Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Isidoorstraat 27 te Haler
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1640.BP10Isidoorstr27-VG01

Artikel 3 Agrarisch, Agrarisch Bedrijf (A-AB)

3.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de bestemmingenkaart aangewezen voor "Agrarisch, Agrarisch Bedrijf A-AB" zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.
De belangrijkste functie van de bestemming is een rendabele agrarische bedrijfsvoering, waarbij de bouwwerken zoveel mogelijk worden ingepast in het landschap. Het recreatief medegebruik in de vorm van kamperen is onder voorwaarden en na een door Burgemeester en Wethouders verleende vrijstelling toegelaten.
 
Ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij (ph)’ is het gebruik van de gronden ten behoeve van paardenhouderij toegestaan.
 
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – boerderijwinkel (sa - brw) is een boerderijwinkel toegestaan tot een maximaal oppervlak van 38 m2.
 
Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten (-bw)’ is geen bedrijfswoning toegestaan.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Inrichting
Op deze gronden zijn uitsluitend ten behoeve van de in lid 3.1 genoemde doeleinden toegelaten:
a. bedrijfsgebouwen;
b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
c. tuinen en erven;
d. bijbehorende voorzieningen.
 
3.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’
Ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ gelden de volgende regels:
a. bedrijfsgebouwen worden uitsluitend in het bouwvlak gebouwd;
b. het bouwvlak mag volledig bebouwd worden;
c. de goothoogte van de gebouwen, geen woning zijnde, mag niet meer dan 4.50 meter bedragen en de hoogte niet meer dan 6 meter;
d. bedrijfsgebouwen worden met een kap afgedekt, waarvan de dakhelling tenminste 12º en niet meer dan 45º mag bedragen.
 
3.2.3 Overige regels
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen.
a. de hoogte mag niet meer dan 8 meter bedragen met uitzondering van erfafscheidingen,
waarvan de hoogte niet meer dan 2 meter mag bedragen.
b. ze dienen voor het overige naar aard en afmetingen bij deze bestemming te passen.

3.3 Afwijken van de bouwregels

3.3.1 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2, onder a, ten behoeve van het overschrijden van de naar de weg gekeerde bouwgrenzen, met dien verstande dat:
a. dit in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is, danwel het een bij de woning behorend bijgebouw betreft, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m², waarbij de het totale oppervlakte aan bijgebouwen niet meer dan 70 m2 mag bedragen;
b. het verkeersbelang, gehoord de wegbeheerder, niet wordt aangetast;
c. de afstand van de gebouwen tot de tot de openbare weg tenminste 5 meter bedraagt.
 
3.3.2 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2, onder a, ten behoeve van het oprichten van gebouwen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat:
a. dit in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
b. er geen onevenredige aantasting van de waarden van de omringende bestemmingen plaatsvindt;
c. hierop het Limburgs Kwaliteitsmenu van toepassing is.
 
3.3.3 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2, onder c, voor een grotere goothoogte en hoogte, mits:
a. de goothoogte niet meer bedraagt dan 6.50 meter en de hoogte niet meer dan 9 meter;
b. deze grotere goothoogte noodzakelijk is in verband met de aard, de omvang en/of de continuïteit van het bedrijf danwel vanuit bedrijfseconomische omstandigheden;
c. er geen onevenredige aantasting van de waarden van de omringende bestemmingen plaatsvindt.
 
3.3.4 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2, onder e, voor het plat afdekken van gebouwen, mits dit in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is.
 
3.3.5 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.3, onder a, ten aanzien van het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een grotere bouwhoogte, met dien verstande dat:
a. de bouwhoogte maximaal 15 meter mag bedragen;
b. er geen onevenredige aantasting van de waarden van de omringende bestemmingen plaatsvindt.
 
3.3.6 Bij het afwijken dient voldaan te worden aan de in artikel 8.1 genoemde procedure.

3.4 Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Gebruik van de grond
Onder verboden gebruik als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening wordt ten minste verstaan het gebruik van de gronden voor:
a. staanplaats voor onderkomens;
b. kampeer- of caravanterrein.
 

3.4.2 Gebruik van de opstallen
Onder verboden gebruik als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening wordt ten minste verstaan het gebruik van opstallen voor:
a.voor ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
b. voor detailhandel en groothandel, uitgezonderd de verkoop van bedrijfsproducten afkomstig van het eigen bedrijf en in eigen beheer;
c. voor transport- en/of garagebedrijven;
d. voor horecadoeleinden;
e. voor permanente of tijdelijke bewoning, uitgezonderd de bedrijfswoning;
f. voor opslagdoeleinden, uitgezonderd opslagdoeleinden, die verband houden met de agrarische bedrijfsvoering, alsmede met een winterberging van onderkomens.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1, onder a en b, voor het plaatsen van kampeermiddelen, mits:
a. het totaal aantal kampeermiddelen niet meer bedraagt dan 15, tenzij middels een aanduiding op de bestemmingenkaart een ander maximaal aantal kampeermiddelen wordt toegestaan;
b. het recreatieve gebruik geen onevenredige schade toebrengt aan de nabijgelegen bestemmingen, onder andere zal moeten worden gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing;
c. nabijgelegen bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsvoering, hetgeen onder andere wil zeggen dat er geen verzwaring mag optreden van de op grond van de Wet milieubeheer te stellen normen en eisen.
 
3.5.2 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.2, onder b, voor de verkoop van agrarische producten van andere agrarische bedrijven, mits het uitsluitend streekeigen producten betreft.
 
3.5.3 Bij het afwijken dient voldaan te worden aan de in artikel 8 genoemde procedure.