behouden en waar noodzakelijk versterkt. Er hoeven in het kader van de landschappelijke inpassing voor dit gedeelte dan ook geen aanvullende maatregelen genomen te worden.

De ontwikkeling van Landgoed Leudal leidt tot een ruimtelijke kwaliteitswinst in het gebied, dat hiermee ook een positief effect op de omgeving heeft.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

4.1 Milieuaspecten

Bij het toekennen van de recreatieve bestemming ten behoeve van Landgoed Leudal dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

4.1.1 Bodem

Achtergrond

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de aanwezige functies. Uitgangspunt is dat er minimaal historisch onderzoek dient plaats te vinden bij nieuwe ontwikkelingen. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het historisch onderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Op moment van schrijven geldt daarvoor de NEN 5740.

Bodemonderzoek geeft de kwaliteit van de bodem op een bepaald moment weer. Een bodemonderzoek heeft standaard een geldigheidsduur van 5 jaar, zolang er geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden op de locatie. Een bodemonderzoek jonger dan twee jaar is zondermeer geldig. Bij een ouderdom tussen de twee en vijf jaar, moet door middel van een historisch onderzoek worden onderzocht of er activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de bodem nadelig beïnvloed kunnen hebben. Is dit het geval, dan dient minimaal dat deel van het terrein opnieuw onderzocht te worden. Is het bodemonderzoek ouder dan vijf jaar, dan is nieuw verkennend onderzoek vereist.

Onderzoek

Voor het gehele terrein van Landgoed Leudal is een bodemonderzoek uitgevoerd door Archimil (16-12-2010). Aangegeven wordt dat er sprake is van een plaatselijke lichte verontreiniging van de bovengrond met PCB's en/of Kobalt. Ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank is de bodemlaag licht verontreinigd met minerale Olie en PAK's. Het grondwater is licht verontreinigd met zware metalen. Tevens worden plaatselijk matige tot sterke verontreinigingen met nikkel aangetroffen, naar alle waarschijnlijkheid met natuurlijke oorsprong.

Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Wel wordt geadviseerd het grondwater, zonder aanvullende maatregelen, niet te gebruiken voor consumptieve doeleinden.

4.1.2 Wegverkeerslawaai

Achtergrond

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0010.png"  

Woningen, scholen en o.a. ziekenhuizen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners of gebruikers van een geluidsgevoelig object. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd.

Toetsing

De recreatiewoningen zijn geen geluidgevoelige objecten zoals bepaald in de Wgh. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is en dat de Roggelseweg derhalve geen belemmering voor de planvorming vormt.

4.1.3 Luchtkwaliteit

Achtergrond

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Voor woningen en kantoren gelden de volgende getalsmatige grenzen:

  minimaal 1 ontsluitingsweg   minimaal 2 ontsluitingswegen  
  3%-norm   3%-norm  
Woningen (maximaal)   1.500   3.000  
Kantoren (maximaal)   100.000 m2 bvo   200.000 m2 bvo  

Achtergrondwaarden

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen.

Toetsing

De NIBM-grens voor kantoor- en woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² aan kantoren, beneden het criterium van 3 % gebleven wordt. Een maatschappelijke functie wordt niet expliciet genoemd. Vergeleken met 1.500 woningen of 100.000 m² kantoor neemt het verkeer op de locatie in veel mindere mate toe. Een plan met 1.500 woningen heeft minimaal 1.500 * 2 = 3.000 extra motorvoertuigbewegingen tot gevolg.

Binnen het bestemmingsplan wordt ruim onder dit aantal motorvoertuigbewegingen gebleven. Uitgangspunt is dat er circa 175 recreatiewoningen worden gerealiseerd. Met dit aantal wordt derhalve ruim onder het 3% criterium gebleven (zie voor meer informatie paragraaf 4.7).

Het project draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging, zodat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt.

Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de concentratie PM10 ter plaatse 25,5 µg/m³, en is de concentratie NO2 ter plaatse 20,1 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.

Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de recreatievoorzieningen. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting nog verder verbeteren.

4.1.4 Externe Veiligheid

Achtergrond

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans op overleven. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Toetsing

Risicokaart

Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.

Even buiten het plangebied komt één object voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Ten oosten van het plangebied bevindt zich op de camping een bovengrondse tank propaan of ander brandbaar gas aanwezig is met een capaciteit van 5.000 liter. Doordat de capaciteit kleiner is dan 13.000 liter valt de propaantank niet onder het Bevi. De bovengrondse tank heeft een maximale plaatsgebonden risicocontour van 20 meter. Binnen dit gebied worden geen nieuwe kwetsbare objecten opgericht.

