direct naar inhoud van Artikel 10 Maatschappelijk
Plan: Kern Hunsel
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP12KernHunsel-OH01

Artikel 10 Maatschappelijk

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve, medische en openbare dienstverlening;
  • b. een begraafplaats ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats';
  • c. ondergeschikte horeca ten dienste van de hoofdfunctie uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
  • d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van waarde -monument -rijk en/of 'specifieke vorm van waarde - monument gemeente';

met de daarbij behorende:

  • e. wegen en paden;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. voorzieningen van algemeen nut;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. terrassen;
  • j. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.
  • b. Het bouwvlak mag worden bebouwd tot maximaal het aangeduide bebouwingspercentage.
  • c. De goothoogte van gebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte ten tijde van de ter inzage legging van het vastgestelde bestemmingsplan.
  • d. De bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte ten tijde van de ter inzage legging van het vastgestelde bestemmingsplan.
  • e. Het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van waarde - monument rijk gemeente' en/of 'specifieke vorm van waarde - monument gemeente' dient in acht te worden genomen.
10.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. De diepte van hoofdgebouwen mag vanaf de eerste verdieping niet meer bedragen dan 15 meter.
  • b. De goothoogte en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte ten tijde van de ter inzage legging van het vastgestelde bestemmingsplan.
10.2.3 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Bijbehorende bouwwerken c.q. overkappingen zijn uitsluitend toegelaten binnen het bouwvlak;
  • b. De maximale oppervlakte bedraagt 100 m2.
  • c. De maximale goothoogte bedraagt 3,5 meter.
  • d. De maximale bouwhoogte bedraagt 5,5 meter.
  • e. De minimale afstand tot de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt 2 meter.
  • f. In afwijking van het bepaalde onder d. mogen bijbehorende bouwwerken en overkappingen tot in de voorgevelrooilijn worden opgericht indien de afstand van de bijbehorende bouwwerken c.q. overkappingen tot de zijdelingse perceelsgrens groter is dan 2 meter.
  • g. Indien sprake is van een garage dient de afstand van de voorgevel van de garage tot de bestemming ''Verkeer' minimaal 5 meter te bedragen.
10.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 meter.
  • b. De hoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter.
  • c. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De bouwhoogte daarvan mag niet meer bedragen dan 3 meter.
10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • d. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
10.4 Specifieke gebruiksregels
10.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt naast het bepaalde in artikel 23 in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. horeca met uitzondering van horeca zoals bedoeld in 10.1 onder c;
  • b. wonen;
  • c. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft;
  • d. bewoning als afhankelijke woonruimte.
10.4.2 Monumenten

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - monument rijk' en 'specifieke vorm van waarde - monument gemeente' staat bij het gebruik van de gronden en het gebouw de bescherming van de cultuurhistorische waarden voorop en zijn de bepalingen van de vigerende Monumentenwet dan wel de gemeentelijke monumentenverordening van toepassing.

10.5 Afwijken van de gebruiksregels
10.5.1 (bedrijfs)woning

Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 10.4.1 onder b voor wonen in een inpandige (bedrijfs)woning met dien verstande dat:

  • a. sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. de waarden van de onder- en naastliggende bestemmingen niet onevenredig geschaad worden;
  • c. de meest recente regionale woonvisie in acht wordt genomen;
  • d. het gemeentelijke kwaliteitsmenu in acht wordt genomen;
  • e. de (bedrijfs)woning binnen de bestaande hoofdbebouwing gelegen is;
  • f. de woonfunctie ondergeschikt is aan de hoofdfunctie.
10.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Maatschappelijk' te wijzigen in de bestemming 'Dienstverlening', 'Wonen' of 'Kantoor' indien de activiteit ter plaatse is beëindigd en er geen redenen zijn om aan te nemen dat de activiteit op korte termijn wordt voortgezet, met dien verstande dat:

  • a. het gebruik als dienstverlening, wonen of kantoor vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is;
  • b. sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
  • c. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. de belangen en bestemmingen in de omgeving niet onevenredig worden aangetast;
  • e. bij wijziging de meest recente regionale woonvisie en de gemeentelijke doorvertaling daarvan in acht wordt genomen;
  • f. bij wijziging het gemeentelijke kwaliteitsmenu in acht wordt genomen;
  • g. de bouw- en gebruiksregels voor de bestemmingen 'Dienstverlening', 'Wonen' of 'Kantoor' in dit bestemmingsplan onverkort van toepassing blijven.