Als gevolg van de transformatie van camping tot landgoed vindt op de locatie een verdunning van het aantal standplaatsen plaats. Standplaatsen verdwijnen ten behoeve van recreatiewoningen. De personendichtheid in het plangebied zal daarmee niet significant wijzigen. De verwachting is niet dat er sprake is van een (significante) toename van het groepsrisico ter plaatse.

Buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

In de omgeving van het plangebied zijn op basis van vigerende bestemmingsplannen en overige leidinggegevens geen buisleidingen gelegen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

In de 'Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen' wordt aangegeven dat binnen 200 meter van een weg het groepsrisico betrokken moet worden. In de omgeving van de betreffende locatie is de N273 gelegen. Deze weg ligt op een afstand van circa 1.250 m van het plangebied, waardoor het groepsrisico niet betrokken hoeft te worden.

De aandachtspunten voor het plaatsgebonden risico inzake wegverkeer betreffen de wegvakken waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. Volgens de Risicoatlas wegtransport gevaarlijke stoffen 2003, vormt het plaatsgebonden risico op 53 wegvakken een aandachtspunt. Omliggende wegen nabij het plangebied worden niet nader genoemd bij de opsomming van deze wegvakken

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Het plangebied is gelegen op meer dan 1.000 meter van de spoorlijn Weert - Roermond. Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt echter ruim 1.700 m. Dit betekent dat het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied. Gezien de afstand kan geen sprake zijn van een significante toename van het groepsrisico. Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor vormt daarmee dan ook geen belemmering.

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een bedrijf of een transportroute van gevaarlijke stoffen (via de weg of buisleiding) vanwege groepsrisico. Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de woonvoorzieningen.

4.1.5 Milieuzonering

Achtergrond

Er dient bekeken te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project (in al haar activiteiten) of waarvan het project juist hinder ondervindt.

De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' ;
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;
  • bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.

Toetsing

De gewenste ontwikkeling vindt binnen het huidige terrein van Camping Leudal plaats. Dit betekent dat er ruimtelijk geen uitbreiding zal plaatsvinden. Er vindt op milieuhygiënisch vlak dan ook geen verslechtering van de situatie plaats. Er zijn in de omgeving tevens geen bedrijven of instellingen gelegen die een belemmering opleveren voor de voorgestane ontwikkeling in het plangebied.

4.2 Archeologie

Achtergrond

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.

De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden.

De uitgangspunten van deze wet zijn:

  • Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is.
  • Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers tot ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren. De invoering hiervan wordt geregeld via bestemmingsplannen en vrijstellingen, de mer-plichtige activiteiten en ontgrondingen.
  • Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen(principe verstoorder betaalt). De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit.

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat de gemeente bevoegd gezag is. Als gevolg van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening toetst de provincie Limburg niet langer archeologische rapporten en programma's van eisen. De provincie beperkt zich tot zaken die van provinciaal belang zijn (waaronder de aanwijzing van archeologische attentiegebieden).

De gemeente Leudal heeft een eigen archeologische advieskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. Dit RAAP rapport met nummer 1952 is genaamd 'Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Leudal' en is vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 8 februari 2011.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP14HnRoggelsewg54-VG01_0011.png"  

Toetsing

Op basis van de archeologische advieskaart is het plangebied overwegend gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit betekent dat bij grondingrepen van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor een klein deel van het plangebied geldt dat sprake is van een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij grondingrepen van meer dan 2.500 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Voor de recreeatiewoningen geldt dat deze dusdanig gefundeerd zijn dat er geen bodemingreep dieper dan 40 cm noodzakelijk is. Dit betekent dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Mocht er evenwel op een deel van het terrein een grondverstoring dieper dan 40 cm noodzakelijk zijn (bijvoorbeeld voor een waterpartij, gebouwen met diepere fundering et cetera) dan is wel een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Ter bescherming van de archeologische waarden in het gebied wordt derhalve een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.

4.3 Natuur en landschap

Het plangebied is gelegen aan de rand van Het Leudal. Het Leudal is een natuurgebied dat binnen de EHS gelegen is. Het plangebied valt buiten de door de provincie Limburg aangewezen natuurgebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar Landgoed Leudal grenst aan de noordzijde wel direct aan de EHS. Mogelijk verstorende effecten van bouwplannen zijn: versnippering, verandering van de waterhuishouding, verstoring door licht, geluid, trillingen en menselijke activiteit etc. Voor de ontwikkeling van de recreatiewoningen op de projectlocatie zijn de verstoring van tijdelijke aard (alleen tijdens de bouw). De menselijke activiteit in het plangebied worden ten opzichte van de huidige situatie, waarin reeds sprake is van een kampeerterrein niet vergroot. Vanuit provinciaal beleid hoeft daarom geen rekening gehouden te worden met planologische bescherming van natuurwaarden.

De landschappelijke waarden van het terrein zelf zijn echter beperkt. Immers, op dit moment is sprake van een kampeerterrein in transitie. Het kampeerterrein is aan de zuidzijde landschappelijk afgeschermd van de sportvelden. Deze landschappelijke inpassing zal gehandhaafd blijven en waar mogelijk versterkt worden. Het terrein zelf zal tevens landschappelijk ingericht worden door aanplant van bomen en struiken.

4.4 Flora en fauna

Achtergrond

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in de Structuurvisie en Verordening is vastgelegd.

Natuurbeschermingswet

De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd Natuurmonument) zijn vergunningsplichtig.

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Dat betekent dat onder andere opzettelijke verstoring niet is toegestaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2', de bijlage 1 soorten van het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (tezamen tabel 3) en met alle vogels. Van deze laatste groep is een lijst opgesteld met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en een lijst met vogels waarbij inventarisatie gewenst is. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit(en) effecten heeft/hebben op de beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen. Met passende maatregelen kan de aanvraagprocedure voor een ontheffing voorkomen worden. Voor soorten van 'tabel 2' geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Als passende maatregelen niet mogelijk zijn dan dient er een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een belang behorende bij het beschermingsregime waaronder de soort beschermd wordt.

Resultaten natuurtoets

Natuurbeschermingswet: De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. In een straal van 3 kilometer rondom het plangebied komt het Natura 2000-gebied 'Leudal' voor. Dit gebied grenst aan het plangebied. Vanwege de huidige invulling van de projectlocatie zal de voorgestane ontwikkeling geen negatieve effecten hebben op dit Natura 2000-gebied.

Flora en fauna: Op basis van de provinciale vegetatie- en broedvogeldatabank zijn geen waarnemingen bekend van broedvogels en bijzondere vegetatie in het plangebied. Dit is in lijn met de aard van het plangebied. De locatie is in gebruik als camping met diverse caravans en opstallen. De natuurwaarden en -mogelijkheden op de locatie zijn laag.

Conclusie

Door de ontwikkeling zullen geen belangrijke natuurwaarden verloren gaan. Op basis van de typering van het plangebied en de geraadpleegde bronnen kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen op het gebied van natuurwetgeving en -beleid zijn. Er is geen aanleiding tot het doen van aanvullend (veld)onderzoek. Op basis van het voorgaande kan het ruimtelijk plan, wat betreft het onderdeel natuur, in de huidige vorm doorgang vinden.

Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn, ook als er ontheffing is verleend.

4.5 Kabels en leidingen

Volgens de risicoatlas, kaarten van de Gasunie en Waterschapsbedrijf Limburg én informatie van TenneT, komen op, of in de directe omgeving van, het plangebied geen leidingen of kabels voor, met een dusdanige beschermingszone dat zij de ontwikkeling van de recreatiewoningen belemmeren.

4.6 Verkeerskundige aspecten

Verkeersaantrekkende werking

Om de recreatiewoningen, centrale voorzieningen et cetera te kunnen realiseren zijn een groot aantal standplaatsen verdwenen. De verkeersaantrekkende werking van de recreatiewoningen ten opzichte van de standplaatsen zal ongeveer gelijk zijn. De bezettingsgraad van de receatiewoningen. zal hoger (3-4 per eenheid) zijn dan bij de standplaatsen (circa 2 per standplaats), maar er worden meer standplaatsen verwijderd dan recreatiewoningen teruggebouwd. Netto betekent dit dat de verkeersaantrekkende werking naar verwachting eerder zal afnemen dan zal toenemen in het gebied.

Parkeren

De gemeente Leudal volgt de CROW-normeringen met betrekking tot het aantal parkeervoorzieningen dat op eigen terrein gerealiseerd dient te worden. Op basis van de CROW-normeringen geldt een parkeernorm voor recreatiewoningen van 1,25 per unit (ontleend aan de CROW publicatie 272) . Dit betekent dat voor circa 175 units een parkeernorm geldt van circa 219 plaatsen. Verspreid over het terrein zijn diverse parkeerplaatsen, gepland. In totaal wordt rekening houden met circa 330-350 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de CROW-normen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling van Landgoed Leudal, heeft geen onevenredige verkeersaantrekkende werking. Er zijn voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein beschikbaar zodat voldaan kan worden aan de gemeentelijke en landelijke parkeernormen.

4.7 Duurzaamheid

Bij de ontwikkeling wordt, conform de eisen van het Bouwbesluit, aandacht besteed aan het duurzaamheidsaspect. Bij de bouw worden onder andere niet-uitlogende materialen gebruikt en vindt infiltratie van het hemelwater plaats (zie navolgende paragraaf).

4.8 Waterhuishoudkundige aspecten

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

Beleidskader

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheersplan van waterschap Peel en Maasvallei, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), de Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.

Nationaal Waterplan 2009-2015

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006)

Het waterbeleid in het POL2006 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen:

  • herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderende klimatologische omstandigheden;
  • herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur;
  • schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;
  • duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is;
  • een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

Waterschap Peel en Maasvallei

Het Integraal Waterbeheersplan 'Orde in water' van Waterschap Peel en Maasvallei (IWBP) beschrijft de uitwerking van het provinciale (oppervlakte)waterbeleid door het waterschap, zoals is vastgelegd in het POL2006. Het plan is richtinggevend voor het te voeren beleid en beheer van het waterschap. Het waterbeheer wordt in al zijn samenhangen bekeken met als belangrijke uitgangspunten de watersysteembenadering en de waterketenbenadering. Bij de integrale afwegingen zijn een viertal leidende principes: veiligheid, duurzaamheid, water als medeordenend principe en niet afwentelen op anderen. In de afweging gelden een drietal toetsingscriteria: doelrealisatie, kosteneffectiviteit en maatschappelijk draagvlak. Extra inspanningen worden geleverd op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer, waaronder het nadrukkelijk beïnvloeden van de ruimtelijke ordening vanuit waterhuishoudkundige principes in samenwerking met de gemeentes. Ook het samenwerken in de waterketen met de gemeentes en de verdere sanering van schadelijke rioolwateroverstorten staan hoog op de agenda. Bij nieuwbouwlocaties wordt gestreefd naar 100% afkoppeling van het afkoppelbaar verhard oppervlak van het riool.

Kenmerken van het watersysteem

De kenmerken van het watersysteem, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodemopbouw en grondwater, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater.

Bodemopbouw en grondwater

De bovengrond van de planlocatie wordt volgens de Bodemkaart van Nederland, gerekend tot de Dikke eerdgronden, voornamelijk bestaand uit lemig fijn zand.

Het gebied valt binnen de grondwatertrap VII. Bij grondwatertrap VII bevindt het grondwater zich op grote diepte: de gemiddelde hoogste grondwaterstand bevindt zich dieper dan 80 cm-mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand bevindt zich dieper dan 1,2 m-mv.

Er liggen geen pompstations in de buurt van het plangebied die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse. De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en / of grondwaterwingebied.

Blijkens de 'Kristallen Waarden'- kaart ligt het plangebied in Roerdalslenk zone III. Blijkens de 'Blauwe Waarden'- kaart van het POL2006 zijn er voor het plangebied geen verdere aanduidingen opgenomen.

Oppervlaktewater

In of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen waarmee rekening gehouden dient te worden.

Afvalwater

Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Hemelwater

De afvoer van hemelwater vindt plaats (conform het beleid) door middel van infiltratie in de ondergrond. Voor fase 1a en 1b vindt afkoppeling plaats door middel van Wadi's met drainagebuizen.

Voor het overige deel van het plangebied zal op een zelfde wijze afgekoppeld worden. De bodemdoorlaatbaarheidskaarten van het waterschap geven aan dat de bodem redelijk doorlatend is, met een K-waarde van 0,45-0,75 m/dag. Dimensionering van toekomstige waterhuishoudkundige werken dient, indien geen sprake is van een overloop (zoal in fase 1 het geval is), gedimensioneerd te worden op een bui van T=100 (bui van 62,5 mm). Uitgaand van een bebouwd en verhard oppervlak (inclusief parkeervoorzieningen) van circa 20.000 m2 betekent dat voor het gehele Landgoed Leudal een bergend vermogen van 1.250 m3 

De exacte dimensionering en situering van de Wadi's wordt in de bouwaanvraag nader uitgewerkt, op het terrein is echter voldoende ruimte beschikbaar voor de hemelwaterafvoer.

Conclusie

Een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil of de waterhuishouding is, gezien het bovenstaande, niet te verwachten. De conclusie luidt dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planonderdelen

Het bestemmingsplan voor Landgoed Leudal is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.

Het nieuwe bestemmingsplan voor Landgoed Leudal is opgesteld conform het beleid van de gemeente Leudal. Dit betekent dat het gemeentelijk Kaderplan én het gemeentelijk Handboek bestemmingsplannen (inclusief de standaardregels) leidend zijn geweest. Tevens is het bestemmingsplan in overeenstemming met de landelijke richtlijnen voor bestemmingsplannen (RO Standaarden 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Opzet planregels

De regels zijn opgesteld conform de wettelijke systematiek voor bestemmingsplannen en de aanvullende gemeentelijke systematiek, zoals vervat in het Handboek Ruimtelijke Plannen. Hieronder worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Er wordt tevens een toelichting gegeven op welke wijze de regels zijn ingedeeld en de inhoud van de regels wordt verkort weergegeven.

De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels;
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

5.2.1 Inleidende regels

Begrippen

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen.

Wijze van meten

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

5.2.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving
  • Bouwregels
  • Nadere eisen
  • Afwijken van de bouwregels
  • Specifieke gebruiksregels
  • Afwijken van de gebruiksregels
  • Omgevingsvergunning
  • Wijzigingsbevoegdheid

Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Groen

De groenzone rondom Landgoed Leudal wordt als 'Groen' bestemd. Hiermee wordt het groene karakter en de landschappelijke inpassing van het recreatieterrein zekergesteld. Binnen deze bestemming is geen bebouwing toegelaten. Tevens zijn binnen deze bestemming geluidwerende voorzieningen mogelijk, mits deze landschappelijk zijn ingepast.

Recreatie

Het recreatieterrein heeft de bestemming 'Recreatie'. Het betreft een globale bestemming. Binnen het bouwvlak zijn diverse verblijfsrecreatieve voorzieningen toegelaten (chalets, recreatiewoningen, centrale voorzieningen, groepsaccommodaties, kampeerterrein). Daarnaast is er ruimte voor waterhuishoudkundige voorzieningen, water, verhardingen, parkeergelegenheid.

Naast bovenstaande voorzieningen wordt ruimte geboden voor huisvesting van arbeidsmigranten (in fase 1a en 1b), dagrecreatie en centrumvoorzieningen. Onder centrumvoorzieningen wordt verstaan: voorzieningen ten behoeve van en ondergeschikt aan de hoofdfuncties recreatie en training. Centrumvoorzieningen staan ten dienste van personen die op het landgoed verblijven. Het betreft concreet voorzieningen zoals receptie, administratie, trainingsfaciliteiten, detailhandel, restaurantvoorzieningen en opslag. Maximaal 10% van het te bebouwen oppervlak mag ingezet worden als centrumvoorzieningen.

Het maximale bebouwingspercentage van 40% is aangegeven op de verbeelding. De maximale bouwhoogte is in de planregels opgenomen.

Binnen het terrein is één (bestaande) bedrijfswoning en één beheerderswoning, toegelaten.

Waarde – Archeologie 5 en 6

Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen is het gemeentelijk archeologisch beleid van toepassing met verschillende ondergrenzen voor de noodzakelijkheid van archeologische onderzoek.

5.2.3 Algemene regels

In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten.

In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden.

In de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

In de navolgende regel zijn de Algemene procedureregels opgenomen. In het artikel Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. De Grexwet is van toepassing op dit plan. Op grond van artikel 6.2.1 Bro betreft het plan een bouwplan in de zin van de grondexploitatiewet. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die samenhangen met het bouwplan, te verhalen op de exploitant. Onder kosten kan onder andere worden verstaan: de ambtelijke kosten. De hoogte van die kosten zijn berekend. Voordat de ruimtelijke procedure ten behoeve van het bouwplan kan worden gestart zal een anterieure overeenkomst dienen te worden gesloten waarin het kostenverhaal en de eventuele bijdragen zijn opgenomen.

Tussen de gemeente Leudal en de initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst en een exploitatieovereenkomst getekend.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerp plan heeft ter inzage gelegen van 30 januari 2014 tot en met 12 maart 2014. Gedurende deze periode zijn 11 zienswijzen ingediend (waarvan 1 in 2 delen). Het zienswijzenverslag is opgenomen als bijlage bij het vaststellingsbesluit.

Gewijzigde vaststelling

Naar aanleiding van het zienswijzenverslag is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Tevens zijn tijdens de vaststelling diverse amendementen ingediend. Voor de inhoud van deze amendementen wordt verwezen naar de vaststellingsbesluiten. De inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd in de regels en op de verbeelding. Tevens is de toelichting hiermee in lijn gebracht, zodat sprake is van een consistent bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan.

De procedure ziet er als volgt uit:

  • Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;
  • Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
  • Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
  • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;
  • Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling;
  • Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
  • Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